Header Thomas van Aalten @ Robert Lagendijk - header

Thomas van Aalten: Een pleidooi voor de outsider in een steeds eenvormiger wereld

Leeuwenstrijd, de zevende roman van Thomas van Aalten (1978), biedt een panoramische blik op Nederland in de afgelopen honderd jaar. In eerdere boeken nam Van Aalten hedendaagse problemen onder de loep door een nabije toekomst te verkennen. Nu portretteert hij het heden door het verleden te onderzoeken. Het gedetailleerde historische decor wisselt tussen de crisis in de jaren dertig, de Duitse bezetting, studentenprotesten in de jaren zestig, antikernwapendemonstraties begin jaren tachtig, de hedonistische jaren negentig, Occupy en social mediarellen nu. Aan de hand van vier vaders en zonen uit de familie Dona, duidt Van Aalten de stand van het land. Van Aalten: ‘Het is een roman over conflicten tussen ideologieën en generaties. De zonen in dit boek hebben andere opvattingen over hoe het leven ingericht moet worden dan hun vaders, maar de personages vervullen beide rollen.’

Behalve schrijver is Van Aalten ook docent Tekstschrijven binnen de opleiding Media, Informatie en Communicatie aan de Hogeschool van Amsterdam. Ik ontmoet hem op vrijdagmiddag in een café rond de Amsterdamse Stadsschouwburg, aan het einde van een lesdag. Hij draagt een pak met rode das, want na het interview gaat hij door naar het Boekenbal. Maar volgens een van zijn studenten zijn de mouwen van zijn overhemd te lang en de pijpen van zijn broek te kort. Van Aalten staat op om het te laten zien. Moet hij straks toch nog langs huis? Ik zeg dat hij er in mijn ogen prima uitziet en informeer naar de dresscode. Die is er niet en Van Aalten gaat weer zitten voor een gesprek over generatieverschillen, idealen, en wat het verleden over het heden vertelt.
Aalten1In Leeuwenstrijd komen de vier generaties van de familie Dona in afzonderlijke hoofdstukken aan het woord. Het verhaal begint bij de vierde generatie. Luca stoort zich aan zijn onverantwoordelijke vader Salvador, die eeuwig kind wil zijn. Zelf wil Luca niets liever dan ouder worden. Salvador werkt in de reclame. Tijdens de jaren negentig maakte hij carrière in de wereld van het grote geld, maar als gescheiden veertiger worstelt hij met de leegte van zijn bestaan. Salvador heeft meer gemeen met zijn grootvader Gino dan met zijn vader Eduard. Babyboomer Eduard voelt zich als student in de jaren zestig sterk aangetrokken tot het socialisme en ontwikkelt zich tot een bijna rigide wereldverbeteraar. Zijn deelname aan protestmarsen kunnen niet op begrip van zijn vader rekenen. Gino, telg uit een communistisch georiënteerd Italiaans mijnwerkersgezin in Limburg, werkt zich op van ongeschoolde arbeider tot kantoorklerk met een materialistisch comfortabel leven als enige ideaal.

Je zegt dat in ieder personage een kwart van jezelf zit. Wat is de overeenkomst tussen deze, op het eerste gezicht, verschillende karakters? Wat hebben ze met elkaar en met jou gemeen?
Van Aalten: ‘Het schizofrene: ik word gevormd door een kwart van al die eigenschappen. Ik ben bekend met de sigarenlucht in een grote villa, met mensen die zogenaamd de droom leven met champagne. Dat heeft ook mijn sympathie. Maar ik zou gillend gek worden op een borrel van de jongerenafdeling van de VVD. Dan zou ik een plaat van the Sex Pistols draaien om me ertegen te verzetten. Maar als ik het miezerige hoopje mensen van Occupy zie tussen hun tenten, of een vrouw van de wereldwinkel die een handje zemelen aanprijst, word ik daar ook weer opstandig van. Ik ben voortdurend in conflict over mijn opvattingen.’

Dat innerlijke conflict is terug te zien in de strijd die de zonen met hun vaders leveren. Laten we beginnen bij de eerste generatie. Gino verafschuwt de communistische denkbeelden van zijn autoritaire vader zodanig dat hij sympathie ontwikkelt voor het fascisme. 
‘Ik snap die heftige politieke idealen. Ik begrijp heel goed dat als je vader een drankzuchtige communist is, je als veertienjarige bedenkt dat de beste manier om hem dwars te zitten, is om je tot de ideologie te wenden die hij het meest verafschuwt. Gino’s fascisme gaat nog niet over concentratiekampen en uiteindelijk komt hij tot inkeer. Maar kinderen moeten zich afzetten tegen hun ouders. Dat is gezond. Net als dat je je tanden wisselt, moet je ook van identiteit wisselen.’

Uiteindelijk verruilt Gino zijn droom van circusartiest voor een materieel comfortabel leven. Zijn zoon Eduard zet zich daar tegen af. Hij is een geëngageerde leraar Maatschappijleer, type geitenwollen sokken en voortdurend bezig zijn buurt te ‘verheffen’. Herken je die idealen?
‘Nee, dat herken ik niet, maar de paternalist in mij staat wel op als ik op straat in Slotervaart, waar ik woon, vechtende jochies zie. Ik spreek ze aan in hun eigen taal: “Jongens, doe effe normaal. Ga wat nuttigs doen. Lees eens een boek.” Je kunt natuurlijk net zo goed tegen een gehaktmolen praten, maar dit kan ik niet laten. “Doe wat met je leven!” Ik ben allergisch voor lethargie. Ik schrik wel eens van de leegte bij mijn studenten. Alles moet mediageniek, ‘likebaar’ zijn. Het eerste jaar zijn ze erg gericht op de franje. Ze willen allemaal werken bij een sportzender of glossy. Mij interesseert het niet wát iemand wil worden als hij het maar héél graag wil. Dus niet het symbolische duimpje omhoog, ‘vind ik leuk’, en verder niets. Dan gaan bij mij de stoelen door het lokaal.’

Salvador, zoon van de idealistische Eduard, kiest in navolging van zijn grootvader voor het grote geld en maakt in de jaren negentig carrière in de reclame. Uiteindelijk gaat hij naast zijn baan lesgeven. Heeft dat een idealistische grondslag?
‘De een gaat yoga-en, een ander gaat golfen en hij gaat lesgeven, zo omschrijft hij het zelf. Maar misschien schuilt er wel een vorm van micro-idealisme achter en heeft hij toch iets van zijn vader meegekregen. Salvador wordt moe van al die te blitse marketingtermen. Ik ben ook tegenstander van de bullshit bingo. Vooral als er iets eenvoudigs mee gemaskeerd wordt.
Tegenwoordig wordt alles in een effectiviteitsmal gegoten. Alles moet meetbaar zijn en in lijstjes te vatten. Falen is geen optie. Een deel van de jeugdwerkeloosheid wordt veroorzaakt doordat iedereen de beste baan op de beste plek wil hebben. Ondertussen bijten we ons in de staart, want er bestaat geen onderklasse meer van horrelvoeten, analfabeten en kwijlende monden. We zijn allemaal hoger opgeleid. Maar we hoeven toch niet allemaal altijd overal de beste te zijn? Het is niet verkeerd om maar één talent te hebben.’

Is die gedachte terug te zien in het personage Luca, een jongen die nergens in lijkt uit te blinken en nergens bij hoort?
‘Ik wilde een lans breken voor de outsider, de scholier die niet met alle winden meewaait. Ik hoop dat als hij de eerste pagina’s van het boek leest, zich herkent en denkt: aha, zoals ik anders denk, bestaat dus. Daarom heb ik dat personage gecreëerd.’

De omstandigheden waarin mijnwerkerszoon Gino opgroeit verschillen nogal van die  waarin zijn achterkleinzoon honderd jaar later opgroeit. Wat is, behalve de materiele vooruitgang, het meest typerende verschil tussen de generaties?
‘De afstand tussen ouders en kinderen is kleiner geworden. In veel gezinnen is alles bespreekbaar. Dat is positief, kinderen kunnen van hun ouders op aan. Maar soms slaat dat door en vervaagt het generatieverschil. Ik zie wel eens een vader in een klimrek hangen en dan denk ik: moet ik dat normaal vinden? Misschien is dit beeld typerend voor centrum Amsterdam, waar je behalve een goede auto ook een puike zoon hebt en die heet dan Blits. Als vaders en zonen beste vrienden worden, komt de identiteit van het kind in het gedrang. Je hoeft als vader niet de man te zijn die op zondag het vlees komt snijden, maar je helpt een kind door het te begrenzen en te leren wat verlangen is.’


Aalten2Je boek portretteert een eeuw Nederland. De aanslagen van 11 september worden vaak, al dan niet terecht, beschouwd als de belangrijkste gebeurtenis uit de recente geschiedenis. In jouw boek is deze gebeurtenis opvallend afwezig.

‘Een zin heb ik er aan geweid. 11 september heeft een vreemd bijeffect gehad. In de nasleep is onze samenleving verkrampter geworden. We zijn vermoeiende discussies gaan voeren over de multiculturele samenleving. Daarop volgden de financiële crisis en het debat rond veiligheid en privacy. Bij Salvador zie je terug hoe hij geconfronteerd wordt met de grenzen aan het bandeloze optimisme waarmee hij in de jaren negentig begon. Hij legt uit dat 11 september wel een kantelpunt was, maar vooral als inzet van de eigenlijke downfall. Als 11 september er niet was geweest, had een andere gebeurtenis dat proces wel in gang gezet.’

Wie in de geschiedenis duikt, gaat anders denken over tijd. Welk inzicht in de huidige tijd heb je gekregen door het verleden te bestuderen?
‘Nu ik weet van hoe ver we komen, zie ik dingen in perspectief. De mediahypes, de waan van alledag, stel ik me voor als Place de la Concorde. Dat is toch dat knettergekke verkeersplein in Parijs? Ik sta aan de zijkant, kijk ernaar en denk: het lijkt wel erg, maar uiteindelijk is dit land een toonbeeld van beschaving. Neem Amsterdam. Ieder stadsdeel zit in de lift. Over welke andere grote stad kun je dat zeggen? Natuurlijk is er ook een wanstaltige kant: mensen kunnen nog steeds primair als dieren reageren, maar Amsterdam is geen jungle.
Daar staat tegenover dat we een cultuur van restricties en regels zijn geworden. We vinden het normaal dat overal een mal voor is. Van Groningen tot Maastricht zijn alle ANWB-borden identiek. Voor de jongeren van nu is alles binnen handbereik. Ze zien op instagram dat hun idool een leuk jasje heeft gekocht, #leuke winkel, en gaan dat ook kopen. Mensen gaan steeds meer op elkaar lijken en modelleren zich naar een bepaald ideaal. Als je biotoop kleiner is, zul je genoegen moeten nemen met het geringe aanbod.’

Zijn we tegenwoordig niet meer bereid met weinig genoegen te nemen? Hebben we te hoge verwachtingen van onszelf?
‘Tegenwoordig moet alles top of the bill zijn. Ik begrijp dat niet, maar misschien heb ik makkelijk praten. Ik waan mij een gewone ambtenaar die met veel plezier tekstschrijven geeft. Wat daarnaast gebeurt, is mooi meegenomen. Een ander zou misschien denken: dit is mijn zevende boek, als dit niets wordt, stop ik met schrijven. Dat zal ik nóóit denken.
Laatst las ik een artikel over schrijvers die tien jaar geleden debuteerden. Hun debuten werden positief besproken, maar in aanloop naar het tweede boek verliep bij een aantal de samenwerking met hun redacteur niet goed, plannen liepen dood en vervolgens waren ze geen schrijver meer. Zo werkt het toch niet? Je bent schrijver of niet. Wat is er mis met één heel goed boek schrijven? Of een boek per tien jaar?
Iedere schrijver heeft een fase waarin hij niet weet waar het heen moet met zijn carrière, maar mijn mindset is altijd geweest om dóór te gaan. Mijn eerste vijf boeken kun je niet meer vinden in de boekhandel, maar moet ik daarover gaan huilen? Ik accepteer dat ik voor de boeken hiervoor wel literaire erkenning heb gekregen, maar geen breed publiek. Ik heb ook best rare verhalen geschreven. Ik snap dat die niet door iedereen werden opgepikt, maar over de kleur van mijn oeuvre ben ik niet onzeker. Ik heb altijd geschreven wat ik wilde schrijven.’

Zie ook: http://www.thomasvanaalten.nl/leeuwenstrijd/

Noor van der Heijden studeerde geschiedenis en proza in Amsterdam. Zij werkt als webredacteur en tekstschrijver voor diverse culturele instellingen. Sinds 2012 schrijft zij recensies en interviews voor Passionate Platform. Lees meer artikelen van haar hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s