PPHanneke van Eijken 4

Hanneke van Eijken en Baban Kirkuki: Dichten, blaffend tegen het donker, briesend in het licht

Hanneke van Eijken (1981) heeft ‘zout in haar bloed’ en een ‘enorm Europees zeemanshart’ waarmee ze zich vaak ‘als een klimop’ aan elke nieuwe stad hecht. In 2000 verruilde ze het Zeeuwse Schouwen-Duiveland voor de bruisende drukte van Utrecht waar ze als jurist tussen proefschrift, paardrijden en poëzie schippert. Van haar verscheen recent de debuutbundel Papieren veulens.

Stadgenoot Baban Kirkuki (1974) werd ‘met de geur van kruit’ geboren in Kirkuk, maar ontvluchtte in 1999 zijn vaderland Irak naar de plek, waar honden ‘beleefd’ zijn en waar hij ‘ver van het alfabet van de angst’ het liefst schrijft, wandelt en leest. Hij publiceerde onlangs Licht onbekend, zijn vierde dichtbundel.

Twee niet gewortelde dichters die tegelijkertijd in Utrecht neerstreken en afgelopen voorjaar min of meer tegelijk een bundel lieten verschijnen. Een parallelle trektocht door die twee bundels, een dubbelgesprek over angst en vluchten, vragen en verdragen.

De huiskamer van Hanneke: twee tajines uit Marokko, een bak met net geplante courgettes, Mexicaanse kussens, een poef uit Turkije en foto’s van kamelen uit Egypte. Negen Lonely Planets tussen bundels van Ingmar Heytze, Mustafa Stitou en Neeltje Maria Min en de romans van Paolo Giordano, Stephan Enter en Amos Oz. Baban legt een pak boterkoek op tafel en ik denk aan het korte gedicht,‘Delen’ uit zijn nieuwe bundel, dat als volgt eindigt:

Tas
archief van
mijn dag.

Desgevraagd demonstreert Baban zonder schroom direct de inhoud van zijn zwarte aktetas: twee handpalmgrote gekleurde opschrijfboekjes, een agenda, een puntenslijper en een etui met een zijvakje voor het slijpsel. ‘Meestal stop ik er nog een flesje water, een banaan en wat stroopwafels in.’ Hanneke volgt zonder morren. Uit haar bruinleren handtas haalt ze een agenda, lippenstift, mascara, oogschaduw, een dozijn pennen, een paar losse lenzen, elastiekjes, nagellak, handgel zonder zeep en een lampje. Het gepaste moment voor een bundelruil: ze staan soms samen op literaire festivals en ze treffen elkaar regelmatig op literaire avonden, maar ze lazen nooit gedichten van elkaar.

Poes Saartje (‘eigenlijk Sahar, ze is naast een Moskee gevonden’) vertoont zich spinnend in de huiskamer en Baban mompelt terloops ‘ik hou van poezen’. Ik glimlach. Later leest hij wellicht in ‘Papieren Veulens’:

een man die niet van katten houdt
is een slechte man
zo kun je een terrorist herkennen
terroristen houden niet van katten

Hanneke1.jpgBaban: ‘In Irak was ik een jonge dichter die bloemrijk werk schreef. Plots werd ik gevraagd om propagandapoëzie te schrijven. Ik weigerde. De angst voor kogels heeft mij weggejaagd. Zonder paspoort ging ik van dorp naar dorp en van stad naar stad. Mijn vlucht bracht behoorlijk veel eenzaamheid mee, maar ik leerde andere gebruiken en geuren kennen; andere grond, ander graan en andere gezichten.’
Hanneke: ‘Het verlangen naar nieuwe gronden herken ik. Hetzij op een onschuldige, nieuwsgierige manier. Ik ben opgegroeid op een eiland, in het dorpje Zonnemaire met slechts vierhonderd inwoners. Mijn tweelingbroer en ik brachten onze vakanties vooral op het water door. We klommen in luiers met schepnetjes door de kajuit. Vaak vingen we krabben:

ze zwemmen je hoofd in, ankeren
in de bodem van je schedel
ze varen zelden uit

Ik wilde de wereld ontdekken en ik vluchtte voor de beperking van geografische afbakening. Ik wilde naar de grote stad waar ik lopend naar de bioscoop kon. Helaas zit er altijd een spanning in ergens weggaan, en de heimwee. Die komt erbij en blijft. Je neemt altijd je wortels mee. Ik verlang vaak naar zee en sluit niet uit dat ik ooit terugkeer. Ik ben gelukkig in Utrecht, maar ik heb geregeld de behoefte om me terug te trekken uit de zee van stadse prikkels. In een doodlopend straatje, “ingesloten tussen de oude bajes en de stilte van twee begraafplaatsen” heb ik inmiddels een eilandje gecreëerd. Buurtbewoners noemen onze straat “het luie eind”: aan de ene kant zitten ze en aan de andere kant liggen ze. Mijn huis is een veilige haven, maar de muren begrenzen mijn vrijheid. Zo zie ik vrijwel niet wat er buiten gebeurt.’

In Nederland zijn de rijtjeshuizen kijkdozen. We zijn open gordijnen gewend, andermans blik in onze huiskamers, maar tegelijkertijd hechten we overdreven aan privacy. Om identiteit kun je echter geen hekken plaatsen, zei koningin Máxima jaren geleden.

Hanneke: ‘Ik ben nooit een Nederlander. Ik ben een Europeaan, altijd. Een Europeaan die aan de grens staat, die de wereld ingaat. Ik werk aan een proefschrift over Europees burgerschap. Bij Europa gaat mijn hart en mijn hoofd open. De Europese Unie is een waanzinnig jonge organisatie van landen die al eeuwen bestaan. Het zijn landen met een eigen context, een eigen geschiedenis, eigen talen en talenten. Ik ben opgegroeid met bepaalde gebruiken, gewoonten en literatuur die een duidelijke Europese weerslag heeft. Mijn generatie kenmerkt zich door de grote uitwisseling van culturen. Zo ontstaat een identiteit met een Nederlandse bodem, gevoed door de nabijheid van anderen. Die wisselwerking. Nederlanders staan nuchter in het leven, hoewel we steeds op zoek gaan naar een bepaalde veiligheid, naar garanties via voorschriften, verdragen en wetten. We kleven aan schijnzekerheden. Alles is berekend, alles wordt gemeten en gestructureerd. We weten hoe hoog onze dijken moeten zijn en eigenlijk nemen de maatregelen die we alsmaar treffen onze angst niet weg, we vergroten onze verontrusting juist. We zijn een bang volk, bang om ons open te stellen.’

er waren geruststellende dingen
koffie, pruimenjam, een tuinslang
die niet goed was opgerold

en

in elke stad wonen mensen
die van kruiswoordpuzzels houden

‘Deze feiten luchten mij op, maar ze zijn gek genoeg ook beangstigend. Ik zoek veiligheid en houvast in een grotere wereld, maar houvast blijft relatief. Ook puzzelende mensen kunnen moordenaars zijn.’

Iemand zei dat Europa niets meer is
dan een grillige vlek op een wereldkaart

‘Europa is een kast vol jurken. Met franjes, knopen en plooien. Sommige kleuren vloeken, maar het blijft een bont palet, een dynamische eenheid die burgers vrede en veiligheid biedt.’

Baban: ‘Hoe meer kleur, hoe beter. Toch voel ik me geen Europeaan en ik ben ook geen echte Nederlander. Ik ben Koerdisch. Mijn identiteit zweeft ergens tussen de wolken en het licht van de zon. Ik had minstens vierentwintig jaar contact met de grond van Kirkuk. Ik dronk elke dag twee liter water uit de rivier en ik at graan van die aarde. Mijn lichaam is gevormd door het leven op die grond. Door mijn hoofd waait een zachte, oriëntaalse wind. Als het in Irak regende, dansten we met de regen. We werden gek van blijheid. Die andere veertien jaar was er vooral veel zee. Ik at veertien jaar haring en makreel en elke dag leerde ik een nieuw woord. Er kwamen wolken voorbij, dus ging ik instinctief op zoek naar het licht van de zon.’

Baban, je schreef een hommage aan de Perzische filosoof Rumi. De meester van de dialoog, van verdraagzaamheid. De dichter die in de dertiende eeuw het Oosten en het Westen verbond. Waarom?

Baban: ‘Rumi is een grote lamp voor de wereld. Hij heeft me geleerd om negatieve gedachten los te laten. Zijn teksten lieten me zien hoe ik verlies kan aanvaarden. In mijn gedichten praat ik met hem, ik ga in gesprek met zijn stilte en rust. In Kirkuk zag ik mensen vaak vier uur naar de verte staren. Vroeger begreep ik ze, maar drie jaar terug was ik een tijdje in Irak en ik zag een oude man die naar de vallei staarde. Ik rookte onophoudelijk en ging ongemakkelijk naast hem staan. Ik vroeg hem waaraan hij dacht. Ik denk niet, zei hij. Ik kijk alleen. Ik zie de zon rood worden, ik zie kinderen met oude wielen spelen, ik zie de duiven rondjes vrijheid vliegen. Jij maakt het leven onnodig ingewikkeld, vervolgde hij. In Nederland zijn we altijd alert, de ratio staat altijd aan. Hier ben je raar als je even niets zegt. Hier hebben we altijd een vraag of een mening klaar. We moeten iets vinden, we oordelen. We steken anderen af, alsof het lucifers zijn. Rumi gaf me de stilte cadeau, hij toonde hoe ik gewoon simpel kan zijn. Hij wees me op kracht die niet komt van opsmuk of nieuwe kleding.’

Ik toon Hanneke een paar regels van Baban aan Rumi:

Als je ver kunt zijn van onrechtvaardigheid
zul je een kracht naderen die je nog niet kent.

Hanneke: ‘Ja! Ongetwijfeld. Als wetenschapper zoek ik onophoudelijk naar rechtvaardigheid. Ik wil wetten die zoveel mogelijk mensen beschermen. Bovendien zoek ik rechtvaardigheid die te realiseren is. Ik wil regels die de werkelijkheid sturen, maar ik wil niet dat ze de werkelijkheid worden. Het probleem is echter dat recht altijd tekort schiet, het is een beperkt instrument. De vraag is: hoe kun je een systeem zo maken dat mensen niet tussen wal en schip vallen?’

Haar ‘sterke rechtvaardigheidsgevoel’ had Hanneke als kleuter al. In een vriendschapsboekje schreef ze dat zeatvocaat (‘niet het drankje’) wilde worden. Tijdens haar studie rechten werkte ze zo’n zes jaar met dak- en thuislozen. ‘Thuislozen zijn thuisloos in hun hoofd, ook al geef je ze een warm huis en een zacht bed. Van hen leerde ik geloven in nomadengeluk. Ze namen me mee in een wereld met intelligente mensen die onafgebroken in dubio staan tussen vertrekken en vestigen.’

Baban: ‘Vestigen lukt mij niet. In mij drijven verschillende huizen. Tijdens mijn vlucht heb ik ontelbare dorpen en steden bezocht: ik ben overal en nergens thuis. Mijn thuisbegrip is weidser dan vier stenen muren. Ik heb een plek van vroeger en een nest van nu, mijn flat. Ik kijk elke dag uren door een muurgroot raam naar de vogels; ze voeren theaterstukken op. het huis blijft nooit hier, het vertrekt elke dag of nacht opnieuw.’

Hanneke: ‘In mijn bundel speel ik voortdurend met verschillen: tussen buiten en binnen, tussen veiligheid en onveiligheid en met de spanning tussen licht en donker. Als de vogels fluiten kun je ogenschijnlijk gerust zijn. Het wordt licht. Net als planten hebben mensen een natuurlijke drang om licht op te zoeken. Maar dat licht is ook beangstigend. Overdag kan het bijzonder donker zijn: op straat lopen mensen die dreigend naar je kijken, er zijn schimmen die sluw lachen, ramen die openstaan en mensen die zich ongemerkt in hun huizen verbergen. In mij bestaat iemand die heimelijk naar het donker verlangt.’

De dag als nachtmerrie. Angst die sluimert, angst die altijd en overal op de loer ligt. Nogal Kafkaësk, niet?

‘Tja. Ik vrees van wel. Ik schreef ik zelfs een antwoord op het stuk ’s Nachts van Franz Kafka. Hij eindigt met de woorden “Warum wachst du? Einer muß wachen, heißt es. Einer muß da sein.” En mijn gedicht begint met de titel “Iemand moet er zijn”. Ik schreef de regels aan
Hanneke2een collega, de overleden jurist in Praag. Hij keek recht in het systeem, weigerde de realiteit en dook in het absurde. Hij vocht, net als ik nu soms, tegen het ongrijpbare van de wet. Ook ik probeer de rechtspraak te begrijpen, te doorgronden. We zijn zo nietig, zo ongelooflijk klein. De mens is een papieren veulen dat nog moet groeien. Het wankelt briesend in het licht en het is naarstig op zoek naar stro, naar bescherming.’


Rumi schreef in
Daglicht: ‘Beheers je, stijg op en berijd het gelijkmatig stappend strijdros van kennis. Laat de last vallen.

Hanneke: ‘Angst komt altijd in golven. Mensen onderdrukken naar gevoel met doosjes pillen of denkspelletjes. Terwijl je eigenlijk moet blijven staan. Je moet de golf laten komen en blijven kijken. De enige manier om angst kwijt te raken is confrontatie. En kennis, die minimaliseert onze angst, zodat het gevoel uiteindelijk afzwakt.’

‘Je kunt nog zo bang zijn en uit voorzorg de gordijnen sluiten, hekjes plaatsen, rubberen tegels in de speeltuin neerleggen, een goede handleiding op de magnetron plakken, wetten maken, muren bouwen of grenzen trekken. Maar de kans is groter dat je ooit onverwachts in een simpele pinda stikt. Die zelfspot zit in deze bundel. De angst waaraan je uiteindelijk sterft is het touw om je nek.’

Baban: ‘Vroeger blafte ik tegen het donker. Ik dacht dat ik tientallen eilanden moest bouwen, dat ik me ergens moest vestigen zodat rust zou volgen en mijn pijn verlicht werd. Met vallen en opstaan heb ik geleerd dat je versplintert wanneer je veel grond moet bevloeien. Je ik verwordt tot vele ikken. Zo word je moe. Alleen wanneer je pijn voelt, keer je terug naar die ene ik. Je laat de rest vallen en je schenkt enkel aandacht aan jezelf. Alleen in pijn ontdek je die ik.‘

Hanneke: ‘Op reis laat ik zekerheden varen en dingen die troost bieden. Ik kijk scherper naar mijn eigen rol. Ik ontdoe mezelf van de regels en de structuren waarin ik vastzit. Veel mensen doen dingen omdat ze denken dat ze nu eenmaal “zo horen”. Elders kan dat doorgaans niet. In China maakte ik een bergtocht en mijn gids sprak geen Engels. Met gebarentaal kwam ik niet ver. Toch deelden we samen een kom noedels. Op reis ontdek ik mijn pure zelf: dat wat onderweg niet verandert, ben ik. ‘

In Papieren veulens vind ik:

we kennen vele maten, maar niemand weet
in hoeveel schaduwkamers we zullen wonen
hoe stil of ver
een einde is

en in Licht onbekend staat:

Ik hoop dat mijn wereld
mistig zal blijven.

Bovenstaande regels lijken in lijn met de zinnen van de Uruguaanse schrijver Eduardo Galeano. ‘…Ik zet tien stappen en de horizon wijkt tien stappen. Hoe ver ik ook loop, ik zal haar nooit bereiken. Waartoe dient de utopie? Daartoe dient zij: om te lopen.’

Hanneke: ‘Het gaat om de reis, niet om het doel. Vorig jaar maakte ik de pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Bij aankomst moest ik huilen: ineens besefte ik het belang van die twintig kilometer iedere dag.’ Baban knikt: ‘Mijn interesse betreft het proces, niet het eindstation.’

In je bundel benader je het licht op verschillende manieren:

Baban: ‘Ik worstel in mijn gedichten non-stop met licht en donker. In het begin is het donker, in de moederbuik.

Ik zag soms het licht, als mijn moeder

haar mond opende in de zon.

Ik leg het licht onder een loep: ik ga op zoek naar het licht dat ik ken en speur naar licht dat ik nog niet ken. Ik ontwaar conflicten, leg
Hanneke3contrasten bloot. In mijn bundel ontmoeten, botsen en omhelzen ze elkaar. Licht is soms positief, een inzicht, innerlijk licht. Maar de wolken houden broodnodig licht tegen. Of iemand werpt een schaduw op je dag door simpelweg iets naars te zeggen. Ook het licht van bommen kan fataal zijn. De vraag is steeds “waar het licht is, is het daar wel daadwerkelijk licht”?’

Hanneke: ‘Soms is het in het donker wel donker, maar valt de duisternis beter te behappen
dan het ochtendlicht. En konijntjes blijven op de snelweg dikwijls naar het licht van naderende koplampen kijken. Het licht wordt letterlijk hun dood.’

Baban: ‘Licht en donker blijven onderling strijden. Als tegenwicht stel ik filosofische vragen. In hoeverre hebben we het donker nodig om het gevecht met onszelf en de wereld aan te gaan? Hoeveel licht kunnen we verdragen?’

Hanneke: ‘Wat helpt is in de spiegel kijken, jezelf ondervragen. Hoe verhoud ik me tot het universum en hoeveel blijft er van ons over? Hoe verhoud ik me tot ons huis, de stad, onze straat, mijn geliefde, onze buren en vrienden, en tot mezelf? Ik ben steeds het stralende middelpunt van mijn eigen universum, maar ik vind het een geruststellende gedachte dat de rest er nog is, als ik er straks niet meer ben. Maar schrijven helpt ook, eindeloos, tegen de klippen op.’

Papieren veulens van Hanneke van Eijken is verschenen bij Uitgeverij Prometheus. Licht onbekend van Baban Kirkuki is verschenen bij Uitgeverij P.


Nadine Ancher werkt als redacteur, journalist, vertaler en fotograaf. Ze publiceerde interviews en reportages in onder meer De MorgenADVrij NederlandNieuwe RevuOpzijMargriet en Marie ClaireLees meer artikelen van haar hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s