Schrijvers en nieuwe technologie

In februari 1996 kocht ik in de Amsterdamse poëzieboekhandel Perdu een diskette met ‘elektrische gedichten’ van Paul van Ostaijen. De Vlaamse dichter zou dat jaar honderd zijn geworden en Louis Stiller, toen ‘founder en CEO’ van ‘Album’ (credo uit 1996: ‘Album richt zich als eerste Nederlandse uitgeverij geheel op het digitale scherm’) besloot het oeuvre van Van Ostaijen integraal te digitaliseren. Hij liet het voorzien van een nieuw lettertype ontworpen door Pieter Boddaert en van ‘typografische animaties’ van Bert Hendriks. Zo kwam Bezette Stad op je scherm tot leven.
Hoe vet was dat?
Nou, best vet, voor die tijd. Ik herinner me dat ik compleet werd weggeblazen, toen ik het 3,5-inchschijfje in het diskettestation van mijn AT-386SX (16Mhz, 52MB harde schijf) had geschoven, ‘START A:\Paul.exe’ had ingetoetst en het feest op mijn 256-kleuren VGA-monitor losbarstte.
Vette shit.
Die diskette heb ik nog steeds, in zijn plastic hoesje, maar mijn Macbook Air heeft helaas geen diskettestation. Ik vrees bovendien dat mijn ‘magnetische drager’ na zestien jaar niet meer zo lekker uitleest. Misschien dat de klimatologische omstandigheden in de Koninklijke Bibliotheek wat beter zijn: daar ligt ook nog een exemplaar, onder depotnummer 2124655. Maar wie heeft nog een 3,5 inch diskettestation? Weet je wat Louis Stiller zou moeten doen? Alle uitgaven uit eind jaren negentig van ‘Album’ online toegankelijk te maken. De literatuurgeschiedschrijving heeft het nodig.

Elektrische gedichten
Niet alleen uitgevers, ook schrijvers en dichters laten zich inspireren door de nieuwe mogelijkheden die de computer biedt. Mijn persoonlijke hoogtepunt op het gebied van ‘elektrische gedichten’ is het in 1999 opgerichte ‘web art gezelschap’ Young-Hae Chang Heavy Industries, bestaande uit de Koreaan Young-hae Chang en de Amerikaan Marc Voge. Zij maken poëzie voor het web; een reeks dialogen die tot de nanoseconde nauwkeurig op jazzmuziek worden gemonteerd. Het is in zijn eenvoud erg esthetisch (oordeel zelf op http://www.yhchang.com).
Poëziecritica Yra van Dijk schreef in NRC Handelsblad: ‘De mythe wil dat dit auteursduo een workshop volgde in Flash-kunst, halverwege de zaal verliet omdat ze genoeg geleerd hadden en vanaf dat moment hun stijl gevonden hadden. Dat afgunstige verhaal zegt genoeg over hoeveel succes YHCHI heeft met hun slimme en swingende poëzie.’
Schrijvers laten zich regelmatig inspireren door een contemporaine trend, vaak een nieuwe technologie, waarvan de maatschappelijke effecten door schrijvers worden onderzocht. Het kan gebeuren dat een dergelijk verschijnsel achteraf zo kortstondig was, dat latere lezers er weinig meer van begrijpen. Zo duurt het niet lang meer voordat dit gedicht uit de debuutbundel van Hagar Peeters onbegrijpelijk is zonder even te Googlen:

Eeuwig bliepen de tamagotchi’s

Op de tamagotchibegraafplaats
waar de kinderen met hun kinderen
en hun kindskinderen ter aarde gaan,
regent het langzaam.
Stoeten rubberlaarsjes zakken in de blubber.
Kleine knuistjes dragen eerbiedig glazen potjes
met hier en daar nog pindakaas
in de groeven van het glas;
balsem voor zijn langste nacht logeren.
Populieren wiegen er vol ongeloof het hoofd.
Aan scheppen zand met bloemetjes
ontstijgt een zachtjes bliepen:
`I …did it …my way.’

Een voorbeeld van een schrijver die al jaren ontvankelijk is voor technologische ontwikkelingen is Ronald Giphart. In Het feest der liefde (1995) publiceerde hij ´Teledildonics´, een verhaal dat hij schreef voor Playboy. Een meisje neemt een jongen mee, trekt hem allemaal apparaten aan en verbindt die met een computer. Zelf trekt ze ook ‘cybergloves’ en een ‘datagilet’ aan, en logt in op de computer. Jongen en meisje zijn in dezelfde kamer maar ontmoeten elkaar in de ‘virtual sexreality’. Hun bewegingen worden geregistreerd en bij de ander weer gereproduceerd, onder andere door ‘televulvanic trousers’, een broek met een mechanische dildo erin. Zo hebben ze seks zonder elkaar fysiek aan te raken.

Sms en Twitter
Door technologische ontwikkelingen ontstaan dus nieuwe literaire uitingsvormen (bewegingen op een beeldscherm), nieuwe literaire themata (tamagotchi’s, virtuele seks), maar ook nieuwe literaire structuren. Zo bedacht de dichter Sofie Cerutti in 2005 een nieuw keurslijf voor haar poëzie; de lengte van een sms. In precies 160 tekens (inclusief spaties) een boodschap overbrengen, het was – mede door dagelijkse publicatie van hoogtepunten in dagblad nrc.next, een tijdje een populair format. Het programmatische gedicht waar Cerutti in 2006 de website http://www.precies160.nl aftrapte, vat het concept goed samen:

Sms: een wonder
van technisch
vernuft en
innovatieve
verbeelding. Maar
hoe pers ik mijn
liefde, mijn lust,
mijn verlangen in
honderdzestig
tekens inclusief
wit?

Cerutti’s 160’jes zijn sinds de komst van Twitter (maximaal 140 tekens) niet meer geheel op maat, maar er zijn talloze vergelijkbare initiatieven met Tweets. De bekendste is waarschijnlijk de Tweku (Tweet/Haiku): Tweku is born. How can you create true beauty, in exactly 140 characters. it will take my muse to be sure sorry Epiphany my ethereal love :*

Novelle op cd-rom
De uitstapjes die de literatuur maakte naar computers en internet werden in de jaren negentig, toen ik studeerde, onder meer geïnventariseerd en geanalyseerd door Arie Altena. Zo gaf hij in 1995 bij de vakgroep Algemene Literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam het vak ‘interactieve literatuur’, waarbij de literaire potentie van de ‘hypertekst’ centraal stond. Kern van het idee: een literair werk is niet langer lineair, maar een soort web aan tekstfragmenten, waar de lezer een eigen weg in zoekt, door te klikken op hyperlinks in de tekst.
Een voorbeeld van een dergelijk non-lineair boek uit die tijd is Schaman gaat voor Goud, ‘de eerste novelle op cd-rom in het Nederlands taalgebied’ van G.J. van Schoonhoven. Schoonhoven gaf daarin een deel van de macht van de schrijver uit handen: de loop van het verhaal. Francisco van Jole (tegenwoordig actief op Twitter onder de naam @2525) schreef er in 1995 in een recensie in de Volkskrant het volgende over: ‘De lezer kan de volgorde van de fragmenten per hoofdstuk zelf bepalen. Er wordt niet zozeer een verhaal als wel een sfeer opgebouwd. De zinnen verschijnen beetje voor beetje op het scherm en dringen de lezer een tempo op. Aanvankelijk lijkt dat storend maar al snel blijkt het een uitgekiende techniek. Een beetje rust kan geen kwaad in de snelle wereld van de digitale media.’ Snelle wereld? Onze @2525 heeft zich in de digitale hectiek van de afgelopen decennia gelukkig goed kunnen aanpassen: terwijl ik dit schrijf heeft meneer 54,142 tweets verstuurd aan ruim twintigduizend volgers.
In juni 2003 kwam Second Life online, een chatbox voorzien van brokkelige graphics. Dichter Ilja Leonard Pfeijffer verbleef er enkele maanden en was er, om met Willem Jan Otten te spreken, ‘de souteneur van zijn eigen avatar’ Lilith Lupardi. In een interview met Michael Minnebo zei Pfeijffer: ‘Second Life is een heel interessante proeftuin, een schemergebied tussen fictie en non-fictie. Het is interessant om te zien wat er gebeurt als mensen zonder beperkingen hun fantasieën kunnen waarmaken. Second Life gaat over fantasieën. De vraag van identiteit en authenticiteit is trouwens altijd een belangrijk thema geweest in mijn werk.’
Wie nu in Second Life rondloopt (ja, het bestaat nog steeds en heeft een harde kern gebruikers) kan het met de beste wil van de wereld niet meer zien als een ultieme plek om zonder beperkingen hun fantasieën waar te maken. Het is eerder een Habbo Hotel voor volwassenen.

Collectieve inhoud
Nieuwe technologie kan een nieuw licht werpen op de literaire inhoud (bijvoorbeeld vraag van identiteit), maar het kan bijvoorbeeld ook het werkproces beïnvloeden. Twee voorbeelden. Het meest extreme gaat over het laatste boek van schrijfster Sylvia Hartmann. In het najaar van 2012 werkte zij in een voor iedereen toegankelijk document (op Google Drive) aan haar nieuwe boek. De lezers mochten bij elk hoofdstuk, elke zin, commentaar leveren, of suggesties voor verhaallijnen doen. Alles was live te volgen. Elke toetsaanslag die Hartmann deed, zag je direct op je eigen computerscherm. Als ze haar cursor verplaatste, zag je dat onmiddellijk gebeuren.
Een iets minder vergaand experiment loopt momenteel (begin 2013) nog steeds. Het is het feuilleton voor de Volkskrant van Ronald Giphart, de auteur waarvan al bleek dat hij open staat voor de conceptuele mogelijkheden die nieuwe technologie biedt. Giphart begon dit experiment met drie romanconcepten, waar zijn lezers er een van mochten uitkiezen. Het werd deze:

Romanconcept 2 – Werktitel: De geheimen van mijn vriendinnen

Een groep vrienden met kinderen besluit de jaarwisseling door te brengen in een strandhotel op Vlieland. Vijf jonge families arriveren op 30 december op het eiland, met als doel 2 januari weer te vertrekken. Het voornemen is dat de kinderen elkaar vermaken, zodat de ouders zo ongestoord mogelijk kunnen eten, drinken en dansen.

De groep is verbonden door de vriendschap van de vrouwen die elkaar al sinds hun studententijd kennen. Een van hen heeft al die jaren in het geheim opschrijfboekjes bijgehouden waarin zij consequent ‘de geheimen van haar vriendinnen’ verzamelde. Kleine geheimen, grote geheimen, verjaarde geheimen, levensbedreigende geheimen.
Op Vlieland heeft zij deze notitieboekjes bij zich.

Elke week legt Giphart nieuwe keuzen voor aan zijn volgers (vooral via Facebook, maar ook via de krant). Uiteindelijk ontstaat er zo een ‘collectief boek’. Waar ik echter vooral benieuwd naar ben, is de analyse van zijn ervaringen die Giphart hopelijk daarna nog gaat schrijven.

Conceptuele mogelijkheden

Want mensen die je helpen om literatuur te produceren, tja. Een inhoudelijk direct wat aansprekender project was dat van Thomas van Aalten: de ‘movel’ Exile uit 2007, een verhaal dat alleen via mobiele telefoon te lezen was. Dat klinkt als een arbitraire beperking in mogelijke dragers van de informatie, maar Van Aalten had er een reden voor: “Exile is een verhaal waarbij de inhoud echt bij de vorm past. Zoals vaker met een verhaal van mijn hand zal de lezer in verwarring worden gebracht, maar nu vooral dankzij het feit dat je met je mobieltje minder snel in één keer kan terugbladeren. Je moet je laten overrompelen.” Kijk, op die manier laat je de nieuwe technologie voor je werken.
Schrijven over sms’jes en tamagotchi’s: op deze manier de blik over de schouder werpen kan je doen denken: wat suf van die schrijvers, waarom maken ze geen tijdloze verhalen? Interessanter is het om je af te vragen waarom schrijvers zich zo graag laten verlokken door de nieuwe ontwikkelingen. Ik denk dat ik dat weet. Nieuwe technologie biedt nieuwe conceptuele mogelijkheden, en auteurs zijn er als de kippen bij om die mogelijkheden te exploreren. Zo was Giphart creatief genoeg om een AT386 met VGA-monitor in zijn fantasie tot een virtuele seksmachine te laten transformeren. En speelde Van Aalten slim in op het verschil tussen een telefoon en een papieren boek.
Dat schrijvers in hun haast soms een ontwikkeling belichten die een paar jaar later nogal stoffig overkomt, is een bijkomstigheid die ze ruimhartig vergeven moet worden.


Ward Wijndelts (1975) studeerde Nederlands aan de UVA en werkte als redacteur bij Folia en NRC Handelsblad. Momenteel zoekt hij bij NRC en met zijn startup Brainsley naar manieren om goede artikelen slim te verspreiden (en er ook nog het salaris van journalisten van te kunnen betalen). Hij is jurylid van de BNG Nieuwe Literatuur Prijs.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s