Ik deed altijd maar alsof

1.

Billy had de dode buurvrouw nauwelijks gekend. Ze was bejaard en dik. Ze droeg wijde, vormloze jurken met bloemetjespatronen. Haar benen waren bruinachtig grijs en hadden aders die Billy aan barsten in ijs deden denken. Hij wist niet hoe ze heette of wat ze overdag deed en of ze ooit getrouwd was geweest. Terwijl hij toekeek hoe ze achterin een zwarte bus met verduisterde ramen werd geschoven, stelde hij zich voor dat ze een gepensioneerde spion was geweest, die zich jarenlang verborgen had gehouden, tot een oude vijand haar op het spoor was gekomen. Maar toen de zwarte bus met hoge vaart weer wegreed, dacht hij dat hij de buurvrouw waarschijnlijk snel zou vergeten. Hij hoopte dat iemand ooit genoeg om hem zou geven om uit het raam te kijken wanneer hij in een lijkzak naar buiten werd gedragen.
Hij kende geen van zijn buren, en zij kenden hem ook niet. De mensen die hij soms op de gang tegenkwam, hadden altijd haast. Hij dacht niet dat er andere zevenjarige jongens in het gebouw of in de buurt woonden.De enige buur met wie hij contact had gehad was de jonge vrouw die iedere dag door het trappenhuis dwaalde. Laatst was ze op Billy’s verdieping verschenen en ze had hem omhelsd alsof hij een oude vriend was. Hij was zo bang geweest dat hij zich niet verzette. Toen ze hem weer neerzette, haalde ze haar neus op. Er stonden tranen in haar ogen. Billy zei niets tegen zijn moeder over dit voorval.
Hij bracht veel tijd door in zijn slaapkamer. Nadat zijn vader was doodgeschoten in de oorlog, werd Billy op een nacht wakker en lag de man naast hem in bed. Zijn vader hield de rand van de deken met zijn bleke handen stijf vast, en hij staarde met rooddoorlopen ogen naar het plafond. Hij mompelde iets wat Billy niet kon verstaan.
Billy rende naar zijn moeder. Hij riep dat het spookte in zijn kamer en dat hij een nieuw bed wilde. Maar zijn moeder had geen geld voor een nieuw bed en raakte geïrriteerd. Ze zette de tv aan, zoals ze dat altijd deed als iets haar dwarszat, en stond op en begon halfslachtig het appartement schoon te maken. Billy viel in slaap voor de tv.
In de daaropvolgende nachten hoorde hij voetstappen in zijn kamer en voelde hij dat er iemand op het voeteneind kwam zitten, maar telkens als hij het licht aan deed, was daar niemand.‘Dit is je huis niet meer, papa,’ zei Billy hardop. ‘Je moet hier niet komen. Ik ben bang en mama is… Je had gewoon niet moeten komen. Je bent dood, dus nu moet je weggaan.’
Het werd stil in zijn kamer. Zijn vader kwam niet meer terug.

2.

Billy maakt weer lawaai. Hij klopt op de muren, opent alle deuren en doet zijn best om gehoord te worden. In het begin liet ik hem zijn gang gaan, maar nu lijkt het of hij nooit zal ophouden als ik daar zelf niet voor zorg. Ik hoor hem altijd en overal – de jongen die niet bestaat.
Mijn echtgenoot, Charlie, is inmiddels honderdtachtig dagen dood. Het duurde twee dagen voor er een officier op mijn stoep verscheen, een oude man met forse, vierkante schouders en een zeemansbaard. Even dacht ik dat hij het verkeerde adres had,  omdat Charlie bij de infanterie had gezeten, niet de marine. Ik begon hardop te lachen. De man zei niets. Hij had de kalme, afstandelijke uitdrukking van iemand die alles al een keer had meegemaakt.
Sinds die dag verloopt mijn leven sneller en tegelijkertijd ook trager. Aan sommige dagen lijkt geen eind te komen, maar dan knipper ik met mijn ogen en opeens is het weer ochtend. Ik hoor gekletter in de keuken, de koelkast die open en dicht gaat, en mijn hart wil dat ik uit bed spring, maar in mijn hoofd weet ik dat het de spookjongen is.
Billy is een kleinere replica van Charlie. Hij praat tegen me en eist aandacht. Ik weet niets terug te zeggen. Onder geen beding mag ik mezelf toestaan in hem te geloven, en in een leven dat mij voorgoed is ontnomen. Want de jongen is niet echt, maar de pijn die hij kan veroorzaken wel.
Wat Billy ook doet of zegt, ik bewaar mijn afstand. Soms laat ik de koelkast dagenlang leeg om te zien of hij bij een van de buren zal gaan spoken. Ik zeg hardop: ‘Iemand anders heeft misschien ijs voor je.’ Dan doe ik mijn mond weer dicht, want dat is juist wat hij wil: dat ik met hem communiceer.
Ik ben in honderdtachtig dagen meer dan vijftien kilo afgevallen en ik zie er ouder uit dan ik ben. Vandaag lijk ik op mijn moeder, morgen op mijn oma. Dat vind ik niet erg. De officier die voor mijn deur stond zei dat er mensen waren met wie ik daarover kon praten, mensen die hetzelfde hadden doorgemaakt als ik.
‘Ik maak niets door,’ zei ik tegen hem. ‘Mijn leven is opgehouden.’
Zijn bezorgde blik verried dat hij een ander antwoord had verwacht. Ik gaf hem een geruststellende klop en zei: ‘Alles komt in orde.’ Maar vanbinnen was ik kwaad. Waarom had ik hem getroost – had dat niet andersom gemoeten?
Er ging een maand voorbij, en toen verraste ik mezelf door luidkeels te verkondigen: ‘Charlie is dood. Ik ben een weduwe.’ Het was drie uur ’s middags, en ik wist niet of ik net had geslapen of dat ik dat nog van plan was. Weduwe. Dat woord gaf me troost, omdat miljoenen anderen ook weduwe waren.
Het was me niet duidelijk waarom Charlie het leger was ingegaan. In de maanden voor zijn vertrek hadden we bijna elke avond ruzie. Hij kwam thuis van zijn werk en hij was de drempel nog niet over of het begon al – geld, de toekomst. Ik was altijd degene die het uitlokte. Niet dat ik ruzie wilde. Ik wilde alleen weten waarom hij zich had opgegeven voor het leger, en als er iets was wat Charlie tegenstond, dan was het wel om ondervraagd te worden.
Maar ik had het recht om hem dat te vragen. Hij had zich namelijk eerder al eens op willen geven, toen we allebei zeventien waren en hij vastberaden was geweest deze stad te ontvluchten. Hij had hier geen familie: zijn vader was overleden nog voor hij geboren was, en vervolgens had zijn moeder hem ter adoptie afgestaan. Ik was toen de enige reden geweest waarom hij alsnog thuis was gebleven en zijn school had afgemaakt.
Zeven jaar waren we samen. Toen ging hij weg, en een jaar later was hij dood.
We wilden samen een baby maken. Een nieuwsgierig, makkelijk kind. Ik wilde dat althans. Of het een jongen of een meisje was maakte me eigenlijk niet uit, maar toen Charlie over de oorlog begon, dacht ik dat het zijn mannelijk instinct was dat de kop op had gestoken, en dat tot bedaren kon worden gebracht door een zoon. Bij iedere gelegenheid zei ik dat ik een kind wilde. Ik bestelde babykleren en andere spullen die we nodig zouden hebben. Maar toen ging Charlie weg. Hij liet me achter met mijn dromen en catalogi, en een studeerkamer die voor de helft tot babykamer was omgetoverd. Soms zie ik Billy in die kamer zitten. Hij kijkt verlangend naar me op wanneer ik de deur opendoe, alsof hij hoopt dat ik met hem kom spelen. Elke keer sla ik de deur dicht.
Ik heb hier niet om gevraagd.
Gisteren hoorde ik gerommel buiten de voordeur. Toen ik ging kijken, kreeg ik een visioen van hoe mijn leven had moeten zijn. Ik zag een jongere versie van mezelf die mijn zoon in haar armen hield. Ik stond als aan de grond genageld, want op dat moment leek het of niet zij de spoken waren, maar ik. Mijn werkelijkheid was zo dun en eenzaam geworden als mijn lichaam.

3.

Het laatste wat mijn vader zei voor hij dood voorover viel in zijn tuinstoel, waar hij doordeweeks ‘s avonds en hele dagen op zaterdag en zondag zat, zelfs ’s winters, wanneer hij eerst de sneeuw van de stoel en de leuningen moest kloppen en daarna, elke paar minuten, van zichzelf, was: ‘Veel succes.’ Hij had een glas gesmolten ijsblokjes in zijn hand – de laatste resten van een Shirley Temple. Er zat geen alcohol in, maar mijn vader dacht daar anders over, want terwijl de middag zich voortsleepte werd hij almaar vrolijker en luider.
Mijn moeder was zelf ook niet vies van drama. Wanneer zij eten kookte of het huis schoonmaakte, neuriede ze gitaarsolo’s. Nooit hele nummers – alleen de solo’s. Led Zeppelin, Neil Young en veel Pink Floyd. Ik kon maar moeilijk geloven dat er een duister kantje zat aan mijn moeder, die steevast gekleed ging in een beige broek en colbert, zelfs als er bezoek was, wat er nooit was. Misschien had ze ooit zelf gitarist willen worden, of had ze verkering gehad met een rockster waar ze jaren later nog stiekem over droomde. Maar het beeld dat ik had van haar als tiener – in een bontjas, met wild haar en rouge – paste slecht bij de vrouw die ze was geworden.
‘Veel succes.’ Lang na de middelbare school en de universiteit spookten die woorden nog door mijn hoofd. Tegen die tijd was ik een kersverse bruid. Mijn echtgenoot – Chet – hield niet van dat woord: kersvers. Het deed hem aan fruit denken, en fruit bederft.
‘Behalve als je het opeet,’ zei ik. Maar wat ik als een seksuele toespeling had bedoeld, zag hij als kritiek op het liefdeloze huwelijk van mijn ouders.
‘Jonge mensen zijn tegenwoordig bang om te trouwen,’ hoorde ik een talkshowtherapeut eens zeggen. ‘Ze zien hoe ongelukkig hun ouders zijn en denken dat het niet anders kan. Maar toen de gebroeders Wright de eerste vliegtuigen bouwden, stortten de meeste neer tot er eentje bleef vliegen. Zo gaat het ook met relaties.’
We vallen steeds weer te pletter, tot we dat op een keer niet doen. Chet had mijn vliegtuig moeten zijn dat niet neerstortte, maar toen we elkaar het jawoord gaven en onze handtekeningen op de huwelijksakte zetten, hoorde ik niet de woorden ‘U mag nu de bruid kussen’, maar mijn vader, die zei: ‘Veel succes.’
Twee jaar later wachtte ik nog steeds op het uitkomen van de vrees die ik die dag voelde. Chet en ik hielden van elkaar, maar misschien niet zoveel als de koppels op de ansichtkaarten bij het postkantoor. We hadden onze gezamenlijke belangen, maar verder gingen we ieder onze eigen gang. Onze paden kruisten elkaar alleen voor het ontbijt, het avondeten en het slapengaan. We hadden geen lange gesprekken, omdat geen van ons dat wilde. Wanneer we met elkaar praatten, ging het meestal over Chets baan. Hij werkte voor hazard control, en hij vertelde me soms over de gruwelen die hij dagelijks tegenkwam, zoals de roltrappen van de metro in de binnenstad, die voortdurend vast kwamen te zitten, omdat de daklozen ze als toilet gebruikten.
Hazard control
paste bij Chet. Hij deed altijd zijn best het leven binnen de perken te houden en geen onverwachte dingen te doen. Zelfs ons huwelijk was daar een teken van, omdat hij zich als getrouwde man niet langer druk hoefde te maken over een meisje aan de haak slaan. Elke twee weken hadden we veilige seks. We droegen dan wel geen beige outfits en dronken geen Shirley Temples, maar toch was ik nerveus. Ik dacht er weleens over die talkshowtherapeut te bellen om te vragen: ‘Ik ben getrouwd en ik ben nog stééds bang – wat nu?’, maar ik had genoeg tv gekeken om te weten dat je daar geen antwoorden kreeg die van enige toepassing waren op het echte leven.
Ik werkte niet. Zo wilde Chet dat, zelfs al hadden we geen kinderen en woonden we in een appartement met één slaapkamer, waar niet genoeg rommel was om hele dagen mee zoet te zijn. Maar Chet werd snel jaloers, en hij wilde niet dat ik met veel mannen in contact kwam. Ik had hem hier nooit openlijk mee geconfronteerd, maar ooit zei ik voor de grap dat ik ook voor hazard control had moeten werken, want dan zou ik een pak dragen waarin niemand kon zien of ik een man of vrouw was. Daar kon hij niet om lachen.
Elke maand als ik ongesteld was, vroeg ik me af of een baby me zou kunnen verlossen van mijn nervositeit. Ik besprak dit nooit met Chet. Een baby zou me bezighouden – we zouden de tv kunnen verkopen en een wieg op de vrijgekomen plek kunnen zetten – maar dan begon ik te denken aan al het neerstorten en weer omhoog vliegen dat het kind zou moeten doorstaan, en dat ontmoedigde me. Als ik rijk was geweest, alleen dan zou ik een kind op de wereld hebben zetten, zodat hij de wereld rond had kunnen reizen en overal minnaressen had kunnen hebben zonder ooit te hoeven trouwen.
Een jaar geleden kwam Chet thuis van zijn werk en hij zei heel zakelijk: ‘Het leger heeft me nodig.’
‘Welk leger?’
‘Welk leger denk je?’
‘Waarom hebben ze jou nodig? Hebben ze zelf geen hazard control?’
‘Het leger is altijd op zoek naar gedisciplineerde mannen die een uitdaging willen,’ zei hij hooghartig, een zinnetje dat de officier die hem te woord had gestaan hem ongetwijfeld had ingefluisterd.
Ik wist niets te zeggen. Ik vroeg: ‘En de baby dan?’
Een kind is geen tegengif tegen de oorlog, maar die twee begrippen raakten in mijn hoofd onlosmakelijk met elkaar verbonden.
‘Het verbaast me dat het zo lang heeft geduurd voor je daarover begon,’ zei Chet.
Op dat moment vroeg ik me af of hij zelf al deze jaren ook bang was geweest, maar voor iets heel anders dan ik: voor mijn baarmoeder.
‘Weet je nog die obsessie van je, van vorig jaar?’ vroeg hij.
Hij doelde op mijn  hobby van destijds. Ik had me zo verveeld in ons appartement, dat ik de trappen in het flatgebouw op en af had gelopen in de hoop een van de buren tegen te komen. Ik wilde weten wie mij zou redden of wie ik zou moeten redden als er ooit een aardbeving of brand zou zijn. Maar de buren hielden zich verborgen. Ik hoorde hun tv’s en ruzies en stofzuigers, maar hun deuren bleven dicht.
Op een van mijn tochten ontmoette ik een kleine jongen die er verwaarloosd uitzag. Hij was bleek en mager. Hij deed me denken aan de oorlogsslachtoffers die Chet en ik op tv hadden gezien. Ik kon zijn spookachtige verschijning niet uit mijn hoofd zetten. Elke dag verstopte ik me op zijn verdieping en zag hem naar school gaan en weer thuiskomen. Uiteindelijk verzamelde ik al mijn moed en nam hem in mijn armen. Ik begon te huilen – voor hem, maar ook voor mezelf, want ik had geen idee hoe je een kind moest vasthouden of troosten. De jongen stribbelde niet tegen. Hij keek even verrast als ik. Opeens vloog de voordeur van het appartement waar hij woonde open en zijn moeder stapte naar buiten. Ze verstarde. Toen schoof ze weer naar binnen en sloeg de deur dicht.
Ik wist niet wat mij het meest dwarszat: Chets woordkeuze – ‘obsessie’ – of wat hij daarna zei: ‘Ik denk dat wij maar middelmatige ouders zouden zijn.’ Ik verachtte het feit dat hij mijn bezorgdheid over het moederschap had opgepikt zonder dat ik daar iets over los had gelaten. Het voelde alsof hij mijn privacy geschonden had.
Dat was de eerste en de laatste keer dat ik over een baby begon. Een week later stopte ik met het slikken van de pil. Toen Chet me kort daarop vertelde dat hij zich in had geschreven voor het leger, noemde ik hem voor de vorm egoïstisch, maar ik had me er al bij neergelegd.
‘Hoor eens,’ zei hij, ‘als je nog steeds aan kinderen zit te denken, dan is dit wel een heel slecht moment om…’
Ik luisterde niet naar de rest. In gedachten zag ik twee mannen in zwart-wit, als in een oude film, die op een enorm grasveld naar me stonden te zwaaien. Ze wezen naar een ouderwets vliegtuig. Terwijl ik er op afliep dacht ik: ‘Veel succes.’
Vorige week heeft de kinderbescherming de verwaarloosde jongen weggehaald. Zijn moeder zit in een inrichting waar geen kinderen zijn.
Chet is nu zes maanden weg. Ik heb niets van hem gehoord, maar elke dag gaat de telefoon. Ik heb hem nog niet vergeven, maar wanneer ik dat wel doe, zal ik hem eerlijk zeggen dat hij straks vader gaat worden.


Deniz Kuypers (1981) is de auteur van Dagen zonder Dulci (Ambo|Anthos). Hij studeerde Engelse letterkunde aan de UvA en verhuisde in 2002 naar de Verenigde Staten, waar hij werkte als leraar, vertaler en muziekjournalist. Hij schrijft al jaren korte verhalen en bracht daarnaast twee muziekalbums uit onder de naam Birdheart.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s