Natte dozen

EEN

Luister.
Ik ben van pure ellende gestopt met de firma.
Het was altijd hetzelfde. Dat laat zich in dienst nemen, en een paar maanden later staat dat met blozende wangen in uw kantoor om te zeggen dat ze vol zitten. Eén heeft het ooit bestaan haar predictor te laten zien, nog nat van de ochtendurine, of het moest haar zweet geweest zijn, want het was een dikke, en ik kan mij bovendien voorstellen dat al dat geprofiteer, hoe schaamteloos ze het ook uitdokteren en inplannen, toch nog ergens een effect heeft op het geweten. Zeker op het moment dat ze het met hun paarse smoel moeten opbiechten aan de baas, die geen andere keus heeft dan maar te knikken en hun nog proficiat te wensen ook. Niet voor die kleine, wel voor het feit dat ze zo kunstig en bovendien op wettelijke basis in zijn zakken zitten, dat hij weer zijn hele organisatie kan gaan herplannen dankzij die erwt die in hun vadsige schoot aan een groeiproces is begonnen, voor zijn lorrige moeder uit knikkerend en later hink-stap-springend van zwangerschapsverlof via postnatale herstelperiode naar ouderschapsvakantie. Om nog maar te zwijgen van de dagen dat ze op het laatste nippertje afbellen omdat het mormel eveneens op de valreep weer eens het kot heeft ondergekotst, of dat zijn stront een beetje geel zag en ze naar de dokter moeten om te zien of het geen geelzucht heeft, en daarvoor weer een halve dag pakken, volledig betaald, uiteraard op een moment dat het juist goed druk is.
Nadat de eerste van die feestpakketten van de overheid opgesoupeerd zijn, staan ze twintig kilo zwaarder weer in uw kantoor om een drie vijfde te komen vragen. Omdat ze het allemaal niet kunnen bolwerken. ‘Hoezo?’ vraagt men dan, aangezien ze twee dagen in de week een poetsvrouw hebben, hun vader de tuin komt doen en hun vent driekwart van de rest van het huishouden doet, want dat staat zo in hun vakbladen, maar dat mag men allemaal niet zeggen, want dan lopen ze naar de vakbond om een klacht neer te leggen wegens ongepermitteerde beledigingen of ander ongewenst gedrag waar controleraden voor bestaan.
Maar nee, ze kunnen het niet bolwerken, want ze hebben te weinig qualitytime met hun Shana of hun Bradley, ze zien dat kind niet opgroeien, alsof daar iets aan te zien is. Op dat moment kan men er vergif op innemen dat binnen de drie, vier maanden hun vent vertrokken is, uitgekeken op zijn dikke thuiszittende kloek en moegetergd door haar hormonale humeur, en het beu dat hij elke avond in bed die bleke norse spekrug naar zich toe krijgt, als hij na een jaar van onthouding nog eens wil neuken, en hij is dan maar met zijn trieste collega op het werk aan de slag gegaan, ook een kutwijf, maar tenminste een dat hem niet de hele dag op de nek zit.
Nog eens vlak daarna melden ze zich ziek wegens aanhoudende neerslachtigheid, en ge moogt godverdomme van véél geluk spreken als er niet nog even later een aangetekende brief van een advocatenkantoor op uw bureau ligt om te zeggen dat ze u aanklagen wegens onverantwoorde werkdruk, waardoor hun leven naar de knoppen is gegaan, en als men dan opwerpt dat ze van de voorbije driehonderd dagen er vierenzestig volledig hebben gewerkt, wat toch nogal meevalt, zetten ze nog een tandje bij en vinden ze wel ergens een ethische commissie die u gaat berechten wegens minachting van de werknemer.
Nee, ik krijg het schijt van wijven.

TWEE

Nu is het weer rijst, deze middag. Ik vind dat niet slecht, maar geen drie keer per week.
Heb ik dat al verteld, Dré, van die keer? Ik dacht: ik help die kerels.
Ik zei: ‘Wat zoekt u, beste vrienden uit het Oosten? Bent u de weg kwijt? Vindt u het museum of de souvenirshop van uw wensen niet? Is uw gids er met de rest van de groep vandoor?’
Mijn kennis van de Engelse taal is vrijwel voortreffelijk, dus daar kan het niet aan gelegen hebben dat deze vier mij aankeken als was ik een kikker op een fiets.
Ik zei: ‘U bent klaarblijkelijk verdwaald, anders zou u hier niet zo op uw stratenplan staan te koekeloeren, wijzend naar links en u omdraaiend naar rechts, speurend naar straatnaambordjes en dan luid in uw kindertaaltje kakelend dat u de plek hebt gevonden, waarna er schijnbaar ruzie is ontstaan. Ik vraag het u nog een keer klaar en duidelijk: wat zoekt u? Waar wilt u graag naartoe? Wat zijn uw verwachtingen?’
‘Yes!’ sprak heftig knikkend de lelijkste van de vier, ofschoon de anderen ook niet bepaald beantwoordden aan onze normen op het gebied van uiterlijk, maar dat doen weinigen van deze rijstfiguren. Vooreerst zijn zij, zoals negers, niet of zeer moeilijk uit elkaar te houden, en hebben zij allemaal iets sinisters in de blik, nu ja, als men die al door de spleetjes ziet; het lijkt steeds alsof zij iets in hun schild voeren, waarbij zij hun dunne lippen op elkaar geperst houden, zodat men niet kan zien of zij al dan niet glimlachen, en hoe (welgemeend of vals).
Na dit ‘Yes!’ was de gespreksstof blijkbaar op, want hij sprak niet meer, en met z’n vieren stonden zij nu naar mij te loeren als verwachtten zij van mij een sluitend antwoord op de vraag ‘Huh?’
Ik zei: ‘Luister, vrienden van de rode bol, aanbidders van de kimono en beoefenaars van de edele samoeraikunsten, bestormers van Hawaïaanse havens en liefhebbers van de verklede prostitutie, ik weet niet wat het plan is, maar u hangt meer dan mijn kloten uit. Ik zal het nog één keer vragen: toon mij op uw kaart waar u zijn moet, en ik zal u de weg wijzen. Geef hier!’ riep ik, en ik nam het voorwerp over van de lelijkste, waarna ik met mijn andere hand, en een vragende blik, aangaf dat iemand mij de plek moest aanwijzen die zij zochten.
De oudste van de vier brabbelde opgefokt iets in het Japans, waar ik niets uit kon opmaken.
‘Juist’, zei ik heftig knikkend, want ik was het beu. ‘Kijk, dit is vlakbij. U hebt geluk. U wandelt deze straat uit, gaat naar links, de winkelboulevard over, steeds rechtdoor tot aan de rode lichten, rechts, tweede links, aan het gebouw met de stenen engelen weer rechts, oranje knipperlichten passeren, bij de hamburgertent rechtdoor en het brugje over, het park helemaal rond, langs het kanaal tot bij de ophaalbrug, oversteken, het jaagpad af, en als de kade begint, wat u ziet aan de trospalen die er staan, kunt u uw boot beginnen uit te kiezen.’
‘Boot?’ vroeg nu een van hen, die blijkbaar zijn spraakvermogen had herontdekt.
‘Inderdaad, boot’, ging ik onvermoeibaar verder. ‘Neem er bij voorkeur een met een exotische naam, bijvoorbeeld de Topolobampo of de Acapulco, die u vrijwel zeker naar de andere kant van de oceaan zal brengen, waar ook veel te zien is, misschien nog meer dan hier. En men heeft er rijst in overvloed! Hier!’ schalde ik, terwijl ik de kaart weer in zijn handen duwde. ‘Geen tijd te verliezen! In gestrekte pas! Als u hier de mensen voor de gek denkt te mogen houden, kunt u niet snel genoeg weer de grens over zijn! Goede reis, en vergeet dat u hier bent geweest, en als u het niet kunt vergeten: vertel het thuis vooral niet verder, want wij zijn nogal op onze privacy gesteld. De groeten in Cuba, Mexico of de Maagdeneilanden, of waar de gunstigste wind u ook naartoe mag blazen. Vaarwel.’
Japanners, man.

Natte dozen verschijnt 28 augustus bij De Bezige Bij Antwerpen. Vanaf 22 augustus in de Nederlandse boekhandels verkrijgbaar.
paperback | ISBN 978 90 8542 508 3 | verkoopprijs ca. € 19,95 | 336 pag. | ook als e-book verkrijgbaar

Marnix Peeters (1965) was muzieksamensteller bij Studio Brussel en werkte als rockjourna¬list bijHumo. Ook was hij jarenlang interviewer van Het Laatste Nieuws. Zijn debuutroman De dag dat we Andy zijn arm afzaagden (2012) werd lovend ontvangen en verscheen in een Italiaanse vertaling. Meer informatie over de auteur vindt u op: www.marnixpeeters.be.

Auteursfoto: Koen Broos

Een gedachte over “Natte dozen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s