Groenproza

Rivier

De man met het pistool in zijn hand staat vlakbij. Hij heeft zijn gerimpelde vinger om de trekker gevouwen. De toeschouwers zwijgen en ik zie dat sommige fans zelf hun adem inhouden.
Mijn mond is droog. Ik beweeg mijn tong en voel het zweet dat prikt onder mijn oksels. Mijn pak van kunststof ruikt nog steeds naar autobanden. Het knelt. Het is koud, en mijn oren suizen.
Ik kijk naar voren en zie niets, een zwart gat. Ik zet mijn bril nog eens recht en snuit mijn neus. De man strekt zijn arm. Hij richt de korte loop naar het dak van de hal.
De veters snijden mijn bloedvaten af. Mijn voeten knellen in mijn schaatsen. Als ik ze straks na de race uittrek zal je de witte vlekken op de huid zien waar het bloed een paar minuten niet heeft kunnen komen.
Tsjak, één ijzer stamp ik overdwars in het ijs. Nu stilstaan. Het linkerbeen naar voren. Zorg dat de schaatsen niet wegglijden. Ik sta bewegingsloos als ik nog een keer ademhaal. Borstkast. Omhoog, schouders laten ontspannen. In beide dijbenen trilt een spier. Ik kijk naar de man met het pistool.
Kan ik mijn tenen nog bewegen? Het bloed moet nog wel een beetje stromen. Zonder die warme gloed van het bloed is het alsof mijn tenen geen contact hebben met de ijsvloer. Ik kan mijn tenen een beetje wiebelen. Goed teken. Een beetje is al voldoende.
De schoen zit goed strak. Mijn wreef doet pijn. Als het pijn doet voel ik mijn schaatsen niet meer en als ik mijn schaatsen niet meer voel maken ze deel uit van mijn lichaam. Dat maak ik mezelf wijs. Pijn is goed. Pijn is éénwording. Pijn is controle.
Ik zak door mijn knieën.
Als het startschot klinkt ben ik niet langer een standbeeld maar een schaatser. Ik ren op mijn ijzers over het ijs. Als een puberjongen die met zwemvliezen aan een sprintje trekt langs de rand van het zwembad.

*

Vanuit mijn hotelkamer kijk ik uit over de snelweg naar het noorden. Onder mijn raam een parkeerplaats met een paar vrachtwagens. In de verte liggen de bergen aan de horizon. Het is zachtjes beginnen te regenen.
Het water van de douche moet nog heter. Ik draai aan de knop achter me en huiver als ik direct het verschil merk. De straal is dik en vol, mijn huid begint te gloeien. Ik maak mijn rug hol, draai mijn nek en kantel mijn hoofd naar achteren, plaats hem onder de straal en haal mijn handen door mijn haar. Ik proest het water van mijn lippen. Het klettert op de marmeren stenen.
Vanochtend was het stadion leeg, zoals altijd bij het inrijden. De hal lijkt daardoor nog killer. In de hoek bij de ijsverzorgingsmachines rommelde een oudere vrijwilliger met bezems en sneeuwschuivers. Hij rechtte zijn rug toen ik langskwam, keek me kort aan en ging toen weer verder met waar hij mee bezig was. Twee mannen met grijze baarden schuifelden verderop op moonboots over het ijs. Voorovergebogen controleerden ze de apparatuur waarmee de tijd wordt gemeten. Ik zie dat ze kort met elkaar spreken. Slechts een paar van de tweeduizend vale kuipstoeltjes waren bezet, door schoonmakers die even uitrustten. Hoog in de nok van het stadion hingen de luidsprekers waaruit schelle muziek klonk. Er waren nog vier andere schaatsers die rondcirkelden op het ijs.
Zes keer aanzetten, dat was genoeg voor de ochtend. En één keer een bocht schaatsen op volle snelheid. Ik richtte me op en liet de rijwind door mijn haren woelen. Een strakke cap om je hoofd getrokken voelt als een condoom. De spanning op de benen voelde goed. De klappen op het ijs waren raak. Ik voelde dat ik alle kracht die ik had in de ijsvloer duwde. Mijn zenuwen vloeiden daarna weg, de knoop in mijn maag verdween en de tijd interesseerde me niet meer. Het gaat straks toch zoals het gaat, hield ik mezelf voor. Het gaat zoals het gaat.
Mijn coach staat altijd aan de zijkant, met die eeuwige stopwatch in zijn hand. Of het gaat, vroeg hij toen ik voorbij zoefde.
‘Wat?’
‘Houd vast, laag zitten. Ja-ja-ja.’
Houd je kop toch. Ik negeer de tijd die hij doorgeeft.
Rondje 34-laag.
Als kind stond ik vroeger bij het hek van de school, lang voordat de eerste bel ging. In de winter was het vaak nog donker en de lantaarnpalen beschenen de klinkertjes. Het was alsof een tikkend kompas me elke dag naar dat plein dreef. Ik wachtte onder de bomen. Te laat komen doe je niet. Vind ik nog steeds. Pa heeft dat er trouwens ook wel ingestampt. Hij zei altijd: ‘De klok dicteert de werkelijkheid, niet andersom.’ Als je op tijd bent toon je aan dat je de omstandigheden de baas bent. Mijn horloge loopt altijd twee minuten voor.
Een rondje later keek mijn coach weer naar de stopwatch. Zenuwlijer.
‘34-9.’
Ik hield me in. Iets terugroepen heeft nooit zin. Ik had sneller in de rondte kunnen gaan en ik had ook trager kunnen rijden; het maakt in de ochtend niets meer uit. Het gaat in de ochtend om gevoel en gevoel kent geen rubricering. Een wijzer hindert het gevoel. Cijfers leiden af. Op een schaatsbaan ben je toch nooit op tijd, kom je altijd te laat bij de streep. In de wedstrijdanalyse na een race blijkt er altijd ruimte voor verbetering te zijn geweest. Altijd heb je onderweg naar de finish fracties van secondes laten liggen. Niettemin zet je altijd de snelste tijd op de klok als je zonder besef van tijd schaatst.
Op het bankje vroeg mijn coach hoe mijn benen voelden. Hij zei ook nog iets over de afzet en het valmoment. Ik mompelde wat terug, bezig mijn veters los te wrikken. ‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ga niet met het busje naar het hotel terug. Ik ga lopend.’

De douchegel ruikt naar amandel en zee. Het geurende sop verdringt de twijfel voor even. Nog vijf uur voordat de race begint. Eén verkeerde gedachte over techniek of twijfel over de start en ik ben verloren.
Schaatsangst.
Ik vrees vooral de start. Dat pistool. De wetenschap dat ik nog nooit mijn directe tegenstander heb verslagen nadat ik een valse start heb veroorzaakt, weet ik nauwelijks te verdringen. Ik draai de douche heter.

Wij schaatsers trainen onze techniek om sneller in de rondte te kunnen gaan, om de tijd in te halen. Maar één verkeerde beweging, ergens op een onbeduidend moment, één onachtzaamheid in de uren voordien en een nauwelijks te onderscheiden patroon begint zich al in te slijpen. De gestanste rituelen smelten, de bewegingen en procedures drogen op en verpulveren. De ijsbaan verandert in de hel. In eerste instantie heb je het helemaal niet in de gaten dat de zaag in je benen staat, maar als de souplesse eenmaal is verdwenen schaats je als een bezemsteel. Je schudt je hoofd en langzaam raak je verstrikt in een fuik. Ik ken schaatsers die misselijk worden van het ijs, van de zure geur in de hal en het oude zweet dat opstijgt uit de trainingspakken. Het is de pijnangst die je kalmte aantast. Ik huiver vaak als ik dat pistool zie.
Langs de ijsbaan kent iedereen de verhalen van de jonge talenten die zich bewust lieten vallen in een race. Wel de race, niet de finish: DNF. Did Not Finish. Wel de zachte valkussens, geen eindtijd. Dood Na Faalangst. Ik vraag me sterk af of sportieve zelfmoord bevrijdend werkt. Of sportsuïcide een einde maakt aan de twijfel.

Elke zomer – die ene maand waarop we niet op het ijs staan – vraag ik mezelf: kan ik het nog? Een maand zonder ijs, als ik vis, en ik vrees dat ik de controle is weggespoeld. Ik ben als de dood voor de zomer.  Ik smeek dat het gevoel snel terugkeert. Na een maand water voelt het kunstijs in de zomer nog harder dan in de winter.
Ik sluit mijn ogen. Het water schroeit mijn rug.
Ik verlang naar de rivier en de hengel; naar het zoeven van de lijn, het ruisen van het water en het dansen van mijn zelfgemaakte vlieg. Ik hunker naar het uitzicht op de kammen van de heuvels. De nevel tussen de sparren kalmeert. Dat komt door de sluiers die traag bewegen langs de stammen en takken, eeuw na eeuw. Of ik er nu ben of niet, dat maakt niet uit. De sluiers maken hun gang langs de stammen.
In de rivier schieten de zilvergouden vissen langs de keien, stroomopwaarts. Ze zijn vrij, ze twinkelen. Zo anders dan mijn goudvis thuis in z’n kom, waarin hij zijn rondjes zwemt. Uren en dagen aaneen slijt hij zijn huidskleur aan het stadse kalkwater, langzaam gaan mijn vissen altijd van oranje naar wit. Zwemmend langs het bleke wier en om het kasteeltje heen dat ik op de kleine witte steentjes op de bodem heb gezet.
Uren kan ik tot mijn liezen in het water staan. De oude pet op mijn hoofd en de rugzak losjes om de schouders, met erin slechts een fles water, een zakmes, de in de keuken zelfgemaakte vliegen, een extra lijn, lucifers, pakje Marlboro, een paar appels en een droge worst. Die sigaretten, daar weet niemand iets van. Ik permitteer me dat als ik vis.
Soms fluit ik. Gedachtes komen en gaan zonder zich vast te zetten. Het weerhaakje van de geest is verdwenen. Als er een kraai voorbij vliegt groet ik het dier. Grinnikend volg ik zijn vlucht naar het hoogste punt van een afgestorven boom.
Door de druk van het water op mijn voeten word ik voor even opgetild, een fractie ben ik gewichtsloos, de tijd die het duurt voordat mijn spieren gewend zijn aan de verandering. Mijn voetzolen vormen zich om de grote ronde keien, zoekend naar grip als ik dieper het water in loop. Hoe verder van de oever, hoe minder houvast. Hoe fijner.
Om mijn voeten schieten de vissen door het water. Terwijl de schemering verandert in duisternis zak ik steeds verder stroomafwaarts. De sparren worden zwart, de stammen bewegen met me mee en de vleermuizen scheren als werpsterren langs mijn hoofd, jagend op  insecten. De wolken boven de kruinen van de bomen drijven traag langs de maan. De wind is wat gaan liggen.  Slechts het slissen van de vislijn door de lucht doorbreekt de natuurlijke stilte.

In de zomer glij, peins en pieker ik de eerste dagen op het ijs in de schaatshal. Alsof ik alle rondjes van vorig seizoen ben vergeten toen ik mezelf buiten bewustzijn kon schaatsen. Ik ga pootje over, bocht na bocht. Ik hark verder, kras op het ijs en ik bezweer. Ondertussen schaaf ik dan al aan de techniek. Probeer te doen alsof ik al maanden train op ijs. Als het ijs knerpt onder mijn ijzers schieten de rillingen over mijn rug naar mijn nek. Heel af en toe – in de winter – verbindt dat geluid van ijzer op ijs me met de elementen: gestold water; zure spieren, de bloedsmaak in mijn mond.
Ik draai aan de doucheknop. Het kan nog heter. Mijn vel brandt en ik stik haast door de damp.
Een paar kilometer verderop ligt het keiharde ijs. Ik knik naar de suppoosten bij de deur, naar het meisje van de kassa, naar mijn ploeggenoten. Als ze iets zeggen hoor ik het niet. De man met het pistool wacht op mij. Als hij schiet, ren ik weg. Met mijn bovenlichaam hang ik over het ijs, mijn neus vooruitgestoken, mijn dijen onder me, die pompend de kracht ontwikkelen die er ik er in al die maanden door het heffen van gewichten in heb gestopt. Vlak voor de eerste doorkomst rust mijn linkerarm op mijn rug, mijn rechterarm zwaait. Het knarsende ijs. Mijn ademhaling. Rondje 31-laag.
Onder me stroomt het water weg. Het glinstert. De rivier verdwijnt in het afvoerputje.

Nando Boers (1970) is journalist/schrijver. Werkt onder andere voor het tv-programma Andere Tijden Sport, magazine De Muur en dagblad Trouw. Schreef meerdere boeken over sport. ‘Rivier’ is zijn eerste korte fictieverhaal.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s