Aflevering 1

Vijf Zeer Korte Verhalen: aflevering 1

Gebogen lopen

Mijn rechternier lijkt uit te vallen. Ik voel steeds steken aan de buitenkant van mijn rechternier. De steken doen pijn. Als ik water drink, komt het water er, via mijn piemel, gelijk weer uit. Tegen de steken slik ik pijnstillers. Grote, glanzende, roze pillen waar je ongetwijfeld kanker en hondsdolheid van krijgt. De pijnstillers slaan niet aan. Mijn vriendin zegt dat ik het nog een weekje aan moet kijken, maar dat ik daarna toch echt naar de dokter moet.
Door de pijn moet ik gebogen lopen. Als ik gebogen loop, is de pijn minder. Met mijn linkerhand kan ik mijn scheenbeen aanraken. Mijn rechterschouder steekt in de lucht.
Bij de slijter koop ik twee flessen rosé. Droge, goed voor de doorspoeling van mijn nieren. De slijter zegt dat het hem opvalt dat ik gebogen loop. Hij glimlacht. Bij alles wat hij zegt of doet blijft zijn glimlach keurig in model. Ik heb het gevoel dat ik deze slijter kan vertrouwen. Het gerucht gaat dat hij de taal van de dieren spreekt. Ik zeg hem dat mijn rechternier lijkt uit te vallen. De slijter zegt dat hij het perfecte medicijn heeft. Hij schenkt glimlachend een glas rode wijn in. In drie slokken drink ik het glas leeg. Ik vraag of ik even gebruik mag maken van zijn toilet. De glimlach van de slijter valt van zijn gezicht.
Na het plassen zie ik in de spiegel paarse vlekken op mijn bovenlip. Twee driehoeken van rode wijn. Ik zet het kraantje van de wastafel open. Ik wil wat water in mijn gezicht spetteren, maar mis de straal en sla mezelf in het gezicht.

X

Mijn vriendin had overhemden voor me gekocht. De overhemden waren veel te groot. We probeerden de overhemden weg te geven aan mensen van wie we vermoedden dat ze de overhemden zouden passen. Niemand bleek ze te passen, de overhemden zijn voor iedereen te groot. Nu liggen de overhemden onderin de boekenkast. Op de letters T, U, V en W. De boekenkast is gerangschikt op schrijversnaam, alfabetisch, we hebben geen schrijvers die met een X beginnen in huis. Sinds de overhemden in de boekenkast liggen, ben ik dertig kilo aangekomen. Iedere dag ongeveer een kilo erbij. Ik eet geen chips meer, ik wil het proces remmen, maar het helpt niet. Ik stop met koffie, met suiker, met kaas, met koolhydraten, ik begin ’s middags pas te drinken, ik koop een crosstrainer (waar ik twee keer per dag een kwartier op beweeg), ik doe buikspieroefeningen, ik draai ellipsen met mijn heupen, ik probeer het vet – door mijn huid heen – uit elkaar te kneden, maar het helpt niets. Het gaat om vijf overhemden: twee witte, twee blauwe en één grijze.

Contact

Via internet zoekt hij contact met een lesbisch stel met een kinderwens. Bij het stel thuis trekt hij zich af in de slaapkamer. Hij komt klaar in een afsluitbaar plastic bakje. Hij geeft het bakje aan het lesbische stel en wenst hen veel succes.
In een winkelstraat schiet hij zeven mensen dood.
Het is die dag niet eens druk op straat.
Hij schiet zichzelf – mond, hersens, achterhoofd – dood.
Als ze naar haar vader vraagt vertellen haar moeders dat ze een wonder van God is. Als ze ‘s avonds in bed ligt vraagt ze zich af hoe het komt dat zij van sporten houdt.
Haar moeders kijken de hele dag tv.

Tennismaatje

Mijn moeder speelde een paar jaar geleden haar laatste tenniswedstrijd, ik was erbij. Haar knieën werden minder, ze kon het allemaal niet meer belopen. De tennisvereniging had een erelidmaatschap voor haar in petto. Ze bleef wel gewoon bardienst draaien. Ze bleef een rol in het verenigingsleven spelen, naast de baan. Met haar vaste drie tennismaatjes stond mijn moeder op de baan. Ze gaf een mooi lobje dat helaas net in het net belandde. De bal lag stil in het net. Ik zag iets op de bal afrennen. Rende daar een hond op de bal af? Hadden ze een hond als ballenjongen?
Toen ik beter keek, zag ik dat mijn moeder en haar tennismaatjes niet een hond, maar een dwerg als ballenjongen hadden. Een dwerg in een paarse bodywarmer. De dwerg was een jonge vrouw, ze leek een beetje op Leontine Borsato, maar dan uit de tijd dat ze nog Leontine Ruiters heette en de letters omdraaide bij Het Rad van Fortuin. De dwerg stormde met groot enthousiasme op iedere afvallende bal af. Met haar kleine, houterige pootjes rende ze over de baan. Haar spelinzicht liet de dwerg af en toe in de steek, dan verwachtte ze dat een tennismaatje de bal niet terug zou kunnen slaan en rende ze vast het veld in. Maar de tennismaatjes waren niet voor een kleintje vervaard en wisten soms onmogelijke ballen te halen. Dan moest de dwerg bukken voor haar leven.
Vandaag zag ik de dwerg weer, in een sportspeciaalzaak. Ik was me aan het oriënteren op nieuwe wandelschoenen. De dwerg had haar paarse bodywarmer niet aan. Ze zat wel in een rolstoel. Ze zat in haar rolstoel voor een rek met sokken. Een medewerker van de sportspeciaalzaak stond naar haar. De dwerg wees met een stok op het rek met sokken. ‘Deze?’ vroeg de medewerker, en hij wees op een paar sokken. De dwerg schudde nee en wees weer met haar stok op het rek met sokken. ‘Deze?’ vroeg de medewerker weer en wees op een ander paar. De dwerg schudde weer nee.
Een andere medewerker sprak me aan, hij vroeg of hij me kon helpen. Ik zei dat ik gewoon even rond wilde kijken.

Plasvak

Ik bel de dokter en vertel haar dat ik steken in mijn rechternier heb. De dokter zegt dat ik haar mijn plas moet komen brengen. Ik moet naar de praktijk komen, mijn plas in een speciaal plasvak zetten en een formulier zo goed mogelijk invullen. Ze gaat mijn plas dan onderzoeken. Mijn vriendin bewaart allemaal kleine flesjes Spa Blauw. Ze bewaart ze zodat ze water mee kan nemen wanneer ze op reis gaat. Ik pak één van de flesjes en ga er bloot boven staan. Een kleine straal plas uit mijn piemel. Alles in het flesje. Niets gemorst. Ik voel me een winnaar.
Het regent. Ik fiets naar de praktijk. Ik heb mijn postboderegenjas aan. Ik weet niet hoe ik aan deze regenjas gekomen ben. Ineens hing hij aan mijn kapstok. En dan te bedenken dat er mensen zijn die durven te beweren dat wonderen niet bestaan. Het flesje plas zit in mijn jaszak en bonkt tegen de zijkant van mijn been. Lekker warm.
In de praktijk zitten drie vrouwen. Ze hebben het erg gezellig samen. Ze praten over hun ziektes en over de ziektes van hun mannen, kinderen, kleinkinderen, buren en huisdieren. Ik zoek het plasvak. Één vrouw vraagt, lachend naar de anderen kijkend, of ik de post kom bezorgen. Ik zeg dat ik mijn plas kom bezorgen. Ik laat het flesje met mijn plas zien. Op het flesje staat reclame voor De Bibliotheek op het Station. ‘Ik wist niet dat er een bibliotheek op het station is,’ zegt één van de andere vrouwen. ‘Ik ook niet,’ zegt de derde, ‘maar goed dat ze er reclame voor maken dan.’ De vrouwen hebben nu alle drie iets gezegd. Mooi verdeeld. Geen ontevreden gezichten. Vandaag speelt iedereen een hoofdrol.

(wordt vervolgd)

Joubert Pignon (1978) werkt in een dierenwinkel. In zijn atelier schrijft hij zo kort mogelijke verhalen. Hij debuteerde najaar 2012 met Er gebeurde o.a. niets bij uitgeverij Atlas Contact.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s