Samenwonen

Haar kende ik twaalf jaar, hem kende ik vanaf mijn geboorte, en op een dag hadden ze een relatie.
Drie weken later stuurden ze een brief rond met de titel: ‘Huis gezocht’.
Toen ik het las, liet ik eerst een kop thee op de grond vallen, daarna kwam ik dagenlang niet buiten en ten slotte nam ik me voor ze nooit meer te zien. Dat was geen gemakkelijk voornemen, want hij was mijn beste vriend en zij was het leukste meisje dat ik kende.
Het lukte. Min of meer. Af en toe kwam ik hem tegen bij een verjaardag, we troffen elkaar eens tijdens een voorleesavond op het Spui, maar ik mompelde telkens iets over andere afspraken of denkbeeldige deadlines en maakte me vervolgens zo snel mogelijk uit de voeten. Haar zag ik weleens bij een popconcert. We hadden dezelfde muzieksmaak. Meestal vertrok ik voor zij mij had opgemerkt. Eén keer stapte ze uitbundig op me af, sloeg een arm om mijn schouder en zei: lang niet gezien, ik heb je gemist, man.
Ik glimlachte ongemakkelijk, zonder geluid te maken.
Ik wilde haar een drankje aanbieden.
Ik wilde weten hoe het met haar ging, alle ontmoetingen die ik afgelopen jaren vermeden had in één keer goedmaken.
Ik wilde haar hand pakken, stevig en warm, en nooit meer loslaten.
Ik wilde vragen: waarom hij wel, en ik niet?
Maar het enige wat ik deed, was glimlachen, zo stompzinnig en vreugdeloos als alleen pubers dat kunnen.
Vijf minuten later liep ik in mijn eentje Paradiso uit.
Natuurlijk verschenen er andere meisjes in mijn leven. Niet veel, maar ze waren er, soms hielden ze het maanden met me vol, eentje vroeg me zelfs ineens ten huwelijk.
Ik weigerde. Niet omdat er een ander in het spel was, niet omdat ik de relatie te snel vond gaan of zoiets clichématigs. Ik had gewoon helemaal geen zin om te trouwen.
Inmiddels ben ik zevenenvijftig en heb ik een bovengemiddelde goede band met mijn golden retriever.
Vanochtend hoorde ik dat mijn beste vriend in een bejaardentehuis is beland – wat ik vreemd vind, want hij is nog helemaal geen bejaarde. De laatste keer dat ik hem sprak was negen jaar geleden. We kwamen elkaar tegen bij een of andere boekpresentatie en hij vroeg: alles goed? Ik haalde mijn schouders op en zei: gaat wel.
Dat was het.
En zij? Zij is verpulverd door een Volkswagen. Het gebeurde de nacht na het popconcert. Fietsen zonder licht. Een chauffeur die na een door alcohol gestuurde uitgaansavond dacht die vijf minuten naar huis nog wel veilig te kunnen rijden. ’s Nachts in bed zie ik vaak voor me hoe we die avond tegen over elkaar stonden. Het voelt zo echt, echter dan vrijwel alles wat ik sindsdien heb meegemaakt, alsof ik elk moment naar Paradiso kan fietsen en zij daar op me zal wachten.
Ik zie het helemaal voor me. Hoe ze op me afstapte, hoe ze haar arm over mijn schouder sloeg en zei dat ze me had gemist.
Had ik maar gezegd: ik jou ook.
Ik ben er trouwens achter dat ze het nog geen maand samen hebben volgehouden, zij en mijn beste vriend, maar goed, dat is nu wel het laatste wat er toe doet.


Thomas Heerma van Voss (1990) debuteerde in 2009 met de novelle De allestafel bij Augustus. Hij publiceerde o.a. in nrc.next en Vrij Nederland. In april is zijn nieuwe roman Stern verschenen bij Thomas Rap.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s