De digitale revolutie weerspiegeld in de letteren

Op YouTube is een fragment te vinden uit een documentaire uit 1999 van Frans Bromet. Bromet vraagt aan willekeurige mensen op straat of ze een mobiele telefoon hebben, en waarom wel of niet. Bijna unaniem verklaren de ondervraagden het nut niet in te zien van deze moderniteit. Niemand lijkt er behoefte aan te hebben. ‘Dan ben je aan het fietsen en dan word je gebeld,’ zegt een vrouw bijna verontwaardigd, terwijl ze haar fiets met zoontje achterop in evenwicht probeert te houden – en voor het gemak even over het hoofd ziet dat ze zojuist terwijl ze aan het fietsen was werd aangesproken door een man met een videocamera in de hand, en nog antwoord gaf ook.

Voor mij is het een ontroerend filmpje, omdat het me een glimp biedt op de zorgeloze jaren negentig, het decennium waarin ik opgroeide en de wereld nog bestond uit mijn geboortedorp en de plekken waar de schoolvakanties mij brachten. Maar de beelden zijn in zekere zin ook schokkend. Ze geven aan hoezeer de wereld in korte tijd – slechts veertien jaar – digitaal afhankelijk is geworden. Op een klein, sentimenteel niveau, voor hen die zich naakt en niet tot functioneren in staat voelen zonder hun smartphone op zak, maar ook op grotere schaal, wanneer je je bedenkt wat er zou gebeuren wanneer iets vanzelfsprekends als het internet zou wegvallen. Alleen al de hele financieel-economische wereld zou binnen korte tijd in elkaar storten bij gebrek aan communicatiemogelijkheden. De term digitale revolutie lijkt gezien de radicale omwenteling dus gerechtvaardigd; er leven nog generaties die totaal analoog opgroeiden en nu compleet gedigitaliseerd zijn – hoewel vanuit het oog van de toekomstige mens misschien gesproken moet worden van een evolutie, een geleidelijk proces dat desalniettemin relatief snel kan verlopen.
Feit blijft dat de wereld grondig en definitief is veranderd, en bij die verandering horen nieuwe kansen en mogelijkheden, maar ook nieuwe gevaren en dreigingen die op de loer liggen. Identiteitsfraude, gegevens die op straat komen te liggen, internetbedrijven die alles van je weten en die informatie verhandelen, stalking, privacyschending, hacking, digitaal pesten, en ga zo maar door. Dagelijks worden we via kranten, televisie en internet geïnformeerd, maar hoezeer is deze digitale revolutie, en vooral de (mogelijke) uitwassen ervan, vertegenwoordigd in de literatuur?

The Matrix & Oedipus
Op het eerste gezicht lijkt vooral de filmindustrie de digitale realiteit te hebben omarmd. Misschien niet zo gek, aangezien de komst van de computer voor het medium een grote technologische stap voorwaarts betekende. Maar hoewel in die verandering zelf ongetwijfeld ook een aardige film zit, zijn de consequenties en eventuele gevolgen van die transitie natuurlijk interessanter.
Het ultieme voorbeeld is nog altijd de Matrix-trilogie, geregisseerd en geschreven door de Wachowski brothers en met Keanu Reeves in de hoofdrol. Het eerste deel uit de trilogie stamt inmiddels alweer uit 1999. Het is een van de eerste films die de frictie tussen de mens en de nieuwe digitale technologie behandelt, en misschien ook wel meteen de beste – net zoals Oedipus van Sophocles als eerste whodunit ooit direct niet meer viel te overtreffen; de held was immers detective, dader en slachtoffer in één.
The Matrix speelt in een toekomst waarin de mensheid slachtoffer is geworden van de kunstmatige intelligentie die zij zelf heeft uitgevonden. Machines halen hun energie uit mensen, wier lichaam zij gebruiken als levende batterij. De mensen zelf hebben niets door, zij zijn mentaal aangesloten op de Matrix, een computersimulatie van de wereld zoals die was aan het einde van de twintigste eeuw. Het beangstigende aan de film is het idee dat er eigenlijk geen verschil is tussen de ‘echte’ wereld, de wereld van de kijker, en het gesimuleerde universum, de Matrix. Ook onze wereld kan een als vrijplaats vermomde gevangenis zijn (en is dat eigenlijk ook niet zo?), bestuurd door een transcendente instantie zoals in The Matrix, waardoor de film ook nog een religieus tintje krijgt.
The Matrix geeft een extreem en somber beeld van hoe de nieuwe digitale, technologische wereld een collectieve ondergang kan betekenen. In talloze andere films wordt dat thema ook behandeld, zij het op een wat kleinere, meer alledaagse schaal, maar staat het in elk geval regelmatig garant voor spanning.
Ook in de literatuur lijkt het onderwerp zich in de eerste plaats te lenen voor het domein van de thriller. Neem de Nederlandse auteur Charles den Tex. Zijn boeken De macht van meneer Miller (2005) en Cel (2008), beide bewerkt tot miniserie, handelen over Michael Bellicher, wiens identiteit onder andere wordt gestolen doordat hem via de virtuele internetwereld Second Life informatie afhandig wordt gemaakt. Op alle mogelijke manieren wordt hij tegengewerkt door een organisatie die hem altijd en overal in de gaten blijkt te kunnen houden. Ook bij Den Tex geeft de nieuwe wereld en haar verworvenheden problemen en is technologie vooral een middel om misdaden mee te plegen of toe te dekken.

Verkeerd verbonden
Dat het ook anders kan laat de Duitse schrijver Daniel Kehlmann zien. Daar waar Bellicher tegen wil en dank een andere identiteit krijgt aangemeten, gebeurt in de verhalenroman Roem (2009) van Kehlmann het tegenovergestelde. In het verhaal ‘Stemmen’, één van de negen subtiel aan elkaar verbonden verhalen waaruit de roman bestaat, heeft ene Ebling zojuist onder sociale druk van zijn omgeving een mobiele telefoon aangeschaft. Hij is nog niet thuis of hij wordt al gebeld. Verkeerd verbonden, want de persoon aan de andere kant moet Ralf hebben. Er blijven echter mensen bellen in de veronderstelling dat ze het nummer van Ralf hebben gedraaid.
Op den duur begint Ebling het spelletje mee te spelen. Hij wordt daarbij niet tegengehouden door de gedachte aan zijn gezin: ‘Er was veel in zijn leven waar Ebling een hekel aan had. Het ergerde hem dat zijn vrouw zo aanwezig was, dat ze van die domme boeken las en dat ze vreselijk slecht kookte. Het ergerde hem dat hij geen intelligente zoon had en dat zijn dochter hem zo vreemd was. (….) Maar zijn werk beviel hem. Met tientallen collega’s zat hij onder heel felle lampen en keek kapotte computers na die door dealers in het hele land werden opgestuurd. Hij wist hoe fragiel de kleine denkende schijfjes waren, hoe gecompliceerd en raadselachtig. Niemand had ze helemaal door; niemand kon echt zeggen waarom ze vastliepen of merkwaardige dingen deden.’
Op diezelfde manier kan niemand van de klantenservice Ebling helpen wanneer hij opbelt over zijn telefoonprobleem. Toch gooit Ebling de telefoon niet weg. Hij blijkt in de gesprekken met de onbekenden weg te kunnen komen met elk willekeurig antwoord, zolang hij maar geen vragen stelt. Hij drijft een kennelijke minnares tot hysterie, en adviseert iemand om bij gebrek aan een uitweg toch maar dat hele doosje pillen te slikken. Schuldgevoel kent Ebling niet: ‘(…) aangezien het uiteindelijk Ralf was die deze chaos had aangericht, hoefde Ebling geen slecht geweten te hebben.’
In het vierde verhaal, ‘De uitweg’, blijkt dat de daadwerkelijke Ralf Tanner van de ene dag op de andere geen telefoontjes meer krijgt. Zijn werkafspraken gaan ineens niet meer door en zijn minnares is zonder duidelijke reden enorm boos op hem. Tanner trekt zich terug, corrigeert uit verveling zijn Wikipediapagina en ziet op YouTube een filmpje van een imitator die als twee druppels water op hem lijkt. Wanneer hij zelf ook meedoet aan een dubbelgangerwedstrijd oogst hij redelijk wat succes, maar wordt hij door de organisator geadviseerd nog maar wat vaker naar de films van Ralf Tanner te kijken. Desalniettemin belandt hij die avond met een vrouw in bed en beleeft de beste nacht van zijn leven, doordat hij zich iemand anders voelt. Bij de volgende dubbelgangerwedstrijd lukt het hem niet meer zichzelf na te doen. Hij is zijn houding vergeten, zijn manier van praten; hij verliest de aandacht van het publiek. Aan het einde van het verhaal wordt Tanner door niemand meer herkend. Als hij bij zijn villa arriveert wordt hij niet binnengelaten; Ralf Tanner is namelijk al binnen. Zijn plek blijkt te zijn ingenomen. Hij is eindelijk wat hij wil zijn; hij is een vrij man.
Kehlmann onderzoekt in zijn roman de invloed van moderne uitvindingen als de mobiele telefoon en het internet. Maar die wereld is, net als de computers die Ebling voor zijn werk probeert te repareren, gecompliceerd en raadselachtig, zonder dat iemand het helemaal doorheeft. De ontwikkelingen zijn nog in volle gang en dus is er nog veel onduidelijkheid over wat de gevolgen kunnen zijn. Net als film is literatuur een uiterst geschikt medium voor het experiment dat Roem is – zoals eigenlijk ieder personage proefkonijn is in het laboratorium van de schrijver. Kehlmann legt net als Den Tex en de Wachowski brothers problemen bloot die te maken hebben met identiteit, vrijheid versus gevangenschap, en de vraag wanneer iets nu eigenlijk echt is.

Venetiaans poppentheater
Authenticiteit. Het lijkt een sleutelwoord te zijn in veel hedendaagse romans, en niet minder in de secundaire literatuur, waarin boeken (en eigenlijk bijna alles wat beoordeeld kan worden) niet zelden langs de authenticiteitsmeetlat worden gelegd. Op de een of andere manier biedt de komst van technologie een nieuwe kijk op onszelf, op de mens. Wie zijn wij? Hoe echt zijn wij nog? En, een vraag die ook in The Matrix wordt gesteld: hoe echt is onze wereld?
Christiaan Weijts snijdt dat onderwerp aan in zijn tweede roman, Via Cappello 23 (2008). Een belangrijk decor in die roman is Venetië. De Italiaanse stad is geliefd bij toeristen die zich vergapen aan alle historische, authentieke panden en de osolemioënde gondeliers die weer andere toeristen vervoeren op een al even authentieke wijze. Maar wie achter deze façade kijkt ziet een holle stad, verlaten door haar oorspronkelijke bewoners en thans bevolkt door woekeraars en uitbuiters die elke dag weer hun Jan Klaassen- of Katrijn-pak aantrekken. Toch is er behoefte aan ‘echtheid’, signaleert hoofdpersoon Arthur Citroen, en daar komt de moderniteit weer om de hoek kijken. Citroen, promovendus aan de Universiteit Leiden, doet onderzoek naar schildermodellen in de renaissance. Hij constateert een steeds groter wordende behoefte aan realiteit bij de schilders, die zodoende overstapten van uit professionele modellen gecreëerde perfecte verschijningen, op echte modellen, zoals een op straat aangetroffen prostituee. Citroen verbindt die omwenteling met een hedendaags fenomeen, amateurpornografie, een steeds populair wordend genre. Mensen lijken genoeg te hebben van gestileerd studiogeneuk. Groezelige huis-tuin-en-keukenfilmpjes waarin echte amateurstelletjes de liefdesdaad vastleggen vinden steeds gretiger aftrek, omdat daar, zo beweert Citroen, ‘gevoelens en verlangens komen binnensluipen.’ Amateurpornografie voorziet in de behoefte aan herkenbare, echte emoties in een wereld die soms van nepheid aan elkaar lijkt te hangen.
Het ironische is dat amateurpornografie, en daarmee de technologie die Citroen aanvankelijk zorgeloos genot verschaft, ook zijn ondergang zal worden. De website SteenGeil krijgt een door Citroen opgenomen seksfilmpje in handen waarop de promovendus te zien is met een van zijn studentes. De zaak wordt breed uitgemeten in de media, met alle gevolgen van dien.

Lichte maaltijd
Revoluties gaan zelden gepaard zonder bloed. Je zal op 14 juli 1789 maar bewaker in de Parijse Bastille zijn geweest. Het nieuwe komt ten koste van het oude, maar dat wil niet zeggen dat het nieuwe niet kritisch tegen het licht moet worden gehouden. Het lijkt erop dat schrijvers (en ook filmmakers, of, waarom ook niet, kunstenaars) dikwijls die onderzoekende taak op zich nemen. Het is bijna een vanzelfsprekendheid, naarmate de nieuwe technologie meer en meer deel gaat uitmaken van onze dagelijkse realiteit.
Dan is er nog steeds wel de keuze hoe ver je daar als schrijver in gaat. Arnon Grunberg verklaarde ooit in een interview naar aanleiding van zijn roman Tirza (2006), dat hij in zijn boeken opzettelijk weinig producten beschrijft die het verhaal kunnen dateren. In Tirza zwichtte hij overigens wel; een modern hip meisje kan nu eenmaal niet zonder iPod.
Toch, op de keper beschouwd, wordt het literaire landschap niet overspoeld met romans waarin de digitale revolutie een grote rol speelt. Het lijkt erop dat wie bewust voor een dergelijk thema kiest zich automatisch committeert aan een discours dat zich laat kenmerken door apocalyptisch gevaar op microniveau – zoals bij Weijts of Kehlmann, of in een roman als Magnus (2011) van Arjen Lubach, waarin een creditcardfraude de katalysator is van levensbepalende gebeurtenissen in het leven van de hoofdpersoon – maar ook op macroniveau. Dat zien we bijvoorbeeld terug in de nieuwste roman van Niels ’t Hooft, De verdwijners, die speelt in 2018, het jaar waarin Google zal voorspellen dat de wereld spoedig ten onder zal gaan aan een grondstoftekort en een bevolkingsoverschot.
Het is moeilijk te zeggen of schrijven over de digitale revolutie automatisch een keuze is voor ‘engagement’, maar toch neigt het vaak al snel die kant op. We zitten nog zo middenin de ontwikkelingen, de revolutie is nog dusdanig zichtbaar om ons heen dat je als schrijver de dingen niet los van elkaar kunt zien. We zijn als mensheid vervlochten met de digitaliteit. Je kunt die gedigitaliseerde wereld slechts als decor gebruiken, zoals Grunberg dat doet door af en toe een iPod of een e-mailaccount te laten figureren, maar wie iets dieper ingaat op de digitale verworvenheden ontkomt er bijna niet aan ook vragen te stellen over de rol van die techniek in en de gevolgen voor de maatschappij. De schrijver die dat niet wil heeft de digitale wereld ook (nog) niet nodig, zoals menig opa en oma de foldertjes met internetaanbiedingen netjes bij het oud papier deponeren.
Wie daar als lezer wel behoefte aan heeft wordt al bediend, maar de maaltijd is nog niet copieus te noemen. Toch groeit de menukaart van het literaire restaurant, en de kans is groot dat wie nu zegt geen behoefte te hebben aan die moderne bereidingstechnieken, over veertien jaar niet beter meer weet.

Coen van Beelen (1987) studeerde Nederlands in Leiden. Hij was columnist voor de Leidse Studentennieuwsbrief en publiceerde o.a. in Mare, Trouw en Nieuw Letterkundig Magazijn. Voor zijn masterscriptie over Houellebecq & Nietzsche ontving hij de Siegenbeek Scriptieprijs, en met zijn proza won hij diverse schrijfwedstrijden.

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s