Aflevering 3

Vijf Zeer Korte Verhalen: aflevering 3

Knopen
Mijn vader zegt dat hij doodsbang voor knopen is. Ik moet lachen om zijn leuke grapje. Mijn vader zegt dat het geen grapje is, hij is echt bang voor knopen. Ik ken mijn vader al mijn hele leven, maar dit wist ik niet van hem. Mijn vader zegt dat hij het liefst helemaal geen kleding met knopen draagt. Maar soms moet hij wel. Als een knoop van een kledingstuk springt, kijkt mijn vader doodsbang naar de knoop die op de grond ligt. Hij durft de knoop niet aan te raken. Hij gooit het kledingstuk dan weg. Als ik vraag wat hij dan zo eng aan knopen vindt, zegt mijn vader: ‘Hoe ze aanvoelen.’ Ik ben van plan om een keer een grote emmer knopen over mijn vader te legen. Kijken wat er dan gebeurt.

Toetje
Mama, Zoon 1 en Zoon 2 zitten aan tafel. Het is etenstijd. Niemand zegt iets. Ze eten hun bord zo snel mogelijk leeg, zodat ze van tafel kunnen. Ondertussen kijken ze alleen maar naar hun bord. Ze eten en nemen af en toe een slokje melk.
Papa moet in de schuur wonen.
Rond etenstijd zet iemand een pannetje eten voor de deur van de schuur. Terwijl hij zijn pannetje leeg eet, kijkt Papa uit het raam van de schuur naar het huis. De afstand is maar een paar meter. Hij mag het huis niet in. Als het pannetje leeg is, loopt Papa de schuur uit, opent de achterdeur en vraagt in de deuropening of iemand zin heeft in een toetje. Hoewel hun bord leeg is, kijken Mama, Zoon 1 en Zoon 2 niet op van hun bord.

Ninja
Ik heb een tijdlang een ninja gehad. Hij bestond echt, in mijn hoofd. Als ik met papa en mama ergens heen moest, en we met de auto gingen, dan speelde ik met mijn ninja. Ik zat op de achterbank. Papa reed. Mama had een opengevouwen kaart op schoot. Papa en mama schreeuwden tegen elkaar. Mijn zusje zat ook op de achterbank. Ze hing met haar hoofd uit het raam. Als ze zou moeten kotsen, dan was de buitenkant van de auto makkelijker schoon te maken dan de binnenkant. Ik speelde met mijn ninja. Ik liet hem salto’s maken. Via de palen langs de weg sprong hij op alle auto’s en weer op de palen langs de weg. Soms rende mijn ninja een stukje met onze auto mee. Dat kostte hem geen enkele moeite. Bomen hakte hij gewoon in één keer om met zijn zwaard.
Mijn ninja was natuurlijk mijn gevangene. Hij bestond alleen wanneer ik dat wilde. Ik had zoveel plezier aan hem beleefd. Het was tijd om hem te laten gaan. We waren met het hele gezin op vakantie in België. Onderweg naar België hadden papa en mama alleen het eerste uur tegen elkaar geschreeuwd. Daarna hield mama de kaart dichtgevouwen op schoot. De enige geluiden kwamen van mijn zusje, die af en toe uit het raam kotste. Daarbij stootte ze schokkend met haar voeten tegen de stoel van papa, die boos werd, zich omdraaide en zei: ‘Moet jij een draai om je oren?’ Mijn zusje hoorde hem niet, ze hing met haar hoofd uit het raam. Dus toen kreeg ik maar een draai om mijn oren. Buiten hakte mijn ninja een rode bestelauto in twee gelijke stukken.
In België bezochten we op een dag de grotten van Han. De grotten van Han kregen drie sterren in de Michelin Gids. Het was koud onder de grond. Buiten was het gewoon zomer. Mijn ninja had een mooie tijd. Hij sprong over stalagmieten en zwaaide aan stalactieten. Mijn vader leerde me de ezelsbrug om stalagmieten en stalactieten uit elkaar te houden. ‘Stalactieten eindigt op tieten, en tieten hangen,’ zei hij.
We waren bij het diepste gedeelte van de grot aangekomen. We konden niet meer verder. De gids liet het licht van zijn lamp langs de wanden van de grot schijnen. Tussen twee salto’s door zei ik tegen mijn ninja, in mijn hoofd, dat ik hem zijn vrijheid gaf. Hij bestond nu voor altijd, niet alleen wanneer ik het wilde. Hij hoefde hier niet te blijven. Hij kon werk zoeken, als hij wilde. Of niet, en lekker een uitkering pakken. Het was aan hem, hij was vrij. De ninja stond stil op een rotsblok. Hij keek op me neer. Hij deed een stap naar achteren. Hij verstopte zich achter een steen die op het rotsblok lag. Alleen zijn hoofd stak boven de steen uit. De ninja keek me aan. De gids zei dat we weer naar boven moesten gaan. Ik bleef zo lang mogelijk achterom kijken naar de ninja die, zolang ik het kon zien, achter de steen verstopt bleef zitten. Alleen zijn hoofd stak boven de steen uit.

Water
Ik zit in mijn atelier. Ik doe niet veel. Soms lees ik een bladzijde uit een boek. Soms bekijk ik plaatjes van blote vrouwen op internet. Ik heb me voorgenomen eigenlijk geen plaatjes van blote vrouwen op internet meer te bekijken, omdat ik bang ben mijn seksualiteit te vernietigen. Ik probeer zoveel mogelijk in het boek te lezen, maar de blootplaatjes hebben een grotere aantrekkingskracht.
Daar wordt aan de deur geklopt, hard geklopt. Ik klap mijn laptop dicht.
Ik: ‘Binnen.’
Een van de kunstenaars die ook in het ateliercomplex werkt komt binnen.
Hij: ‘Kun je me helpen?’ Ik : ‘Wat moet ik doen?’ Hij: ‘In mijn atelier, rechts om de hoek, staat een schilderij.’ Hij: ‘Wil je water in mijn schilderij gooien?’ Ik: ‘Ik begrijp niet wat je bedoelt.’ Hij: ‘Loop maar mee.’
We lopen naar boven, naar zijn atelier. Rechts om de hoek ligt een schilderij. Op de grond. Met de beschilderde kant naar beneden.
Hij: ‘Dit moet heel bijzonder voor je zijn, om eens in de buurt van echte kunst te zijn.’ Ik: ‘Dit is een magisch moment is, ik voel je kunstenaarskracht in me overstromen.’
Hij lacht, gelukkig.
In het schilderij ligt een plas water. Naast het schilderij staat een fles water.
Hij: ‘Ik moet naar mijn werk. Het water stroomt waarschijnlijk het schilderij uit. Als het water bijna op is, moet jij de plas weer aanvullen.’
Hij: ‘Denk je dat het gaat lukken?’
‘Ik denk het wel,’ zeg ik.
Ik: ‘Wat ben je aan het maken?’ Hij: ‘Ik weet het niet precies, maar het gevoel klopt.’ Hij: ‘Ik moet naar mijn werk. Mag ik je fiets lenen?’ Ik: ‘Dat mag, maar allebei de banden zijn lek.’ Hij: ‘Dat maakt me niet uit.’
De kunstenaar leent mijn fiets en rijdt naar zijn werk. Als ik even later kijk of het water al weggestroomd is, of ik de plas moet bijvullen, zie ik dat in het atelier van de kunstenaar een kat van de plas water aan het drinken is. Ik laat het maar zo, ik krijg waarschijnlijk steeds meer inzicht in echte kunst.

Smakgeluiden
Mijn vriendin zegt dat ik snurk. Ik moet haar op haar woord geloven. Ik zeg dat ik waarschijnlijk snurk om de dood op afstand te houden. Mijn vriendin zegt dat ik haar nachtrust verpest en dat ik de komende tijd maar beneden, op de bank, moet slapen. Ze heeft mijn kussen en een deken op de bank gelegd. We zijn al meer dan vijf jaar samen. Mijn vriendin zegt dat ik een oplossing voor mijn gesnurk moet vinden. Ze zegt dat ik tijdens het slapen ook vieze smakgeluiden met mijn mond maak. Die vieze smakgeluiden ken ik, daar schrik ik soms wakker van. Ik dacht altijd dat mijn vriendin de vieze smakgeluiden maakte.
Natuurlijk ben ik beledigd. Ik pak mijn kussen van de bank en smijt het terug op de bank. Ik loop met harde stappen de trap af, naar de buitendeur. Voor de deur staan mensen te praten. Buurtbewoners. Ik hoor ze net op tijd praten. De deur is nog dicht. Ik durf niet naar buiten. Ik wil alle mensen op afstand houden. Ik wil geen hallo hoeven zeggen. Ik wil de mensen in alle oprechtheid kunnen negeren.
Ik kijk door de brievenbus naar de mensen. Ik wacht tot ze weggaan. Ik zit op mijn knieën voor de brievenbus en kijk naar buiten. Mijn vriendin staat boven aan de trap en maakt met haar mond provocerende smakgeluiden naar me.

(wordt vervolgd)

Joubert Pignon (1978) werkt in een dierenwinkel. In zijn atelier schrijft hij zo kort mogelijke verhalen. Hij debuteerde najaar 2012 met Er gebeurde o.a. niets bij uitgeverij Atlas Contact.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s