Een verrassing

‘Die armspieren gaan nog wel,’ zei de huisdokter, ‘die heeft hij altijd wel gebruikt.’ Ik stond voor hem in mijn onderbroek en had net zo hard mogelijk tegen zijn elleboog moeten duwen, eerst met mijn ene en toen met mijn andere hand. ‘Maar van die beentjes is niet veel meer over.’
‘We lopen af en toe samen een stukje,’ zei mijn moeder. ‘Het gaat steeds beter.’
De dokter bladerde in zijn papieren.
Mijn moeder keek naar hem zoals ze had gekeken naar de dominee die kwam bidden omdat de Here Jezus me weer beter had gemaakt. En naar mijn oom die een eigen chauffeur had en geld voor nieuwe kleren had gegeven. Ze stond te huilen toen hij weer weg ging. ‘Genoeg kleren voor twee jaar,’ had ze gezegd. Mijn oom was vijf minuten geweest omdat hij weinig tijd had. Mijn moeder keek met grote ogen, haar lippen stijf op elkaar, peuterend aan de rafels van een zakdoekje.
‘Heeft hij daar bijna twee jaar gelegen?’ vroeg de dokter. ‘Of staat hier een jaartal verkeerd?’
Mijn moeder knikte. ‘Drie maanden in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht en daarna in het sanatorium aan de Zeeburgerdijk.’
De dokter keek naar me of hij me nu voor het eerst zag. ‘Zo, zo,’ zei hij, ‘dat is een lange tijd, jongen en helemaal genezen verklaard. Gefeliciteerd.’
De dokter stond op. ‘Veel wandelen, mevrouwtje,’ zei hij. ‘In de buitenlucht, daar waar het stinkt naar de mest.’

‘Kom eens kijken,’ riep mijn moeder, ‘ik heb een verrassing.’
Ik kwam net thuis van school. Die was bij ons om de hoek. Vanuit mijn bed had ik altijd kunnen horen wanneer het speelkwartier was. Ik wilde vertellen dat ik een acht had voor taal. Ik liep naar de keuken. Daar zat mijn moeder op haar hurken.
Naast een rieten mand met een oude deken stond een hondje met bruine krullen en een zwiepend staartje. Zijn achterpootjes trilden een beetje.
‘Hij heet Bobbie,’ zei mijn moeder. ‘Is hij niet lief?’
‘Bijt hij niet?’ vroeg ik.
‘Natuurlijk niet,’ zei mijn moeder.
‘De hond van de buren heeft wel iemand gebeten,’ zei ik.
‘Die was ziek,’ zei mijn moeder. ‘Bobbie is net zo gezond als jij, daar heb ik echt wel naar gevraagd.’
Ik boog me voorover en aaide het beestje voorzichtig over zijn kop. Bobbie likte mijn hand. Ik rook eraan.
‘Is het geen schatje?’ vroeg mijn moeder. ‘Ga maar met hem wandelen, dan worden jullie snel vriendjes. Hij moet drie keer per dag.’
Ik waste mijn handen. ‘Ik had een acht voor taal,’ zei ik.
Mijn moeder gaf me een riem. ‘Aan de overkant,’ zei ze, ‘bij het gras en langs het kanaal.’
‘Ik was de beste van de klas,’ zei ik.
‘Goed, zo jongen,’ zei mijn moeder. ‘En dus niet op de stoep waar de mensen lopen.’ Ze ging verder met het schoonmaken van de keukenkastjes.
Zodra we buiten waren, zakte Bobbie door zijn achterpootjes. ‘Kom mee,’ zei ik, ‘naar de overkant, daar mag je poepen.’ De hond zette zich schrap. Ik sleepte hem aan de riem achter me aan. Ik keek achterom. Op de stoep voor ons huis lag een bruine sliert.
Aan de overkant snuffelde Bobbie aan alles wat hij tegenkwam. ‘Doorlopen,’ zei ik, ‘we moeten wandelen.’ Ik trok aan de riem.
Ineens begon hij te blaffen en trok me omver. Ik viel met mijn knieën op de stenen. Ik hoorde geritsel tussen de bosjes bij het kanaal. Een rat gleed langzaam het water in en zwom weg met achter zich een glanzende streep.
Bobbie likte het bloed van mijn knie. Viezerik zei ik en gaf hem een tik. Ik huilde.
‘Je staat nog niet zo stevig op je benen,’ zei mijn moeder. Ze plakte een pleister op mijn knie. ‘Als jullie samen veel wandelen, went het vanzelf.’
‘Wat heb je aan je been,’ vroeg mijn broer.
‘Gevallen met Bobbie.’
‘Je hebt geen overwicht,’ zei hij. ‘Je moet laten merken dat jij de baas bent. Dat is zo met honden. Je moet ze opvoeden. Wie men lief heeft kastijdt men. Dat staat in de Bijbel.’
‘Ik heb dat beest niet lief,’ zei ik. ‘Laat jij hem anders maar uit.’
‘Oké,’ zei hij, ‘als jij mijn huiswerk maakt.’ Hij lachte.
‘Het is toch jouw hond,’ zei mijn zus toen ik het haar een keer vroeg.
‘Doe jij het nou maar,’ zei mijn moeder. ‘Je zit anders toch maar een beetje te lezen. En je krijgt er sterke benen van.’
Er zaten veel ratten aan de overkant. Als Bobbie hard trok, kreeg hij een tik. Dan jankte hij en sprong tegen me op.
’s Avonds laat ging mijn vader nog een keer. ‘Ik word gek van dat loeder,’ zei hij. ‘De volgende keer laat ik hem los.’

Ik kwam later uit school. Alleen Bobbie was thuis. Hij lag onder het dressoir. Ik rook het meteen. Achter de luie stoel van mijn vader had hij een grote hoop gedaan. Bobbie begon te janken en keek angstig omhoog. Hij liep snel langs me heen en verdween onder de kapstok. Wist hij dat hij straf had verdiend? Had een hond spijt? Ik dacht aan zondag in de kerk, toen het orgel iets speelde wat ik kende van de begrafenis van oma en ik moest huilen en ik dacht aan Hansje die was overreden door een vrachtauto met varkens en ik zei het steeds weer, in mijzelf: ‘godverdomme, godverdomme.’ Mijn moeder vroeg wat ik deed. Ik zei dat ik zat te bidden, omdat wij slechte mensen zijn. Ik wist dat de dominee dat ging zeggen. Mijn moeder nam mijn hand en trok me tegen zich aan. ‘Wees maar niet verdrietig,’ zei ze. ‘Als je berouw hebt, vergeeft de Here Jezus je zonden.’

Mijn moeder was woedend. ‘Ik heb al genoeg te doen,’ riep ze. Bobbie kreeg een tik op zijn neus. ‘Dat is een gevoelige plek,’ zei mijn moeder.
Mijn vader kwam thuis en reed zijn fiets in de gang. Het voorwiel kwam over de staart van Bobbie. Het beest gromde en beet.
Mijn vader vloekte en tierde. ‘Dat kreng is vals,’ zei hij. ‘Hij zal wel gebeten zijn door zo’n rat.’
‘Dan mag je je wel in laten enten,’ zei mijn moeder, terwijl ze met jodium en verband in de weer was. ‘De ziekte van Weil is levensgevaarlijk.’
‘Dat zien we nog wel,’ zei mijn vader, ‘maar die hond gaat er uit.’

Mijn moeder bracht Bobbie de volgende dag weg, in een mandje achterop de fiets. Ik wilde maar steeds dat ik blij zou zijn.
‘Wat gebeurt er met hem?’ vroeg ik ’s avonds aan tafel.
‘Van zijn darmen maken ze leverworst en de rest voeren ze aan de ratten,’ zei mijn vader.
Mijn broer en zus lagen slap van het lachen.
Ik rende naar de wc en kotste al mijn eten er uit.
‘Zie je nou wat je doet,’ riep mijn moeder. ‘Je bent hier niet bij die fabrieksmeiden.’
Ik ging naar de keuken om mijn gezicht schoon te maken.
‘Dan heb je toch weer wat te kankeren,’ riep mijn vader, ‘en laat mijn collega’s erbuiten, die liggen tenminste niet zo te zeiken.’
Ik deed de vuilnisbak open en zocht naar het bakje van Bobbie. Hij lag op de kapotte broek van mijn vader. Ik sloeg met het bakje op de stenen aanrecht. Mijn moeder deed dat met een pan als ze kwaad was op mijn vader. Een keer had ze er mee gegooid. Alles zat onder de rode bieten.
‘Ophouden,’ schreeuwde ik. ‘Hou onmiddellijk op.’
Toen ik weer in de kamer kwam was iedereen stil.
Mijn vader streek me over mijn haar. ‘Gaat het weer, jongen,’ zei hij.
‘Ik had een negen voor mijn dictee,’ zei ik.

John Toxopeus (Utrecht, 1946) is gepensioneerd en was daarvoor vakbondsbestuurder. Hij studeerde psychologie. Hij publiceerde in Nederlandse en Vlaamse literaire tijdschriften waaronder De Brakke Hond, Deus ex Machina, Extaze, De Tweede Ronde/KortVerhaal, Passionate Magazine en Tirade. In februari 2013 debuteerde hij met zijn verhalenbundel Desnoods met harde hand. Hij blogt op www.mijn2deleven.nl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s