Voer voor sociologen – Zwagermans Americana

Passionate Magazine bracht voorjaar 2010 een dubbeldikke special uit over Joost Zwagerman. Ronald Ohlsen schreef daarin een artikel over de fascinatie van Zwagerman voor de Amerikaanse cultuur. Nu de Amerika-essays van Zwagerman gebundeld zijn in de tweedelige cassette Americana. Omzwervingen in de Amerikaanse cultuur, een mooie gelegenheid om Ohlsens overzicht van de Zwagerman-essays over wegbereiders en outsiders als Bret Easton Ellis, Norman Mailer, Andy Warhol en William Burroughs, opnieuw te plaatsen.

Voer voor sociologen – Zwagermans Americana

 

De Verenigde Staten van Amerika spelen in het leven en werk van Joost Zwagerman een hoofdrol. Een groot deel van de essays die hij de afgelopen twintig jaar schreef, gaat over Amerikaanse literatuur, beeldende kunst en popmuziek. Vaak ook verwijst hij naar Hollywood-films als hij daarin exempels meent te herkennen van de moderne samenleving. Uit de stukken spreekt vooral een grote fascinatie voor bestsellerauteurs die in de vorige eeuw beroemd werden: Bret Easton Ellis, Jay McInerney, David Americana.jpgLeavitt en Dave Eggers. De Beat Generation. Philip Roth, John Updike, Norman Mailer, Henry Miller en Truman Capote. Een essay uit In het wild (1996) vangt aan met: ‘Bret Easton Ellis behoort voor mij tot het soort schrijver wiens ambities, werkwijze en motieven meer affiniteit opwekken dan het werk zelf’ (blz. 113). Achter deze zin gaat een essentieel element schuil van Zwagermans essayistiek: schrijvers zijn niet alleen interessant vanwege wat ze geschreven hebben, maar ook vanwege wat ze met hun boeken willen bereiken en/of weten te bewerkstelligen. Zwagerman beschrijft in veel van zijn essays vanuit literair-sociologisch perspectief de drie-eenheid van schrijver, werk en literatuur. Herhaaldelijk laat hij zien wat de schone letteren zoal teweeg kunnen brengen op deze planeet. In Transito, de bundel uit 2006, verzucht hij in een essay over Allen Ginsberg en de Beat Generation: ‘Tegelijkertijd wekt het verwondering en ontzag dat literatuur in dat tijdsgewricht kennelijk zoveel vermocht dat al die enorme effecten eraan konden worden toegeschreven.’ Maar hij voegt daar direct aan toe: ‘Vergelijk dat met onze tijd en onze literatuur, en het valt op dat veelgelezen boeken nauwelijks inspirerende vergezichten kunnen én willen bieden op een nabije toekomst […] (blz. 215). Het gebeurt dus vooral aan de overkant en niet hier.’

Eveneens in Transito bekent hij in het stuk ‘Met de vrije slag’ onomwonden zijn liefde voor Amerika: ‘De waarheid is dat je je op basis van jarenlang goed kijken, lezen en luisteren een halve, en soms ook stiekem een hele Amerikaan kunt wanen. Vandaar dat je na verloop van tijd een niet op paspoortgegevens steunende schok der herkenning ervaart bij het zien of terugzien van scènes uit, zeg, Taxi Driver of Casablanca, bij het horen van David Byrne of Lou Reed, bij het lezen of herlezen van Salinger, Kerouac, DeLillo of Raymond Carver.’ (blz. 98). Zwagerman geeft weer hoe hij, toen hij heel jong was, in de ban raakte van de Amerikaanse cultuur, die hem in de jaren die volgden bijna dagelijks bezighield. Hij had het sterke gevoel dat hij zichzelf erin terugvond: ‘Zo gaat het namelijk met het denkbeeldige Amerika uit je jeugd en uit het heden: je maakt kennis met het land waar je vanaf grote afstand al sinds lang in bent geworteld, niet virtueel, noch irreëel, maar juist intens zintuiglijk en doorvoeld.’ (blz. 99).

Leven en werk
Zwagermans fascinatie voor Amerikaanse schrijvers en kunstenaars die een omwenteling wisten te veroorzaken of die met hun werk en of manier van leven zorgen voor de nodige opschudding, leidt in de jaren negentig tot een verzameling goed gedocumenteerde uiteenzettingen over het leven en werk van de trans-Atlantische helden. In de meeste gevallen betreft het literatoren: we lezen hoe Henry Miller allerlei waarzeggers bezoekt, net zolang tot hij er een vindt die voorspelt dat hij de Nobelprijs zal krijgen, hoe William Burroughs zijn vrouw per ongeluk door het hoofd schiet tijdens een feestje, hoe Norman Mailer met advertenties in de krant reageert op de negatieve recensies over zijn werk, hoe Truman Capote bij herhaling verkondigt een relatie te hebben gehad met Albert Camus en hoe Gore Vidal dat ‘een van de meer knullige verzinsels’ noemt, ‘van een doorgaans toch inventieve pathologische leugenaar’.

Americana2.jpgDergelijke anekdotes verluchtigen de uitvoerige beschrijvingen en analyses van de belangrijkste romans van de verschillende auteurs. De connectie met zijn eigen werk wordt met sommige stukken verdedigbaar. Zo schrijft hij over de debuutroman van Jay McInerney: ‘Bright Lights, Big City las ik vier keer: tweemaal in het jaar van verschijning 1984, ik was toen twintig, daarna nog eens in 1987, en de laatste keer in de zomer van 1998’ (Pornotheek Arcadië, blz. 151). Zwagerman vat de inhoud van deze roman als volgt samen: ‘Bright Lights, Big City toont het hedonisme en het onbehagen van een jonge New Yorker in de jaren tachtig van de vorige eeuw, het decennium van yuppificatie, cocaïne en snel succes. Met de schildering van de grootstedelijke overvloed en van de fixatie van de hoofdfiguur op de iets te florissante disco’s, het iets te snel verdiende geld, de iets te hippe meisjes, en de iets te lekkere drugs raakte McInerney een snaar bij met name een jong leespubliek’ (blz. 151). Het is een bijna perfecte samenvatting van zijn eigen, in 1989 verschenen, roman Gimmick!, die een soortgelijke thematiek beschrijft rond een clubje Randstedelijke kunstenaars. Zwagerman gebruikt het werkwoord yuppificeren ook in ‘Íngeburgerd anarchisme’ uit de essaybundel Het vijfde seizoen, wanneer hij een verband legt tussen Amerikaanse kunstenaars als Jeff Koons en Keith Haring en de kunstscene van zijn eigen roman: ‘In Gimmick! liet ik een van mijn personages, een geyuppificeerd titaantje, beweren: “De musea trekken meer bezoekers dan de Efteling of Disney World. Sterker, het museum ís een Disney World” ‘(blz. 124/125). Raam, Groen en Eckhardt uit Gimmick! doen het dus net zoals hun beroemde Amerikaanse collega’s: ze omhelzen de marketingstrategieën van de popmuziek en overbruggen daarmee de kloof tussen wat genoemd werd de hogere en lage cultuur. Ook personages uit latere romans lopen de kans om zichzelf tegen te komen in de vorm van een Amerikaans alter ego. In ‘Het fluwelen vacuüm’ uit Transito schrijft Zwagerman: ‘Toen ik in 2000 American Beauty zag, herkende ik in Lester direct een verwant van mijn antiheld uit een Hollandse slaapstad, Theo Altena, die ik in De buitenvrouw zijn credo laat verkondigen: “Leef zo dood mogelijk, alleen dan is er kans op vroegtijdige verzoening met de échte dood”’ (blz. 86).
Het zijn interessante, maar zeldzame momenten waarop de romanschrijver Zwagerman in zijn essays een kijkje in eigen keuken geeft. Aanvankelijk valt zelfs op hoe hij zelf buiten beeld probeert te blijven. Uit de onderwerpskeuze valt op te maken waar zijn interessegebieden liggen en af en toe leeft hij zich uit in een positieve bespreking van een meesterwerk, maar waar precies de beschouwing ophoudt en de bewondering begint, blijft in veel gevallen de vraag. Over Norman Mailer Americana3.jpgschrijft Zwagerman: ‘[…] het lijkt me onwaarschijnlijk dat er ergens ter wereld een onverdeelde Mailer-liefhebber bestaat. […] Mailers “defecten” als schrijver springen daarvoor te zeer in het oog. Hij kan vaak geen maat houden. Zijn stijl kan zó gezwollen zijn dat het onbedoeld komisch wordt. Zijn woeste ideeën over “echte seks” kietelen de lachspieren en fnuiken het libido. Suspense en subtiliteit leggen het nogal eens af tegen exclamatie en moedwillig duistere lyriek. Zijn stilistisch pronken wordt vaak ronken’ (Pornotheek Arcadië, blz. 61). Na zo’n alinea verwacht je niet het stuk dat volgt: een prachtig overzicht van de hoogtepunten uit Mailers oeuvre, dat iedereen die nog nooit een letter van deze schrijver heeft gelezen onmiddellijk naar de bibliotheek doet snellen.
De vragen die zo’n essay oproept, zijn: wat beoogt de auteur met zo’n uitvoerige studie over een collega die hij zo slecht vindt schrijven? En: is het in de drie-eenheid van schrijver, werk en literatuur niet in de eerste plaats van belang dat het werk van hoge kwaliteit is? In een essay van enkele jaren later doet Zwagerman verslag van het interview dat hij met Mailer had. Diens oeuvre is dan inmiddels behoorlijk in zijn achting gestegen: ‘hier [stond] een man wiens kwaliteiten als schrijver veel te groot waren om in bekrompen termen van imago en autobiografisme te typeren: dit was de schrijver van […] de beste non-fictieroman die Amerika ooit heeft voortgebracht: The Executioner’s Song […], dit was, eveneens, de man die uit principe wisselde van stijl omdat ieder nieuw boek weer een nieuw register, een nieuwe toon vereiste (Het vijfde seizoen, blz. 195). Zwagerman voert in het essay zichzelf bovendien op in de derde persoon, dit in navolging van de geïnterviewde, die in verschillende romans het personage Norman Mailer laat figureren; het stuk heeft alles van een eerbetoon.

Maatschappelijke context
Amerika is in de essays van Zwagerman hoofdzakelijk een land vol schrijvers, dichters en kunstenaars. Verder wonen er interessante romanpersonages en worden er belangwekkende speelfilms gemaakt. En dan heb je ook nog de gewone mensen. In het begin van het nieuwe millennium krijgt Zwagerman klaarblijkelijk plotseling de behoefte hier zijn licht eens over te laten schijnen: ‘Het grootste deel van de Amerikanen woont niet meer in een dorp of, op z’n Vlaams gezegd, de grootstad, maar in de slaapstad, de buitenwijk, de suburbs. […] De buitenwijk annex slaapstad is sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw een essentieel onderdeel geworden van het gewenste en gekoesterde zelfbeeld van de Amerikaan uit de middenklasse’ (Transito, blz. 82). Hoewel uit Americana4enquêtes is gebleken dat de slaapstedelingen relatief gezien het meest tevreden zijn over hun woonomgeving overheerst er volgens Zwagerman over de suburbs een zeer negatief beeld. Dit beeld wordt, zo maakt hij duidelijk, opgeroepen door wetenschappers en schrijvers die er de banvloek over uitspreken, nadat ze zelf van de suburbs naar de stad zijn verhuisd. ‘Het is typisch het traject van de intellectueel of kunstenaar die een bourgeois- of middenklassemilieu ontvlucht en de Cosmopolis van de bohémien binnentreedt. De meest inktzwarte sociologische en antropologische studies naar de cultuur van suburbia zijn geschreven door intellectuelen die zelf ooit hun vestiging in de ‘grootstad’ als een bevrijding hebben ervaren’ (blz. 84). Op zo’n moment gaat Zwagerman letterlijk zijn boekje te buiten. Hij heeft het ineens even niet meer over literatuur, kunst of popmuziek en probeert zijn sociologische kennis toe te passen op de echte wereld. Hij raakt de grip op het onderwerp kwijt en verliest zich in globale classificaties en typeringen, abstracties waar statistieken bijhoren omdat ze anders nietszeggende begrippen vormen en er uitspraken ontstaan die tegelijkertijd waar en onwaar kunnen zijn. ‘de Amerikaan uit de middenklasse’, ‘de intellectueel of kunstenaar’, ‘de Cosmopolis van de bohémien’, het zijn bovendien formuleringen die lijken te zijn overgenomen uit AO-boekjes uit de jaren vijftig.
Zwagerman vervalt helaas wel vaker in dit soort taalgebruik, bijvoorbeeld in het eerdergenoemde essay ‘Ingeburgerd anarchisme’: ‘Rondom Warhol ontstond in de loop van de jaren zestig een entourage die typerend is voor de vervanging van de bohémien door een heel andere gestalte uit de Amerikaanse subcultuur: de drop-out, de outsider, de junkie, de nay sayer. Zo de bohémien nog bestond, dan was deze niet langer een vooruitstrevende en geëngageerde idealist, maar een grimmige rebel afkomstig uit de onderbuik van de samenleving (Het vijfde seizoen, blz. 124).
Americana5.jpgEn over William Burroughs: ‘William Burroughs begon zijn ochtend als een realist met journalistieke trekjes, beleefde de middaguren als surrealist en literaire terrorist om vervolgens de avond in te glijden als traditionalist (Pornotheek Arcadië, blz. 58). Met dergelijke veralgemeniseringen doet Zwagerman afbreuk aan de overtuigingskracht van zijn essays. Juist op de momenten waarop hij ingaat op de specifieke eigenschappen van ‘zijn’ Amerikaanse schrijvers/kunstenaars en de interessante eigenaardigheden van hun werk ontstaan er heldere, informatieve stukken die de nieuwsgierigheid prikkelen. Bewandelt hij deze weg in tegenovergestelde richting door het bijzondere in grotere maatschappelijke contexten te plaatsen, dan vervalt hij in een vaagheid die beter past bij een politicus dan bij een literair auteur.
Zwagerman kreeg voor zijn essays vele lovende kritieken. Pornotheek Arcadië en Het vijfde seizoen bereikten de longlist van de Gouden Uil en de AKO Literatuurprijs. Als beschouwer van de (Amerikaanse) cultuur mag hij dan ook vergeleken worden met wat Vestdijk was voor de klassieke muziek en Wolkers voor de beeldende kunst, mits hij zich beperkt tot de onderwerpen waar hij werkelijk kijk op heeft. Het is de drie-eenheid van schrijver, werk en literatuur (kunstenaar, werk en kunst) die de grenzen van zijn ideografie bepaalt. Binnen die grenzen is hij, om met NRC Handelsblad te spreken, inderdaad ‘een van de best schrijvende essayisten van dit moment’.



Dit artikel verscheen eerder in het maart-april 2010 nummer van Passionate Magazine, een special over Joost Zwagerman.


Ronald Ohlsen (1968) bracht onlangs zijn derde roman uit, getiteld Het geheugen van Herman Blauw, een ingenieus opgezette literaire thriller en een onverbloemde aanklacht tegen de misdaadjournalistiek in Nederland. Ohlsen woont met vrouw en kind in de stad Groningen en is als docent verbonden aan de RUG.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s