Mijn moeders naam hangt aan de grote klok

Mijn moeders naam hangt aan de grote klok

Mijn moeders minst grote geheim is haar voornaam
Nog nooit heb ik haar ‘heks’ genoemd
Zelfs niet toen ze me wilde doodslaan
In een zonnebankcentrum in Mechelen
Waar ik de vloer had afgezocht op zoek naar haar parels.

Het waren valse parels
Ik vond ze alle 37 achter de rechterhiel
Van een Indonesische boeman
Toen hij ‘bleekscheet’ tegen mij zei
Besefte ik dat hij geen standbeeld was.

Terwijl mijn moeder aan het roosteren was
Legde ik uit aan de Indonesische baas hoe
Mijn moeder aan de parels was geraakt
Lang geleden toen ik nog geen week oud was
Had ze zich laten bedotten door een vurige ezeldrijver
Die nog geen week vader was.

Mijn moeders minst kleine wonde is haar dochter
Nog nooit heeft ze mij hardop verwenst
Zelfs niet toen ze me wilde doodslaan
In een zonnebankcentrum in Mechelen
Het is het zonnebankcentrum van de eerste strofe, ja.

Nadat mijn moeders schouderbladen geblakerd waren
Verscheen ze in een rood kleed met melkvlekken
Ze zag mijn nakende vriendschap met de Indonesische uitbater
Ze vloog op mij af
Ik liet de parels vallen
Om mijn gezicht af te schermen.

Het was een heimweegezicht met een mond halfvol echte tanden
De Indonesische engel kwam tussenbeide
Hij redde ons
Maar wie redde hij het meest?

Zeevruchten naast een haarangstige schrijnwerker

Ik eet scampi’s naast een haarangstige schrijnwerker
Voor ik mijn maaltijd bestelde wist ik niet
Dat de man schrijnwerker was
Na de moeizame verorbering van de garnituur
Bekent de schrijnwerker dat hij bang is van haar.

‘Haarangst komt meer voor dan je denkt,’ beweert de schrijnwerker
‘De wetenschappelijke term is trichofobie,’ zegt hij nog
Ik vraag: ‘Ben je uitsluitend bang van mensenhaar of ook van manen?’
Hij snuift misprijzend en inhaleert een scampistaart
Een Taiwanese ober zonder linkerpink redt hem van de verstikkingsdood.

Ik verlaat de herberg en ga te voet naar huis
Onderweg kom ik driehonderd merels tegen
Slechts veertien zijn profetisch
Twee van de veertien voorspellen in koor
Dat ik vandaag een tachtigjarige zal zalven
En dat ik daarna een kurkentrekker van hem zal stelen.

Terug thuis lees ik rechtstaand een fabel
Over blinde mannen die stukjes olifant ontheiligen
Terwijl ik de fabel leest verliest een schoenmaker
Zijn affectie voor zijn leeuwentemmende zoon in de straat
Na de moraal ben ik nauwelijks een slurf wijzer.

Ik ga naar het huis van de oude kruisboogschutter
Hij vraagt of ik zijn voeten wil insmeren
Met ontstekingsremmende zalf die ruikt naar laxerende thee
Ik zeg: ‘Nee! Dit is niet het zalven die de merels voor mij hebben bedacht…’
Toch steel ik even later een kurkentrekker.

De oude kruisboogschutter vraagt hoe
De maaltijd met mijn stiefvader is verlopen
‘Hij is bang van haar,’ antwoord ik
‘Maar niet van manen, denk ik.’
De kurkentrekker valt uit mijn broekspijp
Maar de oude kruisboogschutter is niet kwaad
Want hij denkt dat het een crucifix is.


Delphine Lecompte (1978) debuteerde met de dichtbundel De dieren in mij, dat de C. Buddingh’-prijs 2010 won als beste poëziedebuut van het jaar. Onlangs verscheen haar vijfde bundel De baldadige walvis bij De Bezige Bij Antwerpen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s