Herman Brusselmans: Een kanarie met een zak cement op zijn rug

Op 5 oktober staat Herman Brusselmans op Geen Daden Maar Woorden Festival Rotterdam. Aanleiding is zijn 63e roman, met de onmogelijke titel De Qaulastofont. Met dit interview gaan we terug naar 2008. Pieter van Oudheusden sprak voor Passionate Magazine met Brusselmans over zijn toenmalige nieuwste roman Een dag in Gent. Ook toen al gaf de voormalige jonge God van de Vlaamse letteren blijk van zijn liefde voor antiromans en voor nog niet bestaande woorden en uitdrukkingen.

Vorig jaar vierde Herman Brusselmans zijn vijftigste verjaardag. De ter gelegenheid daarvan georganiseerde lookalike-contest werd, hoe kan het anders, gewonnen door de schrijver zelf. De ironie van die uitslag neemt niet weg dat ook voor de voormalige jonge God van de Vlaamse letteren de jaren beginnen te tellen. In zijn nieuwste boek, Een dag in Gent, geeft hij toe: ‘Het aftakelen gaat niet aan mij voorbij. Je hoopt eeuwig jong te blijven en rond je vijftigste ben je al eeuwig oud.’
Bij de schrijver thuis in Gent – een sober ingerichte etage boven een café in het Patershol, met een manshoog drumstel in de hoek – beaamt hij dat alles minder vlot verloopt dan vroeger, ook het schrijven. ‘Als ik eenmaal bezig ben gaat het wel, maar het beginnen wordt moeilijker. Vroeger kon ik, met de whiskyfles naast me, acht uur aan één stuk schrijven. Nu heb ik het na drie uur gehad en zit ik stram op mijn stoel. De concentratie is minder, ik moet langer nadenken om op een woord te komen.’
Ik vraag hem hoe hij terugkijkt op zijn beginjaren als schrijver en op Het zinneloze zeilen, zijn debuut uit 1982.
‘Nog altijd met enige trots. Het werk uit die tijd verwerp ik zeker niet. In principe zou ik Het zinneloze zeilen nu nog altijd kunnen schrijven. De man die werk vond ook. Er zit wel een zekere evolutie in mijn werk, maar een schrijver is eenone trick pony. Ik heb mijn eigen ding en binnen dat beperkte kader probeer ik zo veel mogelijk verschillende dingen te doen. Een paar keer heb ik geprobeerd een serieus boek te schrijven. Het moest gedaan zijn met dat gelul. Gewoon personages van vlees en bloed, en een écht verhaal. Want dat is wat de doorsnee lezer wil. Al redelijk snel, na een pagina of vijf, ontdekte ik: dit is niks voor mij. Waar de fuck ben ik mee bezig?’

Improviserend schrijven
In Een dag in Gent – zijn negenenveertigste boek, volgens de ruimste telling van zijn oeuvre – betreden schrijver en lezer bekend terrein. Van ontwaken tot inslapen volgen we de wederwaardigheden van de geliefde volksschrijver Herman Brusselmans op zijn omzwervingen door de stad. De roman is een opeenvolging van buitenissige ontmoetingen en ontsporende dialogen. Zoals de hoofdpersoon zegt: ‘Ik houd ervan als draden worden kwijtgeraakt. In m’n literatuur ook. De ene draad na de andere wordt kwijtgeraakt. De critici nemen het me kwalijk.’
Hij heeft altijd gespeeld met de techniek van de roman, zegt hij. ‘Ik ben een poosje bezig geweest met de nouveau roman, de antiroman. Dat wilde ik wel ’ns lezen, zo’n antiroman. Maar de kloterij was dat het allemaal zo ongelooflijk serieus was. Het werk van zo’n Claude Simon, die later de Nobelprijs kreeg, echt niet doorheen te komen. En ik wou dat ook nog in het Frans lezen… Later ontdekte ik Het leven is verrukkeluk van Remco Campert. Daar was ik meteen door gepakt, alleen al vanwege de spelling van de titel. Zo kon het dus ook. In wezen is ook dat een soort antiroman, want er gebeurt geen fuck. Ik besefte dat ik een roman kon schrijven waarin de toestand aan het einde nog altijd hetzelfde was als in het begin. Al die rode draden die opgepikt moeten worden… In het ware leven – als je dan toch de realiteit als basis neemt – komen ze óók niet samen. Je kunt je leven leven zonder dat daarin sprake is van enige plot. In films en boeken worden er allerlei grootse verbanden gelegd tussen van alles en nog wat, maar die zijn er niet. In elk geval niet in mijn wereld.’
Meer dan door een plot wordt de handeling in Brusselmans’ boeken voortgestuwd door de taal. ‘Dat is het enige instrument waar je mee werkt. Je hebt je onderwerp, de bodem en de muren van je constructie, maar die moet je simpelweg opvullen met taal. Ik schrijf improviserend. Vaak weet ik de eerste twintig, dertig pagina’s niet waar ik heen ga. Zoals de meeste schrijvers, volgens mij. Daarna zie ik wel wat ik kan gebruiken, wat terugkomt en wat niet. Ik ben een taalschrijver, een man van taal. Ik zoek naar woorden die op Google geen hits opleveren. En dat valt tegen, want bijna alles bestaat. Ik had de naam Muggepuut bedacht (muggepuet is dialect voor “muggenpoot”) en inderdaad, nul hits. Dan denk ik: yes, ik heb een woord uitgevonden! Mijn vrouw en ik vragen elkaar soms een zin te bedenken waarvan we honderd procent zeker weten dat hij nog nooit eerder is gebruikt. “Ik ga naar bed” wordt elke dag een miljoen keer gezegd. Kom je met “De kanariepiet met een zak cement op zijn rug viel achterwaarts van de treeplank, terwijl het in Afghanistan vier graden vroor”… Grote kans dat die zin nog nooit is uitgesproken.’

Bekende Vlaming

Brusselmans1Ondanks overeenkomsten met eerdere romans waarin hoofdpersoon en auteur dezelfde naam droegen, is Een dag in Gent in Brusselmans’ ogen een ander soort boek. Hij vergelijkt het met de trilogie over machoschrijver Danny Muggepuut, die hij eerder dit jaar afsloot met de roman Toos. ‘Achthonderd pagina’s onzin, en dat was ook de bedoeling. Het zijn bordkartonnen personages. In Een dag in Gent is het eigenlijk ook zo. Kijk, ik schreef vroeger boeken als Zijn er kanalen in Aalst?, Heden ben ik nuchter, tot en met Vergeef mij de liefde, eind jaren negentig, waarin ik nog met een zekere sérieux mijn eigen leven volgde. Weliswaar met absurde elementen, maar voor een stuk kon een lezer mij leren kennen uit die boeken. Dat is nu niet meer zo. Ten eerste omdat ik denk: als je me nu nog niet kent, zul je me nooit leren kennen. Ten tweede: waarom zou een lezer mij moeten kennen?’
Hij vergelijkt zijn personage met dat van Charles Bukowski, in wiens boeken realiteit en verbeelding niet meer te scheiden zijn. ‘Net als bij Reve, bij Woody Allen. Wie zijn die mensen? Jaren aan één stuk zijn ze bezig een portret van zichzelf te geven in hun werk, zonder dat je weet wat ervan waar is. Ik vind dat fantastisch. Dat is ook het spel dat ik speel met de lezer. Ik wil dat hij zich afvraagt: meent Brusselmans dat nou echt of heeft hij me bij mijn taas?’
Ik leg hem een citaat van twaalf jaar geleden voor, uit Autobiografie van iemand anders: ‘Ik ben een waarachtig schrijver, want ik schrijf ten eerste voor het geld en ten tweede om de verveling van andere mensen een paar uur uit te schakelen, middels verhalen hoe het leven had kunnen zijn of, desnoods, hoe het is.’
Hij is het daar nog steeds volmondig mee eens. ‘Het platte commerciële van: ik breng een boek uit en het moet in de top tien staan, daar is niks mis mee. Een dag in Gent is in Vlaanderen bijna niet gerecenseerd, maar verkoopt toch op eigen kracht vijftien- tot twintigduizend exemplaren, in enkele weken.’ Het zal, behalve met de kwaliteit van zijn werk, wellicht ook te maken hebben met zijn status als Bekende Vlaming. Hij is onder meer voetbalcommentator  in het sportprogramma Studio 1, maar hoewel hij een van de usual suspects is wanneer redacties op zoek zijn naar deelnemers aan hun programma’s, slaat hij de laatste jaren nagenoeg alle voorstellen af.
‘Ik zeg alleen ja als het een link heeft met mijn werk. Dat commentatorschap doe ik omdat ik wekelijks een sportcolumn in de krant Het Laatste Nieuws schrijf en dus beslagen ten ijs kom als ik over voetbal praat. Ik word in bepaalde programma’s inderdaad opgevoerd als een soort clown, de man die wel enige dwazigheden zal vertellen. In talkshows moet je vooral scoren. Als ik probeer serieus over mijn nieuwe roman te praten, zappen de mensen weg. Laat ik dan maar wat bullshitten over de Belgische inzending voor het Eurosongfestival of zo. Misschien kan ik op die manier een paar mensen overtuigen, dat ze denken: die gast is leuk, daar wil ik wel een boek van.’

Regenjassen en paraplu’s
Een dag in Gent eindigt met de zin: ‘Want een dag in Gent is niet een dag om dood te gaan.’ Ooit zal hij wel sterven, geeft de schrijver toe, maar tot het zover is valt zijn leven samen met de stad waarin hij woont. Hij is verknocht aan huis en haard, zijn vrouw Tania de Metsenaere en hun hondje Eddie. Al meerdere journalisten hebben hem voorgesteld om de stad te verkennen aan de hand van het boek, maar kwamen min of meer bedrogen uit: ‘Alle straatnamen die erin worden genoemd, liggen in een straal van tweehonderd meter rond mijn huis. Het is het blokje om dat ik met de hond doe. Ik ga ook nooit op reis en beschouw een optreden in Rotterdam als een zeer grote onderneming.’
Eén keer, in 1991, liet hij zich verleiden tot een collectieve uitstap naar Rome, omdat hij – toen nog vrijgezel – een oogje had op een van de meisjes in het gezelschap. In Italië goot het aan één stuk door en legde het meisje het aan met iemand anders. ‘Met regenjassen en paraplu’s gingen we naar het Colosseum kijken. Een hoop stenen, verder niks. Na thuiskomst besloot ik: fuck Rome, fuck de rest van de wereld, ik blijf in Gent. Dat wil niet zeggen dat ik enggeestig ben. Ik lees me te pletter. Ik weet hoe ik van Manhattan naar Brooklyn moet, simpelweg door de boeken van Saul Bellow.’
Ik zeg dat zijn nieuwe roman, net als zijn andere boeken van de afgelopen jaren, zich mede laten lezen als een liefdesverklaring. Zoals in Een dag in Gent staat: ‘Tania is erg puik. Mocht ik een beeldhouwer wezen, dan zou ik haar elke dag dag uit steen kappen.’
Hij monkelt: ‘Mijn vrouw is puik… Ik vind dat een zeer dwaze klankconstructie. “Puik” is zo’n debiel woord dat het weer leuk wordt. Wanneer je als schrijver de mogelijkheid hebt om alles te doen met de taal en de werkelijkheid, dan moet je voor je grootste liefde een monumentje bouwen. Ik wil haar zo nu en dan betrekken in de absurditeit van wat ik schrijf. Door twee bladzijden aan haar te wijden, of een enkel zinnetje. Geen heel boek. Dat zou Tania ook niet willen. In een aantal van mijn boeken die ten dele liefdesverklaringen aan haar zijn, is zijzelf opvallend afwezig. In Het spook van Toetegaai is ze drie dagen in Parijs, in dit nieuwe boek gaat ze ’s morgens weg en komt ze pas ’s avonds terug. Ik moet in mijn eentje de dag vullen. Als ik haar thuis zou laten en de avonturen zou beschrijven van haar en mij samen… Nee, dat doe ik niet.’
Omdat het te dichtbij komt?
‘Ja. Toch wel.’

Dit interview verscheen eerder in het nov-dec 2008 nummer van Passionate Magazine.


Door: PIETER VAN OUDHEUSDEN

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s