Benzine

Tom stond in het voorhuis.
Hij waste met een spons de ramen toen een claxon klonk.
Hij liep naar buiten en zag bij de pompen een grote zwarte wagen staan.
‘Kan ik u helpen?’ vroeg hij.
Hij kreeg geen antwoord.
Tom keek door het portier naar binnen. Achter het stuur zat een man. Hij droeg zwarte leren handschoenen en een zonnebril. Naast hem zat een andere man. Ook hij droeg zwarte leren handschoenen en een zonnebril.
‘Kan ik u helpen?’
De chauffeur bewoog zich niet.
Tom keek om zich heen, haalde zijn schouders op en liep het voorhuis weer in.
Hij had de spons nog niet uit de emmer gepakt of de claxon klonk weer.
Tom liet de spons in de emmer vallen en liep naar buiten. Ditmaal ging het portierraam naar beneden.
‘Kan ik u helpen?’ vroeg Tom.
De chauffeur draaide zijn hoofd naar hem toe. ‘Bent u open, oude man?’
‘Wij zijn open.’
‘Wie is wij?’
‘Nou,’ begon Tom. ‘Dat was bij wijze van spreken. Ik ben open.’
‘Nou,’ zei de chauffeur. ‘Volgooien dan graag. Bij wijze van spreken.’
Tom wilde naar de pomp lopen.
‘Waar gaat dat heen?’ vroeg de tweede man.
Tom liep terug en boog zich naar het portier. ‘Ik dacht dat u benzine wilde.’
‘Dat willen we ook.’
‘Wilt u dat ik de auto volgooi?’
‘Natuurlijk willen we dat u de auto volgooit. Dat hebben we toch net gezegd?’
‘Dan moet ik naar de pomp.’
‘Dan doet u dat.’
Tom liep naar de pomp. Hij stak de slang in de wagen.
Toen hij klaar was hing hij de slang terug.
De chauffeur wenkte hem. ‘Ik heb al veel pompbedienden ontmoet, oude man. U bent de eerste met een stropdas.’ Hij keek zijn maat aan. ‘Mijnheer de pompbediende heeft klasse.’ Toen keek hij naar Tom. ‘Heeft u klasse?’
Tom legde een hand op zijn stropdas. ‘Gekregen van mijn vrouw.’
‘Waar is de vrouw?’
‘Achter in het huis.’
De tweede man maakte een hoofdknik naar het gebouwtje achter de pompen. ‘Daar?’
‘Nee,’ zei Tom. ‘Dat is het voorhuis. Dat is maar een bijgebouwtje. Ik gebruik het als kantoor. Ons huis staat erachter.’
‘Kunt u voor ons de spanning van de rechterachterband meten?’
‘Ik heb geen lucht.’
De chauffeur deed zijn zonnebril af. ‘Ik vroeg ook niet om lucht. Ik vroeg gewoon of u de bandenspanning wil meten. Wees een goede oude man met klasse en test die band even.’
‘Ja,’ zei de tweede man en deed ook zijn zonnebril af. ‘Gewoon om de schijn op te houden.’
Tom keek om zich heen, liep naar het achterwiel, knielde neer en keek naar de band.
‘Dat is heel goed, oude man!’ zei de chauffeur. ‘Kom maar weer terug!’
Tom kwam langzaam overeind en liep terug.
‘Hoeveel klanten heeft u vandaag gehad?’
‘Ik weet het niet,’ zei Tom. ‘U bent de tweede of derde misschien. De derde, ja.’
‘De derde pas? En het schemert al.’
‘Er komen hier niet veel mensen.’
De chauffeur maakte een hoofdknik naar het voorhuis. ‘Wat deed u daar?’
‘Ik was de ramen aan het wassen.’
‘Wees een goede oude man met klasse en was onze ramen ook even.’
Tom bleef staan.
‘We willen geen problemen, ouwe man,’ zei de tweede man. ‘Geef gewoon onze voorruit een beurt.’
Tom twijfelde maar liep toen naar het voorhuis. Hij pakte de emmer en liep terug naar de auto.   ‘Alleen de voorruit?’
‘Alleen de voorruit.’
‘Moet deze oude man niet alle ramen wassen?’ vroeg de tweede man. ‘Hij heeft ten slotte klasse. Zie je die stropdas?’
De chauffeur knikte. ‘Ik zie zijn stropdas. Zeker, zie ik zijn stropdas. De oude man heeft klasse. Maar dat is geen reden om hem extra te vermoeien. De voorruit is genoeg.’
De tweede man tikte op de ruit en zei: ‘Alleen de voorruit, oude man.’
De chauffeur wees naar het voorhuis. ‘Wat is dat eigenlijk, daar boven op dat dak van dat voorhuis van u. Is dat een klok in een torentje?’
‘Ik weet het niet,’ zei Tom. ‘Het is een soort ornament.’
‘Ik versta u niet, oude man. Leg die spons neer, zet de emmer weg en kom me hier fatsoenlijk te woord staan.’
Tom liet de spons in de emmer vallen en liep naar het portier. ‘Ik zei, het is een soort ornament, denk ik.’
‘Het lijkt wel een kerk,’ zei de tweede man. ‘Een kleine kerk.’
Tom haalde zijn schouders op.
‘Wat betekent dat?’ vroeg de chauffeur.
‘Excuses mijnheer,’ zei Tom. ‘Ik bedoel, ik weet het niet. Dit huisje stond er al toen wij hier kwamen. We hebben ons eigen huis en de pompen er omheen gebouwd.’
‘Neem ons niet in de maling, oude man!’ zei de chauffeur. ‘Ik dacht dat u klasse had.’
‘Dat heeft hij ook,’ zei de bijrijder. ‘Kijk eens naar die stropdas.’
De chauffeur gebaarde naar het voorhuis. ‘Staat daar binnen in die kerk een koelkast?’
‘Ja,’ zei Tom.
‘Dan heeft u vast soda.’
‘Ja, dat heb ik. Wilt u soms wat?’
‘Nee, heb ik dat gezegd? Ik vraag alleen of u soda heeft.’
Tom wilde iets zeggen. De chauffeur was hem voor: ‘Wat doet uw vrouw?’
‘Wat mijn vrouw doet?’
‘Ja, uw vrouw. Kom, ik dol alleen maar een beetje met u. Er is geen reden om geen antwoord te geven.’
‘Ze kookt voor ons. Houdt de boel aan kant.’
‘Wat had u vanmiddag?’
‘Een sandwich met geroosterde kip.’
‘Wat had hij?’ vroeg de tweede man.
‘Een sandwich met geroosterde kip,’ zei de chauffeur.
De tweede man boog zich naar voren. ‘Denkt u dat er nog kip over is, oude man?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Ik bedoel precies wat ik zeg. Kliekjes. Is er nog over? Doe ons een plezier, oude man. Maak voor ons een sandwich met van die geroosterde kip van uw vrouw. Met veel sla en tomaat en extra dressing voor mijn partner.’ Hij keek zijn maat aan. ‘Daar houd jij toch van, Luuk?’
‘Zeker,’ zei de chauffeur. ‘Veel extra dressing.’
Tom aarzelde. Toen liep hij naar binnen. Hij ging het keukentje in, haalde de kip uit de koelkast, belegde een paar boterhammen met wat sla en tomaat en dressing, legde ze op een bord en nam ze mee naar buiten.
‘Dat is klasse, oude man,’ zei de chauffeur.
‘Ja,’ zei de bijrijder. ‘Dat smaakt goed. Geef onze complimenten aan de vrouw.’
‘Nou,’ zei de chauffeur. ‘Haal wat soda voor ons, wilt u? Dan kunnen we die kip wegspoelen.’
Tom liep het voorhuis in en haalde twee flesjes soda uit de koelkast.
‘Hier,’ zei hij.
‘Wij zoeken Stellan Ulrich,’ zei de chauffeur toen. ‘Ooit van gehoord? Grote jongen.’
‘Die woont een paar kilometer verderop,’ zei Tom. ‘Voorbij de T-splitsing.’
‘Dan zijn we dus toch op de goede weg.’
‘Ik zei het toch?’ zei de tweede man.
Tom aarzelde. ‘Wat wilt u van Stellan?’
‘Wat gaat u dat aan, oude man?’ vroeg de chauffeur. ‘Ik dacht dat u klasse had.’
‘Ik bedoelde er niets mee.’
‘Natuurlijk bedoelde u er niets mee,’ zei de tweede man. ‘U zou een probleem hebben gehad als u er wel iets mee bedoelde. Wij houden niet van problemen. Wij willen alleen maar even praten met Stellan Ulrich, begrijpt u?’
‘Kent u Stellan Ulrich goed?’ vroeg de chauffeur. ‘Ik bedoel heel goed, met de nodige sympathie bedoel ik, in de zin van dat u, zodra wij weg zijn, naar de telefoon stapt en zijn nummer draait en als Stellan Ulrich opneemt dat u dan tegen Stellan Ulrich zegt, hé Stellan Ulrich, je krijgt bezoek?’
‘Ik…’ begon Tom.
‘Denk tweemaal na, oude man. Neem de tijd. Denk tweemaal na bij alles in uw leven, maar zeker bij dit.’
‘Precies,’ zei de tweede man. ‘Bovendien, zoals mijn kameraad al zei, we gaan alleen maar even met hem praten. Geen probleem. Wij houden niet van problemen.’
‘Nee, en als wij een probleem hebben, lossen we dat het liefst zo snel en discreet mogelijk op, begrijpt u?’
Tom wilde iets zeggen maar hij wist niet wat.
‘Ik hoop dus voor u dat Stellan Ulrich thuis is als wij hem opzoeken,’ zei de chauffeur.
‘Ja,’ zei zijn maat. ‘Anders moeten we terugkomen.’
‘Maar waarom zou hij er niet zijn, hè oude man? We willen alleen maar met hem praten, dat begrijpt u toch?’
De chauffeur zette zijn zonnebril weer op. ‘Mmm,’ zei hij. ‘Die heb ik vandaag niet meer nodig, denk ik.’
‘Ik weet het niet, Luuk,’ zei zijn maat. ‘Het voegt wel toe aan je klasse.’ En hierop zette ook hij zijn zonnebril weer op.
‘We zullen wel zien,’ zei de chauffeur en startte de wagen. ‘We zullen wel zien waar deze zonnebrillen en deze blinkend schoongewassen voorruit en een volle tank ons brengen…’ Hij tikte met zijn vingers tegen zijn slaap. ‘Bedankt oude man. U heeft klasse.’
‘Doe uw vrouw de groeten,’ zei de tweede man. Ook hij tikte met zijn vingers tegen zijn hoofd.

Tom bleef staan en keek de wagen na totdat hij hem niet meer kon zien.
Hij haalde een zakdoek tevoorschijn en veegde zijn handen schoon.
Voorzichtig keek hij nog eens om zich heen en liep vervolgens het huis in.
Zijn vrouw zat bij de kachel in de woonkamer.
Tom liep naar de telefoon.
‘Wat ga je doen?’ vroeg zijn vrouw.
‘Ik denk dat ik Stellan even moet bellen…’ zei Tom.
‘Stellan? Wie, Stellan Ulrich? Waarom dat in hemelsnaam?’
‘Zomaar… Ik weet het niet.’
Tom draaide een nummer. Wachtte.
Een stem aan de andere kant zei: ‘Hallo?’
Tom hing op.
‘Tommy, wat is er toch?’ vroeg zijn vrouw. ‘Waar bleef je zo lang? Wie waren dat buiten?’
‘Klanten.’
‘Klanten?’
‘Ja, klanten.’
‘Wat wilden ze?’
Tom keek door het raam naar buiten. ‘Wat bedoel je?’ zei hij. ‘Ze wilden benzine. Wat zouden ze anders willen?’

‘Benzine’ is geschreven bij Hoppers schilderij ‘Gas’.

Yorgos Dalman (1973) is woonachtig te ’s-Hertogenbosch. Het verhaal ‘Benzine’ maakt onderdeel uit van een boek waarin Dalman 26 schilderijen van de beroemde Amerikaanse kunstschilder Edward Hopper (1882-1967) tot leven laat komen en waarvoor hij nog een uitgever zoekt. ‘Benzine’ is geschreven bij Hoppers schilderij ‘Gas’.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s