De drie levens van Tomomi Ishikawa

Een inleiding tot dit alles
december 2006

`Ik zou wel een boek willen schrijven waarin jij en ik de hoofdpersonen zijn,’ zei ik tegen Tomomi Ishikawa terwijl ik verstrooid de voorwerpen op tafel rangschikte.
`O, leuk,’ zei ze en begon te hoesten. `Ik kan bijvoorbeeld tbc hebben en dan kunnen we in Italië gaan wonen waar jij elke avond absint drinkt met vrouwen van bedenkelijk allooi. En je schrijft ontzettend romantische gedichten die je me op mijn sterfbed voorleest en dan zeg ik tegen je dat de schoonheid van je poëzie mijn dood is geworden.’
Ik hield even op met lachen. `Dat is niet precies wat ik voor ogen had.’
`O, nee?’ Ze klonk verbaasd. `Wat had jij dan in gedachten?’
`Het is het verhaal van twee mensen die wat rondhangen en over dingen praten.’
`Aha, ja, leuk,’ zei Tomomi Ishikawa. `En wat is de intrige?’
`Er is geen intrige. Er is geen romantiek, geen avontuur, geen…’
`Hoho, stop, dat is verkeerd. Dan wordt het saai. In zo’n boek moet minstens iets van verraad, een gestolen schilderij en een pratende hond of aap voorkomen.’
`O.’ Ik had gedacht dat ze wel onder de indruk van mijn idee zou zijn. `Goed, misschien kan ik er een raadsel in verwerken. Een reeks moorden die we moeten oplossen.’
`Zou kunnen,’ zei Tomomi, `maar wie zou die dan gepleegd moeten hebben?’
`Jij?’ grinnikte ik.
`Ik? Fijn, bedankt, Ben Constable. Dan verander ik mijn naam in Mimsie en dan kun je het boek M van Moord noemen!’
`Hoei!’ Nu moest ik lachen. `Nee. Ik heet Ben Constable en jij heet Tomomi Ishikawa.’
`Maar dat zijn onze echte namen.’
`Dat is ook de bedoeling.’
`O. Oké. Maar je kunt me ook gewoon Vlinder noemen, dat is minder formeel – V van Moord.’
`Het wordt meer een soort bijnaam,’ stelde ik haar gerust. `En de kronkelige plot zal de lezer door de straten van Parijs en New York voeren.’
Ze leunde over de tafel heen. `Wordt Ben Constable misschien het laatste slachtoffer?’
Ik leunde ook voorover. `Dat idee spreekt me niet zo aan.’
`Mag ik je niet eens een beetje helpen?’
`Nou, eh…’
`Denk je dat…’ We vielen allebei stil om te zien wie van ons het eerst iets zou zeggen, maar Tomomi Ishikawa was me voor. `Denk je dat je me van de galg kunt redden? Dat vind ik zo’n armzalig einde na een crimineel glamourleven.’
`Er komt geen galg in voor,’ zei ik. `Ik weet niet eens of er wel een moord in zal plaatsvinden. Jij ziet een ander boek voor je dan ik, Tomomi Ishikawa. Ik wil over een bijzondere vriendschap schrijven. Die wil ik niet verpesten met ingewikkeldheden en kunstgrepen.’
`Maar je zei…’
`Het gaat over dingen zoals nu, dit gesprek.’
`Dus ze praten en drinken en lachen tot diep in de nacht.’
`Precies,’ zei ik. `Onze werkelijkheid is even boeiend als welke roman dan ook.’
`Zeker.’ Ze glimlachte. `Maar misschien kan aan het eind van de avond de romanfiguur Tomomi Ishikawa een paar vrouwen volgen die in hetzelfde café waren’ – ze wierp even een blik op de mensen aan het tafeltje naast ons en liet haar stem dalen – `en ze een voor een vermoorden, waarna ze hun darmen over hun naakte lichamen drapeert.’
`Misschien moet jij je eigen boek schrijven,’ zei ik.
Daar dacht ze even over na. `Ja, misschien wel.’

DEEL EEN
15 maart tot 17 augustus 2007
1
Een opmerkelijke brief van Vlinder die alles veranderde

Parijs, maart 2007

Lieve Ben Constable,

Je bent misschien benieuwd waarom ik je een brief stuur in plaats van een sms of een e-mail; waarom bel ik je niet gewoon om even lekker te lachen of wacht ik niet tot we aan een tafeltje ergens in een druk café zitten, schuin op onze stoelen met onze rug tegen de muur zodat we geen rook in elkaars gezicht blazen, onze jassen aan de kapstok bij de deur, de vage lucht van regen, druppels die waterige sporen over de ramen trekken, en dat we ons dan omdraaien om elkaar in de ogen te kijken, omdat we zo opgaan in ons gesprek, voorzichtig leunend op het tafeltje om de koffiekopjes, of beter nog, de wijnglazen niet te verstoren? En waarom, vraag je je wellicht af, een getypte brief en niet eentje geschreven met de nobele, verfijnde kunst der kalligrafie (persoonlijker)?
De gedachte is vast al bij je opgekomen dat de tijd om zo’n brief te schrijven en de moeite hem te versturen op een belangrijker bericht of bedoeling wijzen dan mezelf zomaar wat bezighouden op een slapeloze nacht, dringender dan alleen maar jou laten weten dat ik aan je denk.
Maar vlak het tastbare genot van papier niet uit, Ben Constable! Schrijven verschaft een meervoudig zintuiglijk genot, ik laaf me aan de voldoening die woorden geven, aan het besef dat brieven schrijven een duizend jaar oude, nee, veel meer, duizendén jaren oude traditie is.
Je hebt natuurlijk gelijk, er is een verklaring, al geef ik je die met grote tegenzin, omdat je hem niet wilt horen. Had ik maar iets vrolijks te melden of kon ik je maar zachtjes overdonderen met beelden en wonderbaarlijke sensaties, maar dit is niet zo’n soort brief, ben ik bang. En hoe meer ik het probeer te verzachten, de pil probeer te vergulden, hoe meer ik verstrikt raak. Kon ik je desondanks toch maar aan het lachen maken.
Maar na al deze bangmakerij is het tijd om ermee voor de draad te komen. Alleen zit de kwestie ergens vast, halverwege het brok in mijn keel en mijn haperende vingers. Als ik haar maar lang genoeg kan omzeilen, gaat ze misschien vanzelf weg of wordt herinnering, zoals een nare droom. Maar helaas, deze kwestie zal niet zo makkelijk verdwijnen.
O, hoe erg kan het helemaal zijn? Ik ben niet je vriendinnetje, dus je kunt niet de bons krijgen. Ik ben niet je baas, dus je wordt niet ontslagen. Je hebt niets verkeerd gedaan, je hebt me niet gekwetst, ik ben niet boos, ik hou van je (maar dat is trouwens niet de kwestie. Ik ga me niet op gênante wijze aan je voeten werpen en je smeken om ons saaie leventje samen uit te zitten en in elkaars armen oud en gebrekkig te worden).
En mocht de reden voor deze brief nog steeds in raadselachtig gezwam zijn gehuld, dan denk ik dat mijn manier om het onvermijdelijke uit te stellen je inmiddels wel wat duidelijker is geworden. Zoals je weet heb ik altijd een schaamteloos genot ervaren in het om de hete brij heen draaien. De hete brij is vaak een delicatesse die gesavoureerd dient te worden, het vooruitzicht een zoete kwelling, die met een gekmakende traagheid naderbij komt, en hoe langer het uitstel, hoe groter de spanning en hoe intenser het genot.
Wat ik te zeggen heb is belangrijk, maar jammer genoeg geen leuke boodschap. (Tussen haakjes, dit uitstelgedrag van mij is in bepaalde opzichten typerend voor onze vriendschap. We zijn allebei bekend met het verschijnsel van de eeuwigdurende gespreksstroom, die zich een weg kronkelt door het verdronken land, treuzelend door de ondiepten, klaterend over kiezels, bijkomend in diepe poelen, wervelend in draaikolken en een onverwachte wending nemend, want de vreugde zit in de reis zelf en het bereiken van de zee betekent dat je aan het einde bent gekomen. Misschien hadden we het idee dat we alle tijd van de wereld hadden en dat we nooit verveeld zouden raken, dat de rivier eeuwig zou blijven stromen, alsof de accolades geen einde kenden, het nooit haakje sluiten zou zijn en de openingszin nooit zou worden ingelost, zodat we in een andere onbepaalde dimensie tot in eeuwigheid om de hete brij heen konden blijven draaien, en zelfs dan zou de slotzin eindigen met drie puntjes… En ik heb bijna het gevoel dat het ons nog gelukt zou zijn ook, als er niet één doorslaggevend feit was geweest dat de boel verpest. Het is een voor de hand liggend feit, en jij weet wat het is, Ben Constable. Het feit dat de dood een einde aan ons gesprek maakt lang voordat de eeuwigheid haar intrede heeft gedaan.)
En daarmee kom ik nu, helaas, aan de kern van mijn betoog. Had ik het maar eerder verteld, en ik heb het een keer geprobeerd toen ik je nog niet te goed kende; het leek gemakkelijker destijds. Weet je nog, Ben Constable, dat je met je vrienden in een café een paar straten hiervandaan zat te drinken en dat ik je belde voor een kletspraatje (ik voelde me niet zo lekker)? Je vroeg of ik erbij kwam maar ik wilde je niet tot last zijn, en ik zou weer snel zijn opgestapt als je niet het grootste deel van de tijd met mij had gepraat. Na een tijdje gingen je vrienden naar een feest en bleven wij met z’n tweeën wijn drinken tot sluitingstijd. Daarna liepen we naar Ménilmontant en liet ik je het keienstraatje boven op de heuvel zien waar een geheim plekje is. Daar hebben we een paar sigaretjes zitten roken, en toen leek de kwestie opeens ver weg. Het was gewoon fijn om daar met jou te zitten en ingehouden te lachen om de buurt niet wakker te maken. Mijn somberheid was verdwenen en de kwestie loste op in het niets. Misschien was dat het begin van deze overdreven geformuleerde, eindeloze zin waaruit al onze gesprekken bestaan (de onbekommerde gedachtensprongen, mijn vermijdgedrag). Ik ben reuzetrots; ik heb alweer een alinea geschreven zonder je de reden van deze brief te vertellen.
Maar nu is het geen spelletje, want deze keer is de kern van de zaak niet het sluitstuk, maar de aanzet tot iets nieuws, de eerste stap naar iets groters, het begin van een avontuur, Ben Constable. Nou, hier komt het (ik aarzel, probeer nog een dringende afleiding te verzinnen, maar die is er niet): de kwestie is dat ik doodga.
Natuurlijk, we gaan allemaal een keer dood, maar ik ga iets sneller dood. En ik ga het niet rekken, me niet wanhopig vastklampen aan de afnemende schemering van mijn leven; ik ga zelfmoord plegen. Sorry, ik snap dat dit niet bepaald leuk moet zijn voor jou. Maar ik wilde afscheid nemen.
Verder wilde ik je een voorstel doen, jij bent de erfgenaam van een voorwerp, van een aantal voorwerpen, die ik al jaren maak, lang voordat ik van jouw bestaan wist – sinds mijn kindertijd al. Ik kan je niet zeggen wat het is; dat zou het verpesten. Het moet een verrassing blijven.
Tegen de tijd dat je deze brief in handen hebt, ben ik al een paar uur dood. En terwijl ik dit schrijf, Ben Constable, ben ik verdrietig omdat ik je nu al mis. Het is zo jammer om alles achter te laten. Maar ik hou graag tot op het laatst de touwtjes in handen. Dat begrijp je vast wel, want jij weet dat het einde niet altijd als laatste komt en dat het vooral een kwestie van definitie is, een plek om van bezigheid, thema of tempo te wisselen.
Hé, mag ik je iets vertellen? Iets doms, hoor, niets spannends. Maar zelfs op dit beladen moment blijft mijn aandacht haken aan dingen die ik leuk vind, dingen die ik als waardevolle schatten beschouw. Ik zou ze je dolgraag laten zien. Ik wil graag dat je ervanaf weet.
De eerste schat is het uitzicht terwijl ik aan het schrijven ben. Ik hou van de afgetekende contouren van de bomen in het donker, vind het fijn om door hun kale takken naar het plein beneden te kijken, waar op zonnige dagen mensen rond de barokke drinkfontein samenkomen of buiten voor de salon de thé zitten te roken. Ik hou van de imposante trap die naar de deuren van de kerk leidt, wakend over de buurt als een schildwacht. En ik vind het fijn om naar de verzameling spullen om me heen te kijken, elk heeft een eigen verhaal dat ik met me mee zal nemen in mijn graf, en de stilstaande klok aan de muur die me kostbare seconden cadeau geeft. Zijn wijzers staan op tien voor half vier, optimistisch suggererend dat er nog tijd is voor één laatste ding. Ik zal mijn klok missen en ik verbeeld me dat de klok mij ook zal missen.
Onder het schrijven van deze woorden besef ik weer hoeveel ik van de handeling van schrijven hou. Ik had dit ook met de hand kunnen neerpennen zodat je mijn kriebelige hanepoten had kunnen bewonderen – ik geef toe dat het persoonlijker is om iets te schrijven met een krassende pen die inkt verspreidt – maar zittend voor mijn computer geef ik toch de voorkeur aan typen, want in de snelle opeenvolging van klinkers ontstaan zo veel woorden, in de klik van elke letter vind ik mezelf en ben ik, kortstondig, volmaakt gezond.
Er valt een fijne motregen die de straatlantaarns met een gouden halo omkranst, ik wou dat ik buiten aan het wandelen was totdat mijn haar doorweekt was en het water over het puntje van mijn neus droop, waarop ik de druppel zou proberen weg te blazen of, niet erg damesachtig, met mijn mouw mijn gezicht droog zou vegen, maar ik heb nooit gezegd dat ik een dame was (of misschien één keertje). Parijs en de regen hebben ook een plekje in mijn schatkist van dierbare dingen.
Weet je die dag nog dat de lucht zwart werd en jij me ergens vanaf een heuvel belde, in Montmartre volgens mij, en zei dat je het onweer naar mijn huis zag komen en de regenbuien al over de stad zag trekken? En onder het praten gaf je me de stand van zaken door, het zou over twee minuten gaan regenen, een minuut, dertig seconden en toen telde je af van tien en bij nul vroeg je of het al regende, en ik zei nee, maar even later kwam het met bakken uit de hemel en waarschijnlijk glom je op dat moment van trots, althans zo zag ik je voor me, want laten we wel wezen: iedereen wil graag gelijk hebben. Ik was onder de indruk.
Er is nog iets waar ik dol op ben, iets onaannemelijks. Op metrolijn 7bis, tussen station Buttes Chaumont en Bolivar maakt het spoor heuvelafwaarts een bocht naar rechts, en na zo’n honderd of honderdvijftig meter heb je links in de tunnel een tuin. Goed, `tuin’ is wel een wat groot woord, want er staat maar één plant in, het lijkt eerder op onkruid dat door de muur heen is gekomen of ergens onder een lamp wortel heeft geschoten, maar het is de enige plant die ik ken die ondergronds groeit. Het is me alleen nog nooit gelukt om hem goed te zien. Soms ga ik wel zes keer met die lijn op en neer om die plant beter te bekijken. Nu zou ik het echt geweldig vinden als jij er een foto van probeert te maken, of misschien kun je je verstoppen in het metrostation tot het dichtgaat en dan over het spoor erheen sluipen om zijn naar zon hunkerende blaadjes aan te raken. Het zal een spannend avontuur zijn, met bewakers die je op hun beveiligingscamera’s zien en je achternagaan en dan moet jij vluchten via een geheime ontsnappingsroute door de metrotunnels om ergens in een zwak verlicht steegje van onder een putdeksel triomfantelijk tevoorschijn te komen!
Het enige wat ik nog hoef te doen is op `printen’ drukken en deze velletjes in een envelop stoppen. Dan zal ik, als jij op je werk bent, naar je appartement gaan en hem onder de deur schuiven. Maar er is nog zoveel te zeggen, zo ontzettend veel meer. Of misschien is er niets. Misschien moet ik accepteren dat de brief af is en dat het hypnotiserende klikken van de toetsen zal ophouden, dat de zin nooit afgemaakt zal worden, de openingswoorden nooit ingelost, en ik wou dat ik dit moment nog wat langer kon rekken. Misschien omdat ik een lafbek ben en als ik maar doorga met schrijven, zal ik niet doodgaan, alleen weet ik niet zo goed wat ik nog moet zeggen. Ik kan je moeilijk gaan vertellen hoe ik aan mijn twee leren stoelen ben gekomen, of wat voor planten er in mijn bloembak voor de vensterbank staan. De bloembak, ja, nog een onaannemelijke tuin – een groene plek waar ik kon rondhangen. O, had ik je al verteld van… en wist je dat…?
Het is tien voor half vier (nog steeds) en er is nog wat tijd, maar ik moet nu gaan.
Ben Constable, er liggen avonturen voor je in het verschiet en ik vind het jammer dat je de kans niet meer krijgt om me erover te vertellen en dat we nooit meer ’s avonds dronken zullen worden en door de regen lopen en onder bomen schuilen in kleine klinkerstraatjes en op ons speciale plekje sigaretten zitten roken. Ik mis je nu al.

Vaarwel,
Vlinder xoxox

Van vrijdagen word ik altijd vrolijk. Ik zie mezelf lachen in de spiegel als ik de week van mijn handen was voordat ik van mijn werk vertrek. Ik hou van het weekend en de onverwachte verrassingen die het in petto heeft. Ik roep `dag’, loop haastig de straat door en spring met twee treden tegelijk de roltrap van de metro af. Ik laat mensen voorgaan en help een vrouw die met zware tassen de trap op sjouwt, een zwerver krijgt mijn losse munten en ik sta op voor een onbekende. Ik leun met mijn rug tegen de tussendeur van de wagon en overweeg een boek tevoorschijn te halen, maar blijf toch liever kijken naar het in- en uitstappen van mensen en luister stiekem naar hun uit verband gerukte gespreksflarden.
De telefoon in mijn broekzak ging over.
`Et alors?‘ Als een gesprek op vrijdag zo begint, betekent dat: `En, goede week gehad?’ en dat betekent weer: `En, zin in een avondje stappen?’ Ik kreeg te horen dat wij (mijn vrienden en ik) eerst zouden gaan eten en daarna naar een feest waar muziek was, gedanst werd en mensen waren die we niet kenden. We spraken om half acht af voor een borrel zodat we licht aangeschoten in het restaurant zouden arriveren om daar vervolgens veel te lachen en discussies over politiek en kunst te voeren. Ik had dus nog tijd om naar huis te gaan: dan kon ik nog een dutje doen, me douchen, aankleden en ondertussen luisteren naar muziek, nog iets opzoeken op internet wat me opeens te binnen was geschoten en dringend leek, zodat ik om negen uur present kon zijn. Te laat komen doe ik niet doelbewust: ik hou er gewoon van om alles op mijn gemak te doen. Haasten is niets voor mij. Vandaag ben ik blij, zomaar. Maar dat gebeurt wel vaker.
Toen ik thuiskwam, wachtte ik op de lift en trommelde daarna ongeduldig met mijn vingers in mijn broekzakken terwijl de lift de zes verdiepingen omhoogzwoegde. Ik bekeek mijn tong in de spiegel omdat spiegels in liften daar ongetwijfeld voor bedoeld zijn.
Kat zat voor de deur, wat me verbaasde omdat hij me niet nodig heeft om hem binnen of buiten te laten.
`Hoi, Kat, wat doe je daar?’ zei ik tegen mezelf. Ik keek hem aan terwijl ik het slot opendraaide. `Als je rotnieuws voor me hebt, wil ik het niet weten.’ Hij stond op en streek langs mijn benen, waardoor ik bevangen werd door twijfel omdat Kat normaal gesproken alleen met een goede reden naar me toe komt. Toen ik de deur opendeed, hoorde ik het geluid van papier dat over hout schuurt – er was iets onder de deur geschoven. Kat liep langs me en wandelde naar binnen alsof hij er de baas was en ik bukte me om een dikke envelop op te rapen waarop in een bekend handschrift mijn naam stond geschreven. Hij was van Tomomi Ishikawa (die ook wel Vlinder heet), maar ik kon in de verste verte niet bedenken waarom zij me een brief zou schrijven en naar mijn huis zou gaan om hem onder mijn deur door te schuiven terwijl ik er niet was. Maar aan de andere kant, Vlinder zat vol verrassingen.
Ik hing mijn jas op, liep naar de slaapkamer en liet me op bed vallen. Ik schopte mijn schoenen uit en speelde even met de envelop voordat ik hem openscheurde. Er zat een dikke stapel getypte velletjes in.
Kat sprong naast me op bed en ik hoopte dat zijn poten schoon waren. Hij strekte zich uit als een sfinx, veel te groot voor een normale kat. Ik aaide hem met mijn voet, maar hij negeerde me en staarde uit het raam. Ik begon te lezen.
Tomomi Ishikawa was mijn vriendin. Tomomi Ishikawa lag dood in mijn handen. Onder het lezen viel mijn brein stil. Er vormde zich geen enkele gedachte meer. In mijn ogen welden tranen op, maar ze vielen niet. Ik keek naar mijn borst om te zien hoe mijn ademhaling ging: langzaam, regelmatig en krachtig. Ik zag mijn hart met grote, energieke slagen kloppen. Het ging vlug. Heel vlug. Tomomi Ishikawa was dood en ik wist dat ik pijn had, van een diepe, gapende wond in me, alleen voelde ik niets.
Ik probeerde me de vijf fases van verdriet te herinneren: shock, ontkenning, woede, neerslachtigheid en berusting? En hoe zat het met schuldgevoel, hoorde dat er ook bij? Shock, ik verkeerde nu natuurlijk in shock. Ik wist niet wat er gebeurde. Ik wist niet wat ik dacht en ik wist niet wat ik moest doen. Waarom had ik haar gister niet gebeld? Ik had zo makkelijk even kunnen bellen. Dan hadden we iets kunnen gaan drinken. Ik keek naar Kat, die zijn kop omdraaide en me recht aankeek. Ik wou dat hij het soort kat was dat dicht tegen me aan komt liggen en dan al mijn negatieve ionen in zich opneemt, of wat katten dan ook doen. Maar Kat is anders, om een aantal redenen. De eerste reden is dat hij geen huiskat is. Hij is een of andere wilde kat of lynx (of zoiets), met het formaat van een hond, een kleine hond, dat wel, maar veel groter dan een kat. Hij heeft grote poten en houdt niet zo van aaien. Het is niet mijn kat. Hij komt af en toe aan en hangt dan wat rond. De tweede reden is dat hij niet bestaat. Het is een denkbeeldige kat, maar dat is min of meer geheim.
Ik stond op, zocht mijn mobiel en vond die in mijn jaszak. Mijn duimen scrolden over de contactenlijst naar Vlinder (vr); ik drukte op de groene toets en hield de mobiel tegen mijn oor. Het was even stil en ik hield de mobiel van mijn hoofd om te kijken of ik wel verbinding had, waarna ik weer luisterde en op dat moment ging de telefoon over. `Kom op, Vlinder, neem die kuttelefoon op. Neem op!’ Nadat hij vijf keer was overgegaan, sprong de voicemail aan en haar bekende stem zei in het Frans tegen me dat ze niet bereikbaar was en dat ze me zo snel mogelijk terug zou bellen. En ik hoorde mezelf lachen op de achtergrond omdat ik erbij was toen ze het bericht had opgenomen. Ik hing op.
`Wat moet ik doen Kat?’ Kat keek me aan. Als denkbeeldige kat zou je verwachten dat hij zich niet door de werkelijkheid of de grenzen van de wetenschap liet inperken. Maar deze Kat wel. Hij kan bijvoorbeeld niet praten, althans hij doet het nooit. Soms denk ik te weten wat hij denkt en soms beeld ik me in wat hij zou zeggen als hij kon praten, maar dat is denkbeeldige verbeelding. Kat zit heel erg vast aan de wereld van de echte verbeelding.
`O, Kat, help me toch, ik weet niet wat ik moet doen.’ Ik legde mijn vingertoppen op mijn oogleden alsof hierdoor mijn gedachten weer op gang gebracht konden worden. Ik ging op bed liggen, trok een kussen over mijn hoofd en drukte het tegen mijn gezicht. De laatste tijd had ik Vlinder een beetje links laten liggen. Zij had het druk met andere dingen en ik had ook… van alles te doen. Ze had dringend hulp nodig gehad, maar ik had van alles te doen. Van alles. Kut. Ik voelde het gewicht van Kat die over me heen liep en mijn benen onaangenaam plette.
Ik pakte mijn mobiel en belde Tomomi Ishikawa’s nummer nog een keer, maar ik kreeg direct de voicemail. Ik belde haar zeven keer en elke keer hoorde ik na een korte stilte haar ingeblikte stem. Dat klopte niet; eerst ging hij wel over. Hoe kon haar telefoon opeens geen bereik meer hebben of niet meer werken in de luttele minuten tussen de eerste keer dat ik belde en daarna? Misschien was de batterij leeg. Of stel dat iemand hem had uitgezet?
Ik pakte het doosje met interessante dingen van de plank. Ik rommelde erin en haalde er een sleutel aan een kort rood lint uit. Ik had een sleutel van Tomomi Ishikawa’s huis om de planten water te geven als ze weg was en voor noodgevallen.
Ik trok mijn schoenen aan, pakte mijn jas en ging naar buiten, waarbij ik de deur iets harder dichtsloeg dan mijn bedoeling was. Ik hoopte dat ik Kats denkbeeldige kop er niet af had gehakt, maar hij stond al bij de lift. `Laten we de trap nemen,’ zei ik tegen mezelf en Kat was blij omdat hij eigenlijk niet van liften houdt. Hij houdt ook niet van de metro, maar hij liep achter me aan de trap af, de metrowagon in en ging tussen mijn voeten liggen. Het valt niet mee om een denkbeeldige kat in de metro te zijn, want mensen kunnen je niet zien en pikken vaak je plekje in, maar hij ging toch met me mee en dat waardeerde ik.
Buiten, voor de deur van Vlinders huis, stond ik voor het toegangspaneel en probeerde me te herinneren wat de code ook alweer was. Ik tikte de verschillende viercijferige combinaties in die ik in mijn hoofd had plus de letter A, tot ik uiteindelijk een klik hoorde. We gingen naar binnen en liepen de trap op. Ik klopte, maar er werd niet opengedaan, dus haalde ik de sleutel uit mijn zak en liet mezelf binnen. Kat liep voorop, want hij is dapperder dan ik in zulke situaties. Ik riep `hallo’ maar het bleef doodstil. Alles zag er normaal uit, afgezien van een briefje op de tafel met een roestvrijstalen balpen erop. Ik ging naar de slaapkamer. Die zag er gewoon uit en het bed was opgemaakt. Het was er zelfs heel erg netjes. Ik keek in de badkamer, maar daar was niemand. Toen pakte ik het briefje en begon te lezen terwijl Kat zijn rechterpoot ging zitten likken.

Ben Constable,

Het is tien voor half vier en volgens mij is alles klaar. Als jij hier bent, zal ik er niet meer zijn. Ik heb een plek gevonden waar ik dit kan doen zonder dat iemand vieze handen krijgt (de dood kan een hoop troep geven). Ik heb iemand geregeld om mijn spullen uit te zoeken, zodat jij alles gewoon zo kunt laten, maar de computer is voor jou – neem hem alsjeblieft mee. In de koelkast staan nog wat dingen. Misschien is er iets voor je bij. De potjes yoghurt zijn over de uiterste houdbaarheidsdatum, maar iedereen weet toch dat yoghurt gewoon melk over de uiterste houdbaarheidsdatum is? Er ligt ook nog wat fruit, mocht je daar belangstelling voor hebben. (Maar wat zit ik toch aan je kop te zeuren over eten. Sorry – ik vind het gewoon zonde dat het allemaal bederft en omdat jij ook niet bepaald de dikste persoon ter wereld bent, dacht ik dat je wel een stuk taart kon gebruiken.) (Er is geen taart.)
Ik hoop dat het goed met je gaat en het spijt me van al dit gedoe. Ik moet nu gaan omdat ik nog één brief moet schrijven. (Aan jou, dommie.)

xoxox Vlinder
PS Hé, hou die pen ook maar, het is een dierbaar ouwetje

Ik pakte een banaan en at hem op. Ik stond even naar de klok aan de muur te kijken. Die wees al sinds ik haar kende trouw tien voor half vier aan, maar het was me een raadsel waarom ze er een stilstaande klok op na hield. Kat stond op en rekte zich uit. Waar was ze naartoe gegaan om `dit te doen’ en wie was de persoon die haar spullen kwam uitzoeken? Een notaris? Een of andere verhuizer? Had ze zich ingeschreven bij een speciale zelfmoordkliniek in Zwitserland die een volledig alle-dingen-regelen-na-uw-doodpakket bood? Bestond zoiets eigenlijk wel? Het ging er bij mij niet in dat ze zo georganiseerd was. Ze was waarschijnlijk naar de website van de kliniek gegaan, had de strakke lijnen van het gebouw gezien, die haar aan de architect Albert Frey deden denken, waarop ze naar moderne woestijnarchitectuur was gaan googelen en haar oorspronkelijke voornemen allang weer was vergeten.
Kat zat recht tegenover de deur, waardoor ik wist dat hij graag weg wilde. In het keukenkastje vond ik een kan die ik met water vulde; daarna gaf ik al haar kamerplanten een scheutje. Ik stopte Vlinders glimmende laptop, het briefje en de pen in mijn tas en vertrok. De bananenschil gooide ik in de prullenbak onder aan de trap.
Tomomi Ishikawa was dood en ik wist niet wat ik moest doen. Ik zette mijn mobiel uit en ging naar huis.

De drie levens van Tomomi Ishikawa van Ben Constable (vertaling: Tjadine Stheeman) verschijnt 10 oktober bij uitgeverij Nieuw Amsterdam.  304 blz., ISBN: 9789046815885,  NUR: 302
Benjamin Constable (Bristol) woont momenteel in Parijs waar hij Engels doceert en copywriter is voor een reclamebureau. De drie levens van is zijn debuutroman.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s