Schrijven tegen het volle, vieze, alledaagse leven

In Vrij Nederland schreef Henk van Straten onlangs een lang en openhartig stuk over de frustratie van Nederlandse schrijvers, die niet of nauwelijks worden gelezen maar toch blijven doorploeteren. Van Straten, die zichzelf ook schaart onder deze categorie, voert in het stuk auteur Roel Smits op, die na de stilte rond zijn laatste roman drie maanden lang geen pen meer kon aanraken, totdat het Letterenfonds door middel van een subsidie liet weten nog wel in hem te geloven. Smits zegt in het stuk: ‘Natuurlijk zijn er momenten dat ik somber ben. Dan zit ik op m’n werkkamer te schrijven en tuur ik naar een grijze lucht en dan is het net alsof ik er gewoon helemaal niet ben.’

Voor menig schrijver liggen wanhoop en extase altijd op de loer. Wie het ene moment zijn pen aan de spreekwoordelijke wilgen dreigt te hangen, kan het volgende moment lyrisch de verse inkt droog zien worden op het papier. Toch lijkt voor veel auteurs het huilen meestal naderbij dan het lachen. De literatuur verwordt zo tot een zelfverkozen martelwerktuig, en de verleiding is groot er dan maar helemaal mee te stoppen.

Iemand in wie de strijd eindeloos lijkt te woeden is Alex Boogers, ook door Henk van Straten aangehaald in zijn stuk. Boogers schreef zes romans en oogstte talloze lovende recensies. Toch weet hij maar niet het grote publiek te bereiken, en kampt hij naar eigen zeggen ook met een imagoprobleem. Zijn andere grote liefde naast het schrijven is namelijk thaiboksen, een hobby waar een beetje schrijver blijkbaar niet mee kan aankomen in literair Nederland. In een artikel in Volkskrant Magazine van 8 maart 2008 geeft Boogers aan het ‘spuugzat’ te zijn. Hij zou stoppen met schrijven en een normale baan gaan zoeken. Dat was vlak na zijn vierde roman. We weten inmiddels hoe het is afgelopen.

Herinneringen als een bungeejumpkoord

In de nieuwste roman van de jonge schrijver Robbert Welagen (1981), Het verdwijnen van Robbert, wordt bovenstaande thematiek op indirecte wijze behandeld. De hoofdpersoon, Robbert Welagen geheten, is teleurgesteld in de liefde en teleurgesteld in de literatuur. Hij is niet lang geleden gedebuteerd met de novelle Lipari (tot zover lopen de biografie van de reële en de fictieve Robbert Welagen gelijk op), maar kan de motivatie voor een volgend boek niet meer opbrengen: ‘Tegen mijn uitgeverij zou ik moeten doen alsof het me allemaal nog iets kon schelen; het opbouwen van een oeuvre, een carrière, het verzinnen van een gevatte frase om die later in een kranteninterview afgedrukt te zien.’ Robbert gooit het roer radicaal om en besluit te stoppen met schrijven. Maar dat niet alleen. Hij wil helemaal stoppen met alles, dat wil zeggen, met zijn leven zoals het tot die tijd was. Robbert wil verdwijnen en pakt dat zorgvuldig aan, want al snel blijkt: verdwijnen is zo eenvoudig nog niet.
Op een ochtend vertrekt hij, ontdaan van vrijwel al zijn bezittingen, op een koffer met wat kleding, geld en boeken na. Niemand weet van zijn vertrek. Hij reist per trein naar Rohen, een gezapig middelgroot plaatsje in Noord-Duitsland. Hij huurt een appartement en leidt een sober en rustig bestaan. Tot hij Traudl tegenkomt, die in hetzelfde appartementencomplex woont. De twee krijgen een verhouding die voornamelijk is gebaseerd op seks. Rauwe seks. Ze neuken op iedere vierkante meter van het appartement. Voor Robbert is het een manier om zijn fantasieën over Chloe heeft uit te leven.
Chloe is namelijk een van de andere aanleidingen van zijn vertrek. (Hij laat ook nog andere mogelijkheden de revue passeren: ‘Bijvoorbeeld dat ik genoeg had van mijn leven. Ik kende het te goed, had er te veel tijd in doorgebracht en wilde het lidmaatschap opzeggen. Omdat ik me altijd verdrietig voelde, nooit sliep, vijfentwintig jaar was en mijn leven – op het schrijven van Lipari na – als mislukt beschouwde.’) Chloe, met wie Robbert studeerde, samenwoonde en op vakantie ging, trouwt met een andere man. Overigens niet na het eerst met Robbert te hebben uitgemaakt; zij waren nooit een stel. Chloe zag hem slechts als haar beste vriend. Een klankbord, maar nooit de geile man.
De vraag die uit Het verdwijnen van Robbert naar voren komt is of je wel volledig kunt verdwijnen, helemaal onzichtbaar kunt worden. De herinneringen aan Chloe blijven als een bungeejumpkoord aan Robbert trekken. Toch wil hij niet terug. Als hij wordt opgespoord door een door zijn broer ingeschakelde privédetective die hem mee naar huis wil nemen, poeiert hij die af: ‘Ik wil niet meedoen aan het leven. Zegt u dat maar: Robbert doet niet mee.’

‘dat volle, vieze, alledaagse leven’
De echte Robbert Welagen hield na zijn prijswinnende en door de critici bejubelde debuutnovelle Lipari niet op met schrijven. Het verdwijnen van Robbert is zijn vijfde boek. De thematiek van de zonderlinge jongeman die zich buiten de maatschappij voelt staan en wil vluchten komt niet helemaal uit het niets. Al in Welagens debuut is de hoofdpersoon iemand die een aantal maal per jaar de bedwelmende rust van een weinig avontuurlijk vakantieoord opzoekt, om zo het leven het hoofd te kunnen bieden.
Van parttime verdwijnen tot fulltime dus. Het lijkt een logische stap, maar deze laatste roman kwam niet zonder slag of stoot tot stand. In het radioprogramma De Avonden vertelde Welagen dat hij na zijn vierde boek op zoek was naar motivatie voor het schrijven van een volgende roman. Het ontbrak hem aan iets ‘wezenlijks’. Uiteindelijk vond hij dat in een fascinatie, een verlangen dat hij al een jaar of tien had: verdwijnen, onzichtbaar worden. Hoe zou het hem vergaan zijn als hij na zijn debuut was verdwenen, zich had ontdaan van de materiële last en gewoon niet meer met het leven zou meedoen? Is dat mogelijk, en hoe gaat zoiets?
Waar Roel Smits somberte ervaart wanneer hij het gevoel heeft er niet te zijn, is dat juist Wellagens grote ambitie. Het ironische is natuurlijk dat hij wil verdwijnen, kijken hoe het is als hij acht jaar geleden gestopt zou zijn met schrijven, maar dat vervolgens doet door er een verhaal over te schrijven. Het lijkt erop dat Welagen te veel schrijver is om daadwerkelijk fysiek te kunnen verdwijnen. Het leven is voor hem dusdanig vervlochten met de literatuur dat hij in de reële wereld een dergelijke stap niet durft te maken. Als er geëxperimenteerd moet worden in het leven, dan moet dat gebeuren in de literatuur.
De paradox van dit verhaal is dan ook het verhaal zelf, namelijk dat het geschreven is. De fictieve Robbert Welagen verdwijnt en stopt met schrijven, maar tegelijkertijd is hijzelf degene die het verhaal vertelt aan de lezer. Als een bang kind dat niet ontdekt wil worden en daarom heel hard ‘ik ben er niet’ roept. Dat Welagen zijn roman in de ik-vorm heeft geschreven maakt het er niet eenvoudiger op. Een verhaal in de eerste persoon wekt op z’n minst de suggestie op van de intimiteit van een rechtstreeks contact tussen verteller en lezer. In het geval van Het verdwijnen van Robbert kun je de vraag stellen: waarom vertelt de fictieve Robbert Welagen dit verhaal aan de lezer als hij onzichtbaar wil worden? Het lijkt erop dat de wens te willen verdwijnen voorkomt uit het verlangen mee te kunnen doen met de alledaagse wereld. Als de fictieve Robbert Welagen na jaren van verdwijnen toch een telefoon koopt en Chloe belt, weet hij al snel weer waarom hij ooit is vertrokken. Ze leidt een leven, compleet met man en kind, dat Robbert verafschuwt, ‘dat volle, vieze, alledaagse leven’. Hieruit klinkt het onvermogen van Robbert ook een dergelijk leven te leiden, maar zijn spijt heeft hij verruild voor minachting. Uit alles blijkt dat Robbert helemaal niet wilde verdwijnen; hij wilde juist gezien worden.

Schreeuwen of broek laten zakken
Het frappante is dat teleurgestelde schrijvers die dreigen met of stiekem dromen van een leven zonder de letteren, in veel gevallen weer bij diezelfde letteren hun heil zoeken. Als de literatuur altijd het instrument is geweest waarmee ze het leven bestreden, dan kunnen ze niet anders dan dat middel inzetten tegen problemen die uit diezelfde literatuur voortkomen. Een mooi voorbeeld daarvan zagen we onlangs bij Renate Dorrestein, die enige tijd te kampen had met een writer’s block, maar daar vervolgens het boek De blokkade over schreef. En hoeveel films en romans gaan er niet over een schrijver die worstelt met het ambacht zelf. Zoals Medusa alleen gedood kon worden door haar in haar eigen ogen te laten kijken.
Ook de nog altijd thaiboksende Alex Boogers heeft de pen weer opgepakt om verder voort te bouwen aan zijn oeuvre. Roel Smits geeft in het stuk van Henk van Straten aan dat hij nu alleen nog maar voornemens is een zo goed mogelijk boek te schrijven en daar zo veel mogelijk plezier aan wil beleven. Hij is daarom ook compleet gestopt met Twitter en Facebook. ‘Ik voelde me daar helemaal niet goed bij. Vond het zelfs een beetje vernederend. Ik ben ook helemaal niet mediageniek.’
Wat mij betreft grijpt Smits hier iets te makkelijk naar het media-argument. Er wordt de laatste jaren regelmatig betoogd dat een beetje schrijver zich tegenwoordig ‘in de markt moet zetten’ wil hij gelezen worden. Toch blijkt maar al te vaak dat succes niet afhangt van een door de uitgeverij strak gecoördineerde campagne, maar meer van factoren die lastig kunnen worden beïnvloed. Dan kun je als uitgeverij wel bij elk boek in de brochure aangeven dat er wordt gepromoot door middel van ‘brede media-aandacht’, in de praktijk is dat meestal net zo lastig te beïnvloeden als het weer.
De media zijn een manier waarop het grote publiek kennis kan nemen van het huidige aanbod, geen draaiorgel waarin je een ponskaart voor succes kunt stoppen. Natuurlijk, Bert Wagendorp dankt zijn momentele succes aan De Wereld Draait Door, waarin het boekenpanel zijn roman Ventoux lovend besprak, maar dat gebeurde terwijl de auteur zelf nietsvermoedend op de bank zat te kijken. Ook Kluun, die de naam heeft altijd dankbaar gebruik te maken van zijn reclamewereldverleden, wordt door het grote publiek toch vooral afgerekend op de amusementswaarde van zijn verhalen. Behaalde resultaten uit het verleden bieden geen enkele garanties voor de toekomst, ook niet in de literatuur. Een probleem is wel dat het aanbod zo groot is en de podia zo beperkt, dat de aandacht al snel uitgaat naar bewezen successen of excentrieke nieuwelingen. Wie aandacht wil in een schreeuwende massa moet óf harder schreeuwen, óf zijn broek laten zakken.

Oplossen in een poel van letters
Maar wat moet je dan? De acteur die naast zijn drukke en belangrijke werk ook eens een roman schrijft en weinig succes oogst, kan schouderophalend verder gaan met het volplannen van zijn agenda. Voor de auteur voor wie schrijven bijna synoniem staat voor ademen, die zich geen leven zonder pen en papier kan voorstellen, voor hem of haar is het niet zo eenvoudig om er na de zoveelste tegenslag maar de brui aan te geven. Het schrijven zal altijd als een bungeejumpkoord aan hen blijven trekken.
Wellicht zit er voor hen niets anders op dan te doen als Robbert Welagen. Niet de Robbert in het boek, die het leven dat hij eigenlijk wil leiden ontkent door ervoor te vluchten. Hij komt erachter dat je niet kunt vluchten, dat je nooit helemaal kunt verdwijnen. Verdwijnen is meedoen aan het leven, alleen dan op een andere plaats, op een andere manier, met andere variabelen. Uiteindelijk is Robbert nog even zichtbaar als altijd, voor Chloe, tijdens de telefoongesprekken, maar misschien nog wel meer voor zichzelf. Ook Robbert komt tot die conclusie: ‘Misschien was het gewoon niet mogelijk, veranderen. Je bent levenslang veroordeeld om een mens te zijn. Om deze ene mens te zijn.’
De echte Robbert Welagen hoefde niet stiekem te vertrekken om tot een inzicht te komen. Zo moeilijk als het voor zijn fictieve naamgenoot is om volledig onzichtbaar te worden, zo moeilijk was het voor de auteur om compleet te stoppen met schrijven. Hij ging zijn motivatieprobleem te lijf in het hol van de leeuw: aan de schrijftafel, door er literatuur van te maken. Welagen kan ook niet anders; hij ís schrijver. Als hij ergens in moet verdwijnen, laat hem dan oplossen in een poel van letters, samensmelten tot een legering van vlees en inkt.
Met Het verdwijnen van Robbert toont Welagen de kracht en tegelijkertijd de troostende werking van literatuur. Het is diezelfde kracht die verhindert dat Alex Boogers, Renate Dorrestein, Roel Smits, Henk van Straten en al die andere hardwerkende auteurs wier namen wij amper zullen kennen, hun pennen neerleggen en verdwijnen uit de literatuur. Laat de liefde voor de letteren hen troosten, laat hen verdwijnen ín de literatuur, zodat Roel Smits kan zeggen: ‘Soms zit ik op m’n werkkamer te schrijven en tuur ik naar een grijze lucht en dan is het net alsof ik er gewoon helemaal niet ben. Op die momenten ben ik gelukkig.’


Robbert Welagen, Het verdwijnen van Robbert
paperback, 160 blz, €17,50
Nijgh & Van Ditmar, ISBN 978 90 388 9671 7


Coen van Beelen (1987) studeerde Nederlands in Leiden. Hij was columnist voor de Leidse Studentennieuwsbrief en publiceerde o.a. in Mare, Trouw en Nieuw Letterkundig Magazijn. Voor zijn masterscriptie over Houellebecq & Nietzsche ontving hij de Siegenbeek Scriptieprijs, en met zijn proza won hij diverse schrijfwedstrijden. Momenteel werkt hij aan een roman (maar heeft nog geen uitgever).

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s