Ruben van Gogh: Nog altijd verdwijnen en aanwezig blijven

Op Gedichtendag, 31 januari 2013 verscheen de vijfde bundel van Ruben van Gogh, Hier begint het leven bij uitgeverij Podium. Ruben van Gogh is een Friese Groninger die een kleine vijftien jaar geleden in Utrecht neerstreek voor de liefde. We zoeken hem op in zijn huis aan de rand van Zuilen. ‘Kom om half tien, dan zijn vrouw en kinderen de deur uit en is de hond te slaperig om ons te storen.’

Binnen klinkt klassieke muziek. Vroeger klonk hier nog Prince of Eminem, meesmuil ik. Dat draait hij nog steeds, haast hij te melden. Dan gaan we aan de oude eettafel zitten, voor het raam stroomt de Vecht, in de Vecht liggen de hoerenbootjes van Utrecht met hun raamloze kont naar ons toegekeerd. Inspirerende omgeving voor een dichter. ‘Ik had een tijdje een rubriek voor De Avonden over poëzie op internet. Een keer ging het over het fenomeen stadsdichters. Toen vroeg men: schrijf jij voor volgende week eens een gedicht alsof je stadsdichter van Utrecht bent.’ Het gedicht, Zandpad, staat in de nieuwe bundel en begint zo: Wie zou hier niet willen / wonen: overal lampjes, dagelijks / vlees – altijd kerst, lijkt het wel, / maar dan geen familie.

Inmiddels is Ruben van Gogh drijvende kracht achter het Utrechts dichtersgilde, een stadsdichterscollectief met onder meer ook Mark Boog, Ellen Deckwitz en Ingmar Heytze. En is hij beschikbaar voor de rol van Dichter des Vaderlands. ‘In januari loopt de termijn van Ramsey Nasr af, maar half november was er nog niets bekend over de benoemingsprocedure. Ik dacht: als niemand er aan denkt, roep ik mezelf wel uit. Ik heb nog nooit zoveel reacties op een Facebook- en twitterbericht gekregen. Bas Kwakman van Poetry International gaf het bericht meteen een duim, dat zag ik maar als een officieuze stem. Direct daarop gaf de organisatie een profielschets vrij die bijna rechtstreeks naar mij verwees. Die avond zou ik een praatje houden voor het radioprogramma Dichtbij Nederland en ik twitterde dat ik daarin het volk kond zou doen van mijn officiële nominatie. Toen diezelfde zaterdag Onno Blom op Radio 1 mij onomwonden bij de selectiecommissie aanbeval, kon ik mijn campagne in minder dan een week alweer beëindigen. Het was als grap bedoeld, maar als de kans zich voordoet, wil ik het wel doen. De kern is natuurlijk gedichten bij situaties schrijven. We kunnen niet allemaal Komrij zijn, die een tijdschrift, een genootschap en een prijs in het leven roept. Ik zou wel een project willen starten voor scholieren. Een oogstrelende glossy met poëzie en beeld, gesponsord door Mars en Coca Cola, of andere merken die men het liefst van het schoolplein weert. Vier jaar geleden voerde de genomineerde Tsead Bruinja campagne met een uitgebreid programma van poëziebevorderende projecten. En ik? Ik zei: als men mij tot Dichter des Vaderlands benoemt… laat ik Tsead Bruinja zijn programma uitvoeren.’

Het in opdracht bij gelegenheden schrijven van gedichten gaat Ruben goed af. We bladeren door zijn nieuwe bundel en tellen tot zijn eigen verbazing dat zeker 80% van de gedichten een opdracht als aanleiding heeft gehad, vooral voor festivals of niet-commerciële uitgaven. ‘Maar voor mij is er geen wezenlijk verschil tussen gedichten die ik uit eigen beweging of in opdracht schrijf. Zodra ik eraan begin is het mijn gedicht, de aanleiding doet er dan niet toe. Ik werk veel voor opera. Afgelopen september ging Nikola, a techno opera in 4D sound over de elektrotechnisch uitvinder Nikola Tesla in première. En in november de vierde Westland-musical die ik met Bob Zimmerman maakte: Afstallen. Over de inhoud van een opera of musical heb ik vooraf uitgebreide gesprekken met de maker, maar het schrijven van de teksten doe ik uiteindelijk zelf. Hooguit, zoals bij de Nikola-opera, vraagt de producent dan om wat meer fragmenten met wetenschapsbeelden of zo. Ze gaan niet lettergrepen tellen. Bob Zimmerman kijkt wel naar de muzikaliteit. Voor een kinderlied vroeg ik eens zijn hulp en toen adviseerde hij een heel slotcouplet te schrappen. Of bij een ander kinderlied stelde hij voor een couplet te vervangen door noe-noe-noe. Anders wordt het te veel. Kinderen moeten het willen meezingen, tenslotte.’

‘Het blijft een onzeker economisch bestaan, leven van libretti-opdrachten. 2012 was een mager jaar. Maar ik zou het nooit willen inruilen voor een vaste baan. Dit is wat ik het liefste doe. Al zou het prettig zijn als iemand mij kon verzekeren dat de stroom opdrachten nooit zal opdrogen. Ik ben daarom wel begonnen met meer de regie te pakken. Niet alleen opdrachten afwachten maar zelf ook initiatieven opzetten.’

Dus van letterslaaf tot entrepreneur?

‘Ja. Producer. Walt Disney aan de Vecht. Ik heb plannen voor een korenzang over Werkspoor, de fabriek die tot dertig jaar terug zijn stempel hier op Zuilen drukte. Daarvoor regel ik nu zelf de contacten en de startsubsidies. Een ander project waar ik nu partners voor zoek, is Ruis, een twitter-opera.’

?

‘Een verhaal in opeenvolgende twitterberichten, verstuurd door de personages. En een koor van bekende Nederlanders die tegelijkertijd hun bericht versturen. En mensen in de zaal kunnen er via de hashtags met eigen tweets op inbreken. Een opera zonder geluid. Dat is mijn wraak op de onverstaanbaarheid van de opera.’

De eerste twitter-opera. Typisch iets voor een early adapter als jij. Ik herinner me een persbericht van je: ‘‘Vlammen’, de eerste opera integraal geschreven op een Nokia 810 4,3 inch.’

‘Ja. Maar een cadeautje van de importeur, ho maar. Wel een bericht van de goeroe van dat apparaat: keep up the good work! Dat ik op een palmtop schrijf, heeft overigens geen invloed gehad op de vorm, het tempo of de inhoud van de teksten.’

En alle voorliefde voor nieuwe media ten spijt, kies je voor je nieuwe bundel toch voor een conventionele papieren uitgave bij een Amsterdamse uitgeverij.

‘Een boekje blijft mooi, het is toch een soort gestold oeuvre. En je krijgt er een redacteur bij, ik ben erg blij met mijn redacteur bij Podium. De gedichten die ik nu geselecteerd heb, passen ook goed op papier. Mijn Nikola-gedichten, die korter en associatiever zijn, zouden zich goed lenen voor een innovatievere aanpak. Dat de volgorde van de gedichten in iedere bundel anders is. Printtechnisch kan dat. Voor mijn Utrecht-gedichten zou een routeplanner-achtige app mooi zijn, direct verwijzend naar de locaties in de stad waar ze zich afspelen.’

In de bundel staan twee flarf-gedichten. Wat is flarf?

‘Dat is een procedé, door Ton van ’t Hof uit Amerika opgepikt. Uit de resultaten van een in Google opgevoerde zoekterm selecteer je tekstfragmenten waaruit je het gedicht opbouwt. In Amerika begon het als verzetsdaad tegen frauduleuze commerciële uitgevers of dichtwedstrijden en was het de bedoeling de ranzigste zoekresultaten bijeen te smeden. In het puriteinse Amerika kan je de burgerij daar nog mee choqueren, in Nederland speelt dat geen rol. Het past wel in de traditie van de zestigers, de readymades of de cut-paste collagestijl in Amerika. Tegenwoordig neemt men de methode minder strikt op en is het meer een inspiratiebron geworden. Voor ‘Eenjarige snijbloemen’ in de bundel heb ik tijdens de redactieronde nog eens op dezelfde zoekterm gegoogled. En trof in de zoekresultaten mijn eigen gedicht terug, als droste-effect. Flarf-gedichten zijn een beetje buitenbeentjes in mijn werk. Maar het blijft de hand van de meester: ik ben degene die uit de zoekresultaten de selectie maakt.’

En ‘Eenjarige snijbloemen’ past ondanks de afwijkende aanpak toch naadloos in de bundel: Ze staan overal, de stille getuigen / op plaatsen langs de weg waar iets / dramatisch gebeurd is / / en verwelken weer totdat het lijkt / alsof ze er nooit waren. De dood waart volop rond in de bundel en continu is er het besef dat het leven een minuscuul kiertje licht is in het eindeloze duister van de tijd en ruimte. Een stemmige, sombere bundel al met al.

‘Somber? Vind je hem somber? Misschien wel, ja. Ik vind het ingetogen. Mijn vorige twee bundels vormden een potpourri, bijeen gehouden in de vorm. In deze bundel zit de eenheid meer in toon en thema. Er zit ook minder buitenwereld in, meer reflectie. Maar dat is het gevolg van de selectie. Ik schrijf nog steeds uptempo en met de ramen open. Mijn Utrecht-gedichten bijvoorbeeld. Maar die pasten niet in deze bundel. Ik ben helemaal niet somber, hoor.’

‘Ik begrijp waarom je de bundel somber noemt. In deel 3 staat een serie die ik schreef, de aanleiding was heel praktisch, voor een muzikaal project, dat uiteindelijk niet is doorgegaan, rond het thema gevaar. Of zoiets. Ik bedacht toen: ik kan het wel buiten mezelf zoeken, maar laat ik het eens dichterbij halen. De dood van mijn zus Nathalie in 1996 en Petra, een ex-vriendin, in 1998, allebei door zelfmoord. De gedichten zijn weliswaar een rechtstreekse verwijzing maar het blijven gedichten, het is geen documentaire. Ik heb de reeks voor de bundel uitgebreid met andere gedichten: een eenzame uitvaart (‘Lief meisje jij’) en een gedicht als in een CSI Holland (‘Kind’). Voor mij was het ook een experiment: ik heb er een paar bikkelharde grappen ingestopt, ongeveer zoals striptekenaars dat doen, door harde contrasterende beelden naast elkaar te zetten. Zoals in ‘Uit’, over de jurk die iemand aan wil als ze dood is: je had altijd iemand nodig / om je erin te helpen, of eruit.’

‘Het is natuurlijk precaire materie. Daarom ook die aftastende toon. Een gedicht als ‘Uit’ is daardoor zo ragdun uitgesponnen. Dat geldt voor die hele serie: ze zijn erg zorgvuldig gecomponeerd. Juist omdat het zo persoonlijk is, was ik me ervan bewust wat ik wel en niet wilde prijsgeven. Alsof ik heel subtiel van onderaf op de materie afga. Zoals in ‘Vlinders’: niet te vloeiend maar regel voor regel, laagje voor laagje: We smeten je / papierwinkel de afvalcontainer in / je hele hebben en houwen / (aanmaningen, afschriften, herinneringen) / vloog als een cluster dartele vlinders / een onbestemde toekomst tegemoet / opgetogen bijna.

Kies je bewust voor ambtelijke taal om bijvoorbeeld de authenticiteit te versterken, het niet te poëtisch te maken?

‘Ik denk niet dat veel dichters daar zo bewust mee bezig zijn. Ik begon de serie met ‘In gebreke’ en dat bepaalde ook de taaldosering voor de vervolggedichten. Dat gaat onbewust. Denk ik.’

‘Daarmee vormt het tweede deel van de bundel, een zevenluik over mijn verblijf in Zuid-Afrika opeens een groot contrast. Daarin kon ik wel voluit gaan, veel expressiever en op tempo. Er zit ook een veel duidelijkere ik in. Een serie die ik trouwens helemaal autonoom heb geschreven. Niet in opdracht. Die reis naar Zuid-Afrika en de gedichten die het heeft opgeleverd zijn erg belangrijk voor mij. Daarin komt van alles samen. Ze gaan over poëzie, over taal, Zuid-Afrika is wat dat betreft een laboratorium voor talen, en over bloedlijnen, identiteit. Zelf ben ik bijvoorbeeld kwart Frans, kwart Hongaars. Als dat kwart Marokkaans en Antilliaans was geweest, was dat hier in huidig Nederland opeens veel meer identiteitvormend geweest.’

In die Zuid-Afrika-cyclus vinden we ook dé sleutelzin van de hele bundel: ‘We aaien door, net zolang tot de ons toegewezen tijd ten einde is.’

‘Weet je, de ondertitel van mijn allereerste, nog in eigen beheer uitgegeven, bundel luidde ‘Een poging tot plaatsbepaling in tijd en ruimte’. En de kop van een interview in De Poëziekrant naar aanleiding van mijn tweede bundel in 1999 was ‘Verdwijnen en aanwezig blijven’. Het registreren van dat besef zat er dus altijd al in, ook in de tijd dat ik nog voornamelijk light verse schreef. Het laatste gedicht in de bundel, ‘Korreltje zand’ is een reactie op een gedicht van Ingrid Jonker. Toen ik die opdracht van Wintertuin kreeg, speelde ik al met het idee een gedicht te schrijven hoe uit dode materie levende materie ontstaat. Nu zie ik het als een zustergedicht van ‘Dubbeltje’, het tweede gedicht uit mijn officiële debuut in 1996. Allebei gaan ze over de circle of life. Ik vind een dubbeltje in een winkelstraat en verlies hem weer in een winkelstraat. Korreltje zand is de constatering dat in het begin al het einde besloten zit.’

Als ik buiten de lantaarnpaal van mijn fiets verlos, zie ik de hoerenbootjes, net niet roerloos in De Vecht. Ik mompel de openingsregels van het tweede gedicht van de bundel: Alles stroomt. Aan de oever van de tijd glijdt wat was, / wat is en zelfs wat ooit nog komen zal aan ons voorbij.’

Dit interview verscheen eerder in het januari-februari 2013 nummer van Passionate Magazine.


Richard Dekker was lange tijd redactielid van Passionate Magazine en hij zich gespecialiseerd in het bedenken van onderwerpen voor artikelen en andere originele opdrachten die de redactie uitzet, vaak ook in combinatie met een andere kunstdiscipline dan de letteren. Hij is woonachtig in Utrecht waar hij contacten onderhoudt de Utrechtse schrijvers en organisaties. Lees meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s