De favoriete songtekst van Menno Wigman

In zijn opiumdagboek beschrijft Jean Cocteau een bezoek aan de rue Blanche waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Omdat de straat geen enkele herinnering bij hem oproept sluit hij zijn ogen en laat hij zijn rechterhand langs de huizen glijden, net zoals hij vroeger deed als hij uit school kwam. Nog steeds herkent hij niets. Opeens realiseert hij zich dat hij vroeger veel kleiner was en dat zijn hand niet meer langs dezelfde oneffenheden glijdt. En dan, terwijl hij zich bukt en nog één keer langs de huizen strijkt, ziet hij alles weer voor zich: zijn cape, het leer van zijn tas, het vriendje waarmee hij door Parijs naar huis liep, de gemarmerde kaft van zijn aantekenboekje – alsof de naald eindelijk de juiste groeven had gevonden om hem de ‘muziek van de herinnering’ terug te schenken.
Lang vergeten dat ik een platenspeler had. Twee weken geleden laten repareren. Daarna onafgebroken naar oud vinyl zitten luisteren. Vooral m’n singletjes van The Nitwitz, The Workmates, De Rondos en The Exploited moest en zou ik weer luisteren. Toen ik daarna Stations van Crass hoorde wist ik opeens weer waarom ik was wie ik ben. Waarom ik nooit echt in ‘de werkende wereld’ terecht ben gekomen. Waarom ik zo’n hekel aan ministers had. Waarom ik kerken haatte. Waarom ik huwelijken, middenstanders, schoonheidswedstrijden, auto’s, stemformulieren en hitparades haatte.
Inmiddels gaat dat haten me wat minder makkelijk af, maar godverdomme, wat een valse bedoening was de wereld waarin ik op moest groeien. Eigenlijk moest alles kapot. Zeker als je naar de stem van Steve Ignorant luisterde. Iedereen kon een trap in zijn maag krijgen. Militant was wel het minste wat je over Crass kon zeggen. Alleen al die agressieve gitaren – en dan die drums, die ademloze tweekwartsmaten en militaristische oorlogsroffels van Penny Rimbaud, de alom aanwezige drummer die zich naar de grote Rimbaud had vernoemd en de schrijver was van al die tergend scherpe teksten die me op mijn jongenskamertje zo intimideerden. ‘I vomit for you jezu, christey christus, I puke upon your papal throne.’ Of: ‘Jesus died for his own sins, not mine.’ Als het over zoiets als ‘klassenstrijd’ ging klonk het cynisch: ‘Middle class, working class, it’s all a load of shit.’ Ook de Tweede Wereldoorlog kwam regelmatig langs, maar anders dan ik in m’n geschiedenisboekjes las: ‘Shaved women! Collaborators! Shaved women! Screaming babies!’ En over alles hing de doem van de Koude Oorlog, het vooruitzicht op een atoomoorlog, de ‘deadly rain’ van de nachtmerrie die Nagasaki was (wat is een bebaard rotjochie met een rugzak in de metro, denk ik wel eens, vergeleken met de gedachte dat de wereld veertienvoudig verwoest had kunnen worden?)
‘Upright citizen’ is geen poëtische tekst, godbewaarme. Het is een aanklacht, zo schuimbekkend dat het voor mij destijds niet minder dan een credo was. Nooit kreeg ‘de gewone man’ het zo voor zijn kiezen. Nog steeds hoor ik mezelf wel eens denken: ‘How much are you bought for? A tenner, a fiver, is that what you’re caught for?’

Upright Citizen

You have this life, what for? tell me.
Spend it on shit, your ignorance appals me.
You serve me your morals, changed for a fiver,
upright citizen, Penthouse subscriber.
You won’t print the word, but you’ll beat up the wife
in your ignorant, arrogant, terminal life.
You have this life, you deprive me of mine,
with your twisted, imbalanced idea of sin
that revolves around money; how much are you bought for?
A tenner, a fiver, is that what you’re caught for?
I’m sick of your pride, you think you can rule me
with crappy judgements from your respectable majority.
Majority of what? You self-oppressed idiot,
I’m not going to carry you, I’m no compatriot.
How many times do I excuse and forgive
the damage inflicted by the way that you live?
I hold my vision against your aggression,
your final defence, your only possession.
I’ll show you the blood, but you still point the gun,
if the money’s enough, or can you show you’re a man
to your submissive wife, desperate whore,
home-loving, mothering, stifling bore?
You have this life, you twist and abuse it,
morals and money and media controls it.
Can’t you see the dead children, blood in the street?
Every fist that you raise is a corpse at your feet.
Every time you are bought, I don’t care the amount.
You are the rapist, dealing in death count.
And you do this with mercenary morals, you shit.
Oh, you’ve been told about dignity down in the pit.
Respectable working man, honourable wife?
A waste of energy and an insult to life.

Tekst: Penny Rimbaud, muziek: Crass. Op: Stations of the Crass (1979)


Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en bloemlezer. In 1997 debuteerde hij met ’s Zomers stinken alle steden. Zijn bundel Zwart als kaviaar (2001) werd bekroond met de Jan Campertprijs. In 2006 schreef Wigman de gedichtendagbundel De wereld bij avond. In 2012 verscheen zijn, inmiddels vijf maal herdrukte, dichtbundel Mijn naam is Legioen. Hij is Stadsdichter van Amsterdam. Eind 2013 verscheen De vrede moe, een boek met gedichten van Wigman en foto’s van Diana Scherer, dat geïnspireerd is op het fotoboek Moord in Rotterdam.

Deze editie van Losgezongen verscheen eerder in het juli-augustus 2006 nummer van Passionate Magazine.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s