Snoepreis

De vader van de tienjarige Boris is een klootzak, een flessentrekker, een halve moordenaar en een gehaaide manipulator die eropuit is zijn moeder het gekkenhuis in te krijgen. Volgens zijn moeder dan. Om dit te voorkomen neemt zij haar zoon mee naar Spanje. Maar wat begint als een spannend avontuur, blijkt al snel een onbezonnen vlucht, zonder doel en zonder geld. Boris zoekt houvast in wilde fantasieën en dagdromen, en ontwikkelt een hallucinante verslaving aan snoep en chocola.

8

‘En de vader?’
De vraag wordt ons altijd gesteld. Door receptionisten, serveersters, kelners, sleutelbewaarsters, hospita’s en huismeesters. Ik schud hun vreemde handen, groot, klein, schoon, vies, gerimpeld, vlekkerig, met of zonder gele vingers van het roken. Ze aaien me over mijn hoofd, geven een klopje op mijn rug, knijpen in mijn wangen, bieden snoep of koek aan. Het zijn dezelfde woorden die ik hoor, weer dat ene verhaal over het ontsnappen aan gevaar, het vluchten voor die schoft uit Nederland.
Beverige vingers van oma’s strijken door mijn haar, strelen mijn wangen, alsof ze hun handen aan me willen afvegen. Moeders met een snor, een klompvoet en niets dan pijn in hun ogen, in het zwart gekleed als heksen, zonder een bezem waarop ik weg kan vliegen. Eerst rende ik meteen naar de dichtstbijzijnde speelautomaat of snoeprekken, om mijn oren te legen door mijn ogen te vullen. Inmiddels sta ik er gewoon bij, zonder dat mijn moeder me aan mijn hand erbij houdt, bedoel ik. Nog even, denk ik, terwijl ik geweldige plannen maak die ik straks kan uitvoeren. Ik knik ja of schud nee wanneer dat nodig is en denk aan de Phoskitos waar ik dadelijk zo ontzettend lang om ga zeuren dat ik nu al weet dat ik zal krijgen wat ik wil. Maar die gesprekken duren eeuwen en niemand spreekt mijn taal.
Twee volwassen mensen, aan elkaar vastgejammerd. Mijn moeder en meestal een andere vrouw, en ik kan maar niet begrijpen waarom ze zo lang over die toestand kunnen en willen doorzagen. De plezierlichtjes in hun ogen gaan uit. De kleur verdwijnt uit hun gezicht. Er zijn stiltes waarin ze me hoofdschuddend aanstaren. Die zijn lastig. Moet ik iets zeggen? En zo ja, wát moet ik zeggen? Dat dacht ik in het begin allemaal. Meestal eindigen die stiltes met ‘Het is me wat…’ of: ‘Wat zijn de tijden veranderd’ of een diepe zucht, waarna ze verder mopperen. En het bouwwerk aan verhalen dat mijn moeder heeft opgebouwd, stort in de volgende stad weer in. Dan begint het van voor af aan. Dankzij die vent, die flessentrekker, mijn vader: de plaaggeest die verschijnt als ze naar hem vragen. Hij komt tevoorschijn uit haar handtas, uit een van haar mouwen of vanonder haar jurk, en buigt zich over haar heen, kromt zijn hals om haar schouder en barst bij haar oor in pesterig gelach uit.
Gevolgd door de volgende stilte.
De Blikken op mij gericht.
We stonden in de hal van een pension. Mijn moeder sprak met een vrouw, de eigenares, en intussen kneep ze in mijn hand alsof het een knijpkat was. Ik wist wat ze van me verwachtte. Ik kon er niet meer onderuit. Ik opende mijn mond, voor het eerst om het uit te spugen, een braakbal van al die verhalen die ik aan had moeten horen.
‘Un hijo de puta!’
Mijn moeder knikte tevreden. De vrouw schudde het hoofd en zei: ‘Mannen… Allemaal hetzelfde.’ Die dag heb ik niks meer gegeten.
Niet eens een Phoskitos.
Ik was misselijk.
Het liefst had ik mijn huid van mijn lijf geschrobd.
En daarna het vlees van mijn botten.
Maar alles went.
Op een gegeven moment moet je eraan geloven.
Dus daarom noem ik mijn vader, wanneer mensen naar hem vragen, un hijo de puta, een hufter, een klootzak, een bruut, een waardeloze echtgenoot, een stijve kruidenier, een schraperige hark, een agressor (volgens mijn moeder iemand die slaat als hij het niet meer kan zeggen met woorden), een tyfuslul, een échte Nederlander (en dat is heel erg), een stuk vuil, een vieze wijsneus, een tapijtenzwendelaar, een valse rat of een valse kakkerlak, een maricon, een gilipoya, cabrón, sinverguenza…
En intussen verandert mijn vader.
Een grijze, langharige, bebaarde man, verwilderd en mager. Robinson Crusoë.
Maar dan zonder papegaai en zonder Vrijdag.
Zo zag ik hem laatst in een droom. Liep ik op het strand, pootjebadend in zee. Kwam hij aangelopen. Gebruind. Met een baard. Versleten kleren. Op blote voeten.
‘Hé, Boris! Wat doe jij hier?’ vroeg hij.
Het lukt me niet meer de tijd als niks te zien. Het gezwerf in Spanje duurt maanden.
Te veel streepjes op de lange liniaalkant.

9

Mijn vader haalde me met de fiets op van school. Het miezerde. Boombladeren dwarrelden op het schoolplein waar de wind ze tot hoopjes samen blies. Het was vrijdag en dat betekende dat we een zure bom en een haring zouden eten bij de visboer tegenover het Concertgebouw – de zure bom voor mij, de haring voor hem. Ik was een van de laatste kinderen die voor de ingang wachtten. Toen verscheen mijn moeder op het plein. Dat klopte niet met de plannen voor de rest van de dag. Nog voor ik haar kon begroeten, fietste mijn vader het plein op. Hij zette zijn fiets op de standaard. Hun gehakketak bleef als een uitgestoten ademnevel in de lucht hangen. Al die tijd was ik doodstil blijven staan.
‘Ik moet je iets belangrijks vragen,’ begon mijn moeder uiteindelijk.
‘Doe niet zo achterlijk,’ zei mijn vader tegen haar.
‘Ben je nu echt van plan hem tot zo’n keuze te dwingen?’
‘Zeg maar, met wie wil je vandaag mee? Met je vader of met mij?’
Ik wees mijn vader aan.
De Zure Streep.
Ze sloeg haar ogen neer.
Mijn vader stak zijn hand naar me uit: ‘Kom, Boris. Het is genoeg geweest.’
Op het plein gingen we in tegengestelde richting uit elkaar. Het was al donker geworden. Toen ik omkeek zag ik niemand.
Bij de visboer bestelde mijn vader een zure bom en een haring. Zijn wangen waren rood en aan zijn neus hing een druppel. Op zijn haar fonkelden ontelbare kleine regendruppels.
‘Eet smakelijk, jongen.’
Hij hapte het stukje haring van zijn prikkertje, greep opeens met een hand naar zijn keel en begon te hoesten. Zijn hoofd kleurde paars, zijn ogen puilden uit, de aders in zijn nek zwollen op. Hij wankelde naar de tuinstoel naast de viskraam en plofte neer. Hij zat onderuitgezakt, met gesloten ogen, tong uit zijn mond en armen hangend langs de leuning. Ik bleef staan, met de zure bom in mijn hand, net zolang tot hij zoals elke keer zijn ogen opende en uitbracht: ‘Wat is er gebeurd?
Waar ben ik?’
Een week later stormde hij op De Avond bij mijn moeder het huis binnen, natgeregend door een hoosbui. Hij zwaaide met een doorweekt papier in de lucht en bulderde: ‘Wat betekent dit? Wat ben je godverdomme van plan?’
Hij had niet door dat ik in de wc stond, met de deur op een kier zodat ik hem en mijn moeder kon bespioneren. Mijn moeder gaf geen antwoord. Ik kon de regen tegen de ramen horen kletteren. Achter mijn vader lagen voetsporen van water die hij met zijn schoenen een voor een weer zou opnemen als ik alles als een film had kunnen terugspoelen. Ik herinner me de zware ademhaling, alsof er iemand achter me stond, een indringer die in mijn oor hijgde. Maar ik bleek het zelf te zijn dus ik drukte mijn hand op mijn mond.
Het was de laatste keer dat ik hem zou zien.

Snoepreis van Victor Meijer verschijnt 19 september bij uitgeverij Meulenhoff. 240 blz, ISBN 978 90 290 8921 0.

Victor Meijer (1975) schreef eerder toneelstukken, publiceerde gedichten in Bunker Hill, illustreerde kinderboeken en bracht onder de naam Carmona een CD uit met  Nederlandstalige popmuziek.  Victor Meijer woont in Amsterdam.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s