Van dode mannen win je niet

De verteller van deze roman kent de regels van het spel. Met overdonderende charme dringt hij binnen in het leven van een vrouw. Als hij eenmaal haar vertrouwen gewonnen heeft, toont hij zijn ware aard. De verteller komt terecht bij een vrouw met een zoontje, en ze zijn vrienden, die jongen en hij. Dat zorgt bij het zoontje voor twijfel: waar ligt zijn solidariteit?
Een fragment uit de schokkende nieuwe roman van Walter van den Berg, wiens leven werd getekend door een gewelddadige stiefvader. Om de psychologie van het geweld te doorgronden kroop hij in het hoofd van de man die zijn moeder terroriseerde.

Ik huurde een boot toen, en het was een boot van niks: een oude stalen dekschuit waar Wil, de man van wie ik ’m huurde, een kajuit op had gelast. Ik moest af en toe naar die boot omdat ie water maakte. Niet veel, maar dat water moest er wel uit. De boot lag in de Nauernasche Vaart, bij Nauerna, een klein kutdorp bij Assendelft in de buurt. Er stonden vijftien of twintig huizen, en het stelde allemaal geen flikker voor, maar je moeder had het allemaal heel bijzonder gevonden toen ze er de eerste keer kwam. Alsof ik een romantische ziel was, omdat ik op zo’n plek woonde, maar het was gewoon toeval. Ik zocht woonruimte, en een man die ik wel eens tegenkwam bij het vissen kwam met die boot. En die boot was prima voor zolang het duurde, en het duurde nooit heel lang bij mij.
Op een zondag reden we naar die boot toe, jij, ik en het hondje. Wil lag zelf met zijn sleepboot naast die dekschuit. Hij hoorde ons aankomen; hij kwam naar buiten en veegde zijn handen af met een theedoek. Zo, zei hij.
Wij klommen mijn boot op, en hij stapte over. Hij zei dat ik steeds langer bij dat vrouwtje bleef. Hij knipoogde erbij. De paar keer dat ik je moeder mee had genomen, had Wil haar altijd bekeken alsof er iets te halen viel.
Ik zei dat ik waarschijnlijk bij haar in ging trekken. Dat ik m’n huur over een maand of zo op zou gaan zeggen.
Wil zei dat ie dan een andere gek moest gaan vinden om die boot te huren.
Ik zei dat er genoeg mensen waren die een woning zochten.
Wil lachte. De boot lag in de vaart en de vaart had aan elke kant een dijk en achter de dijk aan onze kant was een grote vuilstort, weet je dat nog? Er waren altijd bulldozers bezig heuvels van het vuil te maken, en jij vond dat mooi om te zien, maar vandaag lag alles stil.
Dertig meter verder was de boerderij van de Vleeschakkers. Honderd meter verder was de rest van het dorp. Soms reed er een auto over de dijk en soms vaarde er een schip met grind door de vaart.
Ik zei dat ie vast wel iemand zou vinden. Dat ie gewoon een advertentie in de krant moest zetten.
Ik pakte mijn sleutels en maakte het luik open.
O, zei Wil, als je je huur opzegt, ben ik bang dat ik wel je borg in moet houden vanwege dat kapotte raam.
Ik zei dat dat raam kapot was gesprongen door de vorst.
Hij zei dat ik er waarschijnlijk gewoon iets tegenaan had gestoten, dat dat niet erg was, maar dat ie wel mijn borg in moest houden.
Ik zei dat ie maar even moest komen kijken, dat het raam gewoon gesprongen was. Ik denk dat er te veel spanning op stond, zei ik, dat je bij het bouwen gewoon een foutje hebt gemaakt.
Nee, zei hij, ik denk dat je er iets tegenaan hebt gestoten.
Ik keek ’m een paar momenten aan. Oké, als jij dat denkt, dan moet je m’n borg maar inhouden.
Goed, zei hij. Hij vroeg of we zo nog even koffie kwamen drinken als we klaar waren met pompen.
Natuurlijk, zei ik.

Jij keek hoe ik de pomp aan het werk probeerde te krijgen. Je vroeg waarom Wil dacht dat ik zelf het raam kapot had gemaakt.
Wil wil er een beetje geld uit kloppen. Hij is bang dat er hier niemand meer wil wonen.
Je zei dat jij het hier wel leuk vond.
De motor van de pomp startte. Ik zei dat iedere jongen van twaalf het hier leuk zou vinden.
Nee hoor, zei jij. Er zijn een heleboel jongens die het hier niet leuk zouden vinden.
Ik knikte. Misschien ook niet, zei ik.
We keken samen mijn woonkamer rond. Oké, zei ik, wat zou jij meenemen als je mij was? Je moeder heeft al genoeg meubels, dus daar hoef je niet naar te kijken. De meeste van die meubels zijn toch van Wil.
Je foto’s, zei je.
Oké, zei ik, en ik pakte de foto van mijn oude bakdekkruiser van de muur. Ik stond zelf op het achterdek. De foto zat in een lijstje en in de ene hoek van het lijstje zat een ankertje, en in de andere hoek een stuurwiel. Wat nog meer?
Je kleren.
Ik heb niet zoveel kleren. Volgens mij ligt alles al bij je moeder. Ik gaf de foto aan jou en ging op m’n knieën — ik had mijn papieren in een koektrommel onder de bank. Verder nog iets?
Je haalde je schouders op. Je zei dat we misschien even rond moesten kijken.
Ik zei dat dat niet hoefde. Dat we wel klaar waren.

Wil had koffie opstaan, maar ik zei dat we meteen doorgingen.
O, zei Wil, oké.
Ik zei dat ik later nog een keer terug zou komen voor de sleutels en zo.
Hij knikte naar de koektrommel en het fotolijstje in m’n handen — je hebt je inboedel al mee, zie ik, zei hij, en hij lachte erbij.
Ja, zei ik, de meeste spullen liggen al bij Dimphy.
Oké, zei hij, goed, tot de volgende keer dan.
Tot de volgende keer, zei ik ook.

De pont lag nog aan de andere kant. Wij wachtten tot ie kwam.
Je zei dat je het leuk vond, de pont.
Ja, de pont is leuk. Ik vroeg of je nog buiten was geweest toen je moeder en ik weg waren gisteren.
Nee, zei je.
Heb je nog wel naar buiten gekeken?
Ja, toen de brandweer kwam.
En je was niet buiten geweest?
Nee.
Weet je, zei ik, als jongens iets in de fik steken, denken sommige mensen dat er van alles mis is met ze. Ik denk dat dat gelul is. Ik denk dat alle jongens wel eens iets in de fik willen steken.
Jij zei dat jongens die iets in de fik staken zonder dat er iets mis met ze was dan wel extra gestraft zouden worden. Je zei het heel nonchalant, je had er niet over nagedacht, en ik moest erom lachen.
Laat ook maar, zei ik. Ik probeer je niet op te voeden of zo. Dat is je moeders werk.
We keken een tijdje naar de pont. Ik dacht na over wat Wil me wilde flikken met dat raam. Ik startte mijn auto weer en vroeg of je iets voor me wilde doen.
Ja hoor.
Ik gaf je een tientje. Wil je daar in de snackbar iets lekkers halen en op me wachten? Ik moet nog even terug. Misschien kan je hier onze hotdogtest doen.
Je knikte. Moet ik ook iets voor jou bestellen?
Een milkshake aardbeien, zei ik.
Je stapte uit en het hondje sprong achter je aan — voor je de deur dichtsloeg zei ik dat ik binnen een half uur terug zou zijn.
Ik stak de rij uit, keerde en reed terug.

Ik zette mijn auto neer, klom de woonboot op, klom over naar Wils sleepboot. Hij kwam naar boven toen ik de deur van zijn kajuit opentrok. Ik wil die borg niet terug, zei ik.
Ik stapte weer over naar de dekschuit en ging m’n oude huis binnen. Ik liet niets heel. Ook de ramen niet.

Toen ik weer bij de pont kwam, zat je nog binnen in de snackbar. Je zat op een stoel en je keek naar buiten. Het hondje zat onder je stoel en het kwispelde toen het me zag.
Sorry dat het toch lang duurde, zei ik. Ik moest nog iets regelen met Wil.
Wat dan?
Dat met die borg. Dat zat me niet lekker. Ik had niks kapotgemaakt en toch moest ik ’m geld geven. Dat vond ik een beetje vervelend.
Maar is het nu opgelost?
Nu is het opgelost.
Je schoof mijn milkshake naar me toe. Ik denk dat ie dun is geworden, zei je. De worstjes voor de hotdog gaan hier de frituur in, zei je, en het broodje wordt niet gegrild.

We reden terug naar de stad. Ik stopte voor Café Huizinga en vroeg jou of je het goed vond als we iets gingen drinken.
Jij haalde je schouders op.
Niet dit, zei ik, niet dit gedoe, en ik deed je na, haalde m’n schouders ook op en ik bleef het doen tot je zei dat ik moest stoppen.
Ik zei toen dat ik het prima vond als je nee zou zeggen. Als je nee zegt, rijden we naar huis, zei ik, ik vroeg het je omdat ik wilde weten of je het oké vindt of niet, niet omdat ik verwachte dat je toch wel ja zegt omdat je denkt dat dat moet.
Oké, zei je.
Dus je vindt het goed als we wat gaan drinken?
Ja, zei je.
Ik zette m’n motor uit en we liepen naar het café.
Patrick zat er, de jongen die onder bij jullie woonde, met wat vrienden, jonge jongens waren dat toen, jongens die net auto mochten rijden. Voor jou waren ze groot, natuurlijk, groot en eng. Ze hadden een hond bij zich, een grote gespierde hond. Ik groette Patrick en je zag ’m een beetje groeien tegenover zijn vrienden. Ik speelde wat met de hond en het hondje in jouw armen piepte. Patrick vroeg wanneer we nou samen zouden gaan vissen; ik had dat een keer tegen ’m gezegd, dat we zouden gaan zeevissen, en daar had ie niet echt op gereageerd, maar nu wilde ie aan zijn vrienden laten zien dat hij en ik heel dik met elkaar waren. Bel maar een keer aan, zei ik.
De jongen achter de bar zette een biertje voor me neer nog voor ik ging zitten.
Doe er een chocomel bij voor die kleine, zei ik tegen hem.
Jij klom met het hondje op de kruk naast me; je was al niet klein meer, maar een barkruk, daar heb je een bepaalde handigheid voor nodig. De tv in de hoek stond op sport. Zo, zei ik. Jij lachte een beetje. Als je liever naar huis gaat, moet je het nu zeggen, hè?
Nee hoor, zei je. Ik hoef niet naar huis. Je verzekerde me dat je niet naar huis hoefde.
De jongen achter de bar zette een chocomel neer — een flesje met een rietje.
Het was een waardeloze kroeg, een lange bar die uitgewalst de ruimte volgde, zoveel mogelijk bar, een paar tafeltjes en een biljart. Asbakken, borrelglaasjes met tandenstokers en om de paar meter houdertjes met visitekaartjes. Ik pakte zo’n visitekaartje en keek ernaar.
De jongen achter de bar zei dat die kaartjes van Jan Froger waren, hij zei dat Jan Froger hier op doordeweekse dagen met goud zat, kettingen en zo, zei hij, bedeltjes. Goedkoop, zei de jongen, uit Antwerpen.
Van de vrachtwagen gevallen?
Nee, zei die jongen, uit Antwerpen. Je kan ook dingen bij ’m bestellen, en die kan je op zaterdag ophalen. Dingen die je kan ophalen, vallen niet van de vrachtwagen.
Daar heb je gelijk in, zei ik.
Ik denk dat het goedkoop is omdat Froger er geen belasting over betaalt, zei de jongen. Helemaal legaal is het niet, denk ik, maar jij werkt niet bij de belastingdienst.
Dat klopt, zei ik. Dat klopt helemaal.
Hij zette nog een biertje voor me neer. Je hebt dorst, zei hij.
En zoals dat gaat, zoals dat gaat. Sorry, Wes. Sorry, jongen.
Een uur of twee, drie later zat jij aan het tafeltje dat onder de televisie stond en de jongen achter de bar had een videoband met tekenfilms van Tom en Jerry voor je opgezet en je was aan je vierde chocomel bezig en het hondje lag op tafel voor je te slapen. Je zat achterover op je stoel en keek omhoog naar het beeld. Iemand had gezegd dat dat niet kon, die hond op tafel, maar de jongen achter de bar had gezegd dat hij de baas was en dat hij vond dat het kon. Ik zat te praten met twee jongens die een goed verhaal hadden verteld en toen had ik weer een goed verhaal verteld en toen waren zij weer met een goed verhaal gekomen en zo was het een tijdje heen en weer gegaan, net als de biertjes — ik bestelde voor hun en zij bestelden voor mij en af en toe gaven we de jongen achter de bar ook wat. Simon heette ie, de jongen achter de bar, Simon, mogen we nog een paar biertjes? Sorry.
Je kwam naar me toe en zei dat je toch wel naar huis wilde.
Maar Simon heeft voor jou die videoband opgezet, zei ik.
Maar hij heeft ’m nu al drie keer teruggedraaid en weer opnieuw opgezet, zei je.
Ik zei dat dat aardig was van Simon. Vind je dat niet aardig van Simon?
Jawel, zei je. Maar ik verveel me.
Toen ik je vroeg of je naar huis wilde, wilde je niet.
Maar dat vroeg je een hele tijd geleden, zei je. Je zei het zeurend, maar dat vroeg je een hele tijd geléden.
Niet zeuren, zei ik.
Nou, zei je.
Ik pakte je toen bij je arm. Niet zeuren. Ik liet meteen los — sorry, zei ik, hee, Wesley, sorry. Kom, we gaan naar huis. Ik legde twee geeltjes op de bar en ik stond op en ik merkte dat het alweer een tijdje terug was dat ik tien, twaalf biertjes had gedronken en een paar van die biertjes waren eigenlijk kopstootjes geweest en jij keek me aan en ik zag dat jij het zag. Sorry, Wes, zei ik. En het was beter dat ik stopte, want ik had geen zin in de slangen. Ik wist nooit precies wanneer ze kwamen, maar ik had er nu geen zin in, en het zou onhandig zijn — zover was ik nog niet bij jullie.
Ik liep langzaam naar de auto en ik stapte rustig in, duwde de deur aan de andere kant open en jij stapte ook in.
Je deed je best om goed te laten zien dat je je gordel omdeed. Ja, zei ik, doe je gordel maar om. Doe je gordel maar om. Achteraf kan ik erom lachen, weet je, Wes, maar toen kon ik je wel een tik geven. Ik wachtte een paar momenten voor ik startte, en toen de motor draaide, zei ik dat ik voorzichtig zou rijden. Ik ga heel voorzichtig rijden.
Oké, zei je.
Dus ik keek heel lang in mijn spiegel of er niks aankwam en toen ik zeker wist dat het een tijdje rustig zou blijven achter me, reed ik de parkeerhaven uit en zo reden we naar huis, jij onderuitgezakt in je stoel, je handen op je knieën en je ogen op de spiegel gericht.
Ik reed heel rustig. Ik dacht lang na over de weg die ik moest nemen. Als ik rechtstreeks over de Calandlaan zou gaan, zou ik gecontroleerd kunnen worden; ik had wel vaker fuiken gezien daar. Ik dacht erover door te rijden op de Johan Huizingalaan en dan via de Comeniusstraat, maar uiteindelijk nam ik toch de Calandlaan. Die auto die ik toen had, een Mercedes, die hield niet van langzaam rijden. Hij hortte als ik te langzaam ging en ik was voortdurend bezig met niet te langzaam te rijden, want als ie zou gaan horten zou jij bewijs hebben dat ik te dronken was om te rijden, maar wel zo langzaam dat jij zag dat ik m’n best voor je deed.
Maar weet je, Wes, op dat moment zat ik heel dicht tegen niet meer m’n best voor je willen doen. Je zat je daar zo aan te stellen in je stoel, jezelf vasthoudend — ik had zin om je een pak slaag te geven. Niet op een slechte manier, ik sloeg geen kinderen op een slechte manier, maar god, wat irriteerde je me.

Voor ik de sleutel in het slot stak, luisterde ik. Jij stond achter me, nog halverwege de laatste trap. Ik hoorde stemmen.
Mamma knipt iemand, zei je. Het was zondagavond, acht uur, negen uur, en je moeder knipte iemand.
Je moeder stond bij een klant in de keuken. Het was een man met een grote buik — zijn buik bolde onder het knipschort. Ik wenste de klant goeienavond.
Hallo, zei hij.
Dimphy knikte naar me, bewoog haar ogen toen naar de woonkamer. Ze wilde niet dat ik bleef hangen als ze een klant had.
Jij liep door naar je kamer. Je moeder riep je en zei dat je moest douchen.
Ik ging zitten in de woonkamer en luisterde. Ik hoorde haar bezig, maar ze praatte niet meer met haar klant.
Na tien of twintig minuten hoorde ik hem opstaan, schuiven met de keukenstoel. Hij bedankte haar, en zij bedankte hem — hij had haar geld gegeven, tien gulden, heren kostten tien gulden. Tot de volgende keer.
Ik bleef nog een tijdje zitten, maar Dimphy kwam niet naar de woonkamer. Ik hoorde haar de tafel openklappen, dus ik stond op en liep naar de keuken.
Dimphy zat aan de keukentafel. Die keukentafel van jullie was een klein vierkant klapdingetje dat eigenlijk in de weg stond in de kleine keuken en ingeklapt werd als er klanten werden geknipt, maar Dimphy had een regel ingesteld dat er alleen in de keuken gerookt mocht worden en alleen als er niet gekookt werd, dus daarom stond dat tafeltje er. Als jij naar bed was, zaten we daar vaak.
Ik kuste haar en ging tegenover haar zitten.
Ze vroeg of ik zo had gereden.
Ik ben niet komen lopen, zei ik.
Ik vind het geen prettig idee als je rijdt als je gedronken hebt.
Ik heb in Huizinga gezeten, zei ik. Dat is hier praktisch om de hoek.
Ik wil niet dat je rijdt met mijn kind in je auto als je gedronken hebt.
Jij stond in de deuropening. Je had je pyjama aan en je haar was nat. Je zei dat ik heel langzaam had gereden.
Jij moet je tanden poetsen, zei je moeder. Je moet naar bed.
Maar hij heeft heel langzaam gereden, zei je nog een keer, en je draaide je om en liep naar de badkamer.
Ik keek naar de lege deuropening.
Luister, zei Dimphy: ik wil niet hebben dat je rijdt met een slok op als je Wesley bij je hebt. Ze benadrukte haar woorden door met haar wijsvinger in het tafelblad te prikken. Wat je doet als je alleen bent kan me niet schelen, rij je maar te pletter tegen een boom, maar niet met mijn zoon in je auto.
Ik knikte. Dat klinkt heel hard.
Ik ben ook heel kwaad.
Zou het je niets kunnen schelen als ik mezelf te pletter zou rijden?
Op dit moment niet.
Het spijt me.
Dat zal wel.
Ik sloeg met mijn vlakke hand op tafel.
Dimphy maakte een schrikbeweging, kneep haar ogen even dicht, als een bange hond waar je je hand boven de kop houdt, een hond die klappen gewend is.
Als ik zeg dat het me spijt, is dat geen slap praatje, zei ik. Begrijp je dat?
Ze zei niets, keek me nog steeds aan als een bange hond.
Begrijp je dat?
Ja, zei ze.
Ik zou mezelf wat aandoen als die jongen wat overkwam. Ik zou het verschrikkelijk vinden. Het. Spijt. Me.
Ze keek naar het plafond, ademde hoorbaar uit, iets wat het midden hield tussen zuchten en blazen, en keek toen naar de rand van de tafel.
Als jij je tegen een boom te pletter zou rijden, zou ik dat heel, heel erg vinden, zei ze, zonder op te kijken.
Ik stak m’n hand uit en pakte de hare. Ze keek op en glimlachte. Ze had tranen in haar ogen.
Het spijt me, zei ik nog een keer. Het zal nooit, echt nooit meer gebeuren. En onthou dat ik dat nooit zomaar zeg. Dus ik wil nooit meer zo’n reactie van jou. Dat zal wel. Oké?
Oké, zei ze.

Van dode mannen win je niet verschijnt 25 september bij De Bezige Bij.

Walter van den Berg (1970) heeft gewerkt als vakkenvuller, schoonmaker, fietskoerier, graveur, conciërge, postkamersloofje en xslt-programmeur, sinds 2008 wijdt hij zich fulltime aan het schrijven. Hij debuteerde met de roman De hondenkoning (2004), die zowel in Nederland als in Vlaanderen lovend werd ontvangen. Van den Berg publiceert onder andere korte verhalen in NRC Next, Rails, De Gids, Bunker Hill, Bright en Passionate Magazine. Sinds het begin van deze eeuw geldt hij als een van de beste en meestgelezen webloggers van Nederland, zie ook www.vandenb.com.

Een gedachte over “Van dode mannen win je niet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s