IJstijd

Ik ben acht jaar oud en lig in mijn slaapkamer met mijn ogen open te wachten tot de oppas thuiskomt van de ouderavond. De oppas heet Miranda, ze zegt dat ik alvast in bed moet gaan liggen omdat er tussen 20.00 en 21:00 niemand is om op me te passen. Ze zegt: ‘Ik ben namelijk de oppas, hè, James?’ Ze draait met haar slanke hand de bovenkant van de eierwekker die op het nachtkastje staat op precies een uur, verder kan een eierwekker niet denken. ‘Als de bel gaat, ben ik terug,’ zegt ze, ‘jij blijft in bed liggen, daar kan je niets gebeuren. Beloof je dat?’ Ik denk dat ik moet beloven dat er in bed niets kan gebeuren en ik beloof het.
Het is benauwd in de kamer, ik lig op mijn zij in alleen een onderbroek en luister naar de eierwekker, hoe de tijd tikt. In het begin van de zestig minuten is Miranda meer weg dan terug, maar als ik lang genoeg wacht en lang genoeg naar de eierwekker kijk is ze meer terug dan weg. Ik zuig op mijn duim, ook al weet ik dat jongens geen duim horen te zuigen en dat het slecht is voor je tanden. Ik wens een broertje, of in ieder geval iemand die hetzelfde bloed heeft als ik, Miranda’s zijn er genoeg, de hele wereld is een Miranda, maar echte familie heb ik niet, mensen die voor altijd blijven, min of meer per ongeluk.
Wel heb ik net als iedereen een vader en een moeder. Mijn vader zit bij de landmacht, hij is naar Bosnië gestuurd om de mensen te beschermen, hij moet mensenlevens zien te redden, zegt hij. ‘Ze hebben me hier echt nodig, zoals ze jouw grootvader ook nodig hadden, in de Tweede Wereldoorlog.’
Mijn moeder is een zakenvrouw, ze werkt altijd. Wat voor zaken ze precies doet weet niemand. ‘Zaken zijn zaken,’ zegt ze. Voor het geld hoeft ze het niet te doen, geld zat, maar ze zegt dat ze gek wordt als ze niet werkt. Ze zegt: ‘Meer gekken kunnen we niet gebruiken.’ Ze zegt dat ik haar altijd kan bellen als er iets is. Als ik haar om een broertje vraag, zegt mijn moeder: ‘Aan één kind heb ik meer dan genoeg.’ Ik probeer te geloven dat ze het lief bedoelt: dat ze genoeg heeft aan mij alleen, maar ik hoor haar ook zuchten. Ik ken het zuchten van mijn moeder heel goed, je moet op dat soort dingen letten om te weten wat ze echt bedoelt.
Als Miranda terugkomt van de ouderavond (de bel van de eierwekker is nog niet eens gegaan), komt ze op de rand van het bed zitten, haar billen raken mijn been. Eerst pakt ze het ei op en schuift de tijd naar voren; de bel gaat af.
‘Ik ben terug,’ zegt ze. ‘Je hebt goed geluisterd.’
Ik vraag me af hoe Miranda dat weet terwijl ze er niet was, misschien hebben ze op school gezegd dat ik goed luister in de klas, maar dat is niet waar, ik luister nooit. Op school vertellen ze dingen waar je niets aan hebt, zoals rekensommen. Mijn vader zegt dat school overschat wordt, dat je het echte leven moet leren door het echte leven te leven. ‘Je komt er nog wel achter, het is zoiets als een geheim dat beter bewaard had kunnen blijven. Hier in Bosnië zijn jongetjes…’ en dan stopt hij zijn verhaal. Hij moet ophangen, net als mijn moeder. Ik bedoel: mijn vader en moeder praten met me door de telefoon, maar ze moeten altijd ophangen. Ik heb mezelf geleerd om na het ophangen naar de hoorn te luisteren waar ze gebleven zijn, voor een kort moment lijken ze heel dichtbij, maar alles wat overblijft van hun stemmen is ruis, en daarna niets.
Miranda’s stem klinkt hol in de slaapkamer, ze zegt: ‘Ik heb gevraagd of het normaal is dat een jongen van acht in de tegenwoordige tijd praat, ook als het over de verleden tijd gaat. Ik heb gevraagd: klopt het dat hij nooit in de verleden tijd praat, dat hij niet kan vervoegen? Moet ik me zorgen maken?’
Miranda heeft haar handen plat op mijn bed liggen, naar haar heupen, alsof ze zich omhoog wil duwen, haar knokkels zijn wit en op een ervan zit een donker bloedkorstje. Haar nagels zijn rood gelakt, om haar ringvinger zit een gouden ring met een klein paars steentje, aan de binnenkant van de ring staat de naam Remco.
Ik heb Remco nog nooit bij ons thuis gezien, hij kan niet mee om op te passen want Remco moet zelf ook werken, hij heeft een eigen bedrijf, iets met bakstenen. Miranda neemt soms foto’s mee van Remco in korte broek, hij duwt een kruiwagen of steekt zijn duim op naar de camera. Ze maakt ook foto’s van mij om aan Remco te laten zien. ‘Zo zijn jullie toch een beetje in elkaars leven,’ zegt ze.
Miranda kijkt heel droevig, ze pakt de eierwekker van het nachtkastje, haar kont zakt extra diep mijn bed in nu ze zichzelf niet meer tegenhoudt met haar handen, en ik wacht op het antwoord op de vraag die ze op school heeft gesteld; of het normaal is.
Na een lange stilte zegt ze: ‘Het is schijnbaar geen probleem, voor veel jongeren van jouw leeftijd bestaat alleen de tegenwoordige tijd, ook al klopt er niets van qua volgorde, natuurlijk. Het komt allemaal nog wel.’
Ik denk aan de volgorde waarin ik mijn viltstiften altijd netjes op moet ruimen van mijn vader: wit, lichtgrijs, grijs, zwart, bruin, et cetera. En mijn moeder zegt: ‘Als je ze maar allemaal terug in de doos legt, het maakt niet uit waar, want de kleur blijft toch hetzelfde. Dingen veranderen nu eenmaal van plek.’

IJstijd van Maartje Wortel verschijnt 9 januari bij De Bezige Bij. Ca. 240 pagina’s, ISBN 978 90 234 8541 4, verkoopprijs ca. € 18,90

Maartje Wortel (1982) debuteerde met de verhalenbundel Dit is jouw huis, waarvoor ze de tweejaarlijkse Anton Wachterprijs ontving. Met haar eerste roman Half mens werd ze onder andere genomineerd voor de Opzij Literatuurprijs en de BNG Nieuwe Literatuurprijs. IJstijd is haar tweede roman.

Beeld: Keke Keukelaar

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s