Jongens en meisjes

1.
Jan

Emma, denkt Jo. Of Anna. Sacha. Alle namen die eindigen op -a.
Met haar vinger schrijft ze de namen op het laken, in krullerige letters met grote halen. De ruwe structuur van het laken voelt lekker onder haar nagels. Haar eigen naam eindigt eigenlijk ook op een -a, bedenkt ze zich: Johanna.
Ze draait zich om, legt haar voorhoofd voorzichtig tegen zijn rug. Haar knieën trekt ze op, ze maakt van zichzelf een bult. Er zit een grote gapende ruimte tussen dat wat ze wil en dat wat ze doet. Wat ze wil: een omhelzing forceren van de slapende man die naast haar ligt. Ze zou het doen als ze een Emma was. Een Sacha. Een Alma.
‘Hee gek,’ klinkt het schor vanachter de bult. Jan draait zich half om en laat Jo een scheve glimlach zien.
Ineens voelt Jo zich vreselijk bloot. Ze draait zich om, kruipt naar de andere kant van het bed en maakt zichzelf klein. Jan rolt op zijn rug. Hij rekt zich uit met een gaap en een grom.
Hij vindt me stom, hij vindt me verschrikkelijk stom, denkt Jo. Ze had een Emma willen zijn, mooie, meisjesachtige Emma, Emma zonder stoppels onder haar oksels, Emma met altijd een antwoord klaar, Emma die nooit op mannen wacht, die nooit de laatste is in de kroeg.
Jan geeft Jo een lichte kus op de zijkant van haar gezicht – ‘Lekker geslapen?’ – en staat op uit bed. Jo kijkt naar zijn smalle, gave rug terwijl hij de kamer uitloopt. Hij haalt een hand door zijn blonde kortgeknipte krullen en verdwijnt om de hoek. ‘Zo,’ hoort ze hem nog zeggen. ‘Hebben we lang liggen stinken, of niet.’
Jo wikkelt het dekbed strak om haar blote lijf. In de keuken galmt Jan een zelfverzonnen deuntje. Ze hoort het gekletter van borden en pannen terwijl hij ruimte maakt op het aanrecht. De waterkoker zwelt aan.
Jo en Jan, het klinkt niet eens.
Jan komt de kamer weer in. Hij heeft een T-shirt aangetrokken, er staat een kotsende Mickey Mouse op. De kots is roze. Jan laat zich op het bed vallen, bovenop Jo. Hij geeft een klapzoen in haar nek.
‘Luister, ik ga zo. Wil je koffie?’ Jo weet wel wat ‘Wil je koffie’ betekent. Het betekent: ‘Ga weg.’ Ze knikt.
Jan geeft nog een klapzoen en staat dan op. ‘Vijf minuutjes, dan is de koffie klaar.’ Hij zingt een parodie op een tenor: ‘It’s a lo-ve-ly day tomorrow’. Intussen speurt hij de vloer van de donkere slaapkamer af. ‘Heb jij mijn spijkerbroek gezien?’ Jo maakt een schor ontkennend geluidje vanonder het dekbed. Neuriënd loopt Jan de kamer door, trekt het zware gordijn met een ruk opzij. Fel zonlicht snijdt de duisternis open.
Als Jo’s ogen aan het licht gewend zijn, laat ze haar blik door de kamer gaan. Er staat een klerenkast van de IKEA. Het deurtje staat op een kier en onthult een redelijk keurige stapel T-shirts en broeken. Op de onderste plank staan drie paar sneakers in het gelid. Naast de kast hangt een poster van een of andere film waarvan de titel (Lady Snowblood) haar niets zegt. Rechts in de hoek een enorm tv-scherm, blinkend als een kwaadaardig insect, ernaast een stapel dvd’s. In de vensterbank staat een asbak, een plant, een doosje condooms dat twee stuks lichter is sinds afgelopen nacht.
‘Bingo,’ mompelt Jan. Hij trekt zijn spijkerbroek onder het bed vandaan. De waterkoker slaat af met een luide KLIK.

Jo is de deur al uit en staat middenin de drukte van de winkelstraat. Jan sluit de deur achter hen.
‘Hee,’ zegt hij. Jo vraagt zich af of hij haar naam nog wel weet. ‘Ik ga je zien.’ Jo staat als verstijfd wanneer hij dichterbij komt. Ze verwacht een kus op haar wang, een lichte kus op haar mond, eentje op haar voorhoofd: een oprotkus. Hij trekt haar naar zich toe. Hij kust haar lang en met tong. Onder haar jas zoeken zijn handen naar het warmste plekje van haar rug. Intussen denkt ze: Wanneer dan? Wanneer ga je me zien dan?
Jan laat los. ‘Wanneer ga je me zien dan?’ Ze schrikt van haar eigen lef. Jan glimlacht. ‘Dude, ik heb je nummer. Ik sms je vanavond.’
Het woordje ‘dude’ blijft de rest van de dag in haar hoofd hangen: dude, dude, dude, dude.

Thuis eet Jo zachte blauwe kaas, direct uit het pakje. Ze zet de waterkoker aan maar vergeet thee te zetten. Ze checkt haar mail: drie nieuwe berichten. Ze klikt ze niet aan. Ze zoekt Jan op Facebook en bekijkt zijn profielfoto’s, die openbaar zijn. Het witte handje van haar muis gaat een paar keer over de knop ‘vriend toevoegen’ heen maar ze klikt niet.
Ze zoekt Nuri op, met wie ze wel vrienden is.
Hij heeft twee nieuwe vrienden gemaakt.
Hij gaat naar een evenement.
Hij heeft een spelletje gespeeld.
Jo trekt haar broek en sokken uit en kruipt in bed. Ze zoekt naar splinters herinneringen van de afgelopen nacht. Soms vertrekt haar gezicht, als ze denkt aan de dingen die ze eigenlijk had moeten zeggen en de dingen die ze eigenlijk had moeten doen. Ook als ze aan de seks denkt, trekt ze onwillekeurig met haar schouders. De gedachte aan seks geneert haar. Ook als het goede seks was, met iemand die ze leuk vond.

2.
Nuri

‘Waar ben je?’
‘Bij Nuri.’
‘Bij wie?’
‘Jeweetwel. Nuri.’
‘O. De loser. Zeg dan: ik ben bij de loser. Heeft hij iets schoons aan?’
‘Weet ik niet. Hij is er niet. Hij is geen loser.’
‘Hij is er niet? Hoezo: hij is er niet?’

In de ene hoek van de smoezelige bank ligt een stapel reclamefolders, in de andere een doos met kleine plastic onderdelen van kleine plastic poppetjes. In het midden van de bank zit Jo, quasi-nonchalant met een tijdschrift op schoot.
Nuri’s deur is altijd open. En hij heeft geen telefoon dus komt ze maar gewoon binnen wanneer ze wil. Ze neemt wel een tijdschrift mee, of een boek. Alsof ze bij de tandarts is.

‘Ik bel je later terug.’ Jo drukt Danni weg. Ze zet haar telefoon op stil.

Er was niemand toen Jo binnenkwam, ook geen huisgenoten. Er zijn wel wat nieuwe meubels bijgekomen, weggesleept van het grofvuil aan de straat.
In het midden van de loods staat een grote, zelfgetimmerde tafel waarover een enorm kartonnen landschap is gedrapeerd, met lage heuvels, hutjes, kastelen en bomen. Daar voeren kleine plastic poppetjes oorlog met elkaar.
Jo heeft de radio aangezet. In de keuken vond ze een eierkoek.

Gerommel aan de deur. Hij klemt. Nuri strompelt binnen met in zijn kielzog een huisgenoot, of een van die gasten die hier altijd hangen. Jo is ook een gast die hier altijd hangt, realiseert ze zich.
Jo’s ademhaling versnelt. Ze weet plotseling niet meer hoe je dat doet, een tijdschrift vasthouden. Hoe zitten mensen op een bank?
‘Hee,’ zegt Jo.
‘Hee,’ zegt Nuri. Hij loopt de keuken in en rommelt wat in de kastjes. Hij heeft zijn jas nog aan.
‘Hoi.’ De huisgenoot komt naast Jo op de bank zitten en begint een joint te draaien.
‘Yo Nuri, gaan we die film nog kijken?’
‘Gast, draai eerst even die joint ofzo.’
Jo legt het tijdschrift weg, niet in staat om zich op de letters te concentreren, en pakt haar telefoon. Een sms van Danni: ‘Dump de loser en kom hierheen!!’
De huisgenoot draait aan de knop op de radio. Er komt iets voorbij dat hij leuk vindt, iets met gitaren. Hij draait het volume omhoog en neuriet vals mee terwijl hij de joint afmaakt. Ook hij heeft zijn jas nog aan. Waar gaan ze die film kijken?
Nuri komt de keuken uit met een groot glas thee. ‘Wil je ook?’ Jo kijkt op, half verwachtend dat hij het tegen de huisgenoot heeft, maar hij kijkt haar aan. Als ze knikt, gebaart hij van: ‘Kom mee.’
In de keuken – een muur met een wasbak en een kastje erboven – probeert ze zich een houding te geven door half tegen de muur te leunen, zo goed en kwaad als dat gaat met alle troep die er is opgestapeld.
‘Wat voor smaak moet je?’ In plaats van antwoord te geven, pakt Jo zijn hand.
‘Zo kan ik geen thee zetten, hoor,’ zegt Nuri. Ze laat los.
‘Gast,’ roept Nuri de kamer in, ‘we gaan die film een andere keer kijken.’

Allebei met een glas thee in hun handen klimmen Jo en Nuri door het gat in de geïmproviseerde muur van zijn kamertje, achter de tafel waar de poppetjes oorlog voeren. Voor het gat hangt een badjas aan een spijker, bij wijze van deur.
Jo ontspant zich. Ze blaast de stoom van haar thee, met haar benen opgetrokken op het eenpersoons matras, dat ongeveer de hele kamer vult. Nuri rolt zijn slaapzak op tot een kussen, waar ze tegenaan kunnen zitten. Hij trekt ook zijn benen op. Ze kijkt naar hem van opzij. Zijn dikke, zwarte haar piekt onder zijn petje vandaan.
Nuri heeft geen werk maar hij zit nooit stil. Wanneer ze ‘s nachts wakker wordt, is hij weg, de straat op om tags te zetten. Hij timmert meubels en muurtjes, hier of in andere kraakpanden. Hij maakt muziek. Hij zegt niet veel, hij lacht vooral. Jo weet niet hoe hij aan geld komt. Ze neemt aan dat hij er gewoon niet zoveel van heeft.
Altijd wanneer ze samen in het kamertje zijn en Jo weer kan ademhalen, is zij degene die praat.
Zonder ophouden, over van alles.
‘Ik had vanmiddag alle stoplichten mee.’
‘Kijk. Deze spijkerbroek is tien jaar oud. Pas ik nog steeds.’
‘Ik verzamelde vroeger Troetelberen. Verzamelde jij ook Troetelberen? Hoe heet die rups ook alweer, die licht geeft?’
‘In de supermarkt sneed ik me aan een gebroken jampot. Een van de vakkenvullers gaf me een pleister.’
Nuri zegt niks. Hij kijkt naar haar en lacht. Hun thee is op. Hij legt zijn armen om haar middel en schuift over het matras naar haar toe. Later, als ze bloot zijn en het stil en koud is in het huis, kruipt hij onder de slaapzak en geeft, beginnend bij haar tenen en eindigend bij haar voorhoofd, een kus op elk stukje huid. Boven de deken sjorren opwinding en gêne aan Jo’s gezicht, dat fronst en plooit en grimast in het felle licht van het blote peertje boven het bed.

Wanneer Jo wakker wordt, is Nuri weg. In de woonkamer staat de tv aan: een actiefilm, met het volume voluit. Door het gat in de muur valt een baan zwak licht op de slaapzak.
Op de tast zoekt Jo haar spijkerbroek. In de zak vindt ze haar telefoon. Ze leert vier dingen:

  1. Het is 04.03.
  2. Ze is twee keer door een onbekend nummer gebeld.
  3. Om 22.37 sms’te Danni: ‘Je stelt me teleur!! En hoe zit het eigenlijk met Jan? XXX’
  4. Om 00.09 nog een sms, nummer onbekend: ‘Chicka! Het ding met een booty call is dat je moet OPNEMEN. J.’

Nuri komt niet terug. Tegen de middag eet Jo nog een eierkoek, staand boven de wasbak met haar jas aan. Twee huisgenoten zitten aan de grote tafel en schuiven met de poppetjes. Ze zeggen ‘Hoi’. Jo zegt ook ‘Hoi’.
Thuis heeft de kat de vaas omgegooid. Hij had dorst, denkt Jo. Ze vult zijn waterbakje. Geeft hem brokjes en een kattensnoepje. Wanneer hij uitgegeten is, gaat ze bij hem op de grond liggen en aait zijn buik. ‘Sorry,’ zegt ze.
Danni sms’t: ‘Was het leuk bij N? Sorry dat ik een takkenwijf was. N is best lief. Heeft J nog gebeld?’ Iedereen heeft spijt vandaag, denkt Jo. Ze zoekt het sms’je dat Jan haar stuurde. Ze staart naar de letters tot ze niets meer betekenen.
Ze legt haar telefoon weg. Ze doet de gordijnen dicht. Ze legt haar dekbed midden in de kamer en gaat er bovenop liggen. De kat krult zich op aan haar voeteneinde. Starend naar het plafond probeert ze haar gedachten te ordenen, ze woekeren als onkruid. Ze pelt ze, ontdoet ze van alle emoties, ontdoet ze van alles wat haar week en klein en kwetsbaar maakt. Op het moment dat er van haar gedachten niets over is dan de kale feiten, een waarheid als er zoiets bestond, vraagt ze zich af of ze Jan überhaupt wel aardig vindt.

3.
Ray

Jo ontmoet Ray op een soort van borrel. Een soort van borrel waar jongens en meisjes met vaag-creatieve beroepen doen alsof hun generatie de enige is die telt. (Niet dat dat per se niet waar is, denkt Jo.) Een soort van borrel die gesponsord is door een sterkedrank.
Hiphop schalt door de ruimte, het volume zo hoog dat de boxen knetteren. Gejuich gaat op bij de eerste beats van een nieuw nummer. Een groepje op de dansvloer steekt als één man de armen in de lucht.
De toekomst is van de tieners, denkt Jo; twintigers hebben het heden. Ze denkt ook: Die is slim, die moet ik onthouden. Zelf zit ze aan de verkeerde kant van de vijfentwintig. Ze denkt: Voorbij de dertig kijk je alleen maar terug.
Jo wandelt diagonaal de volgepakte ruimte door. Een jongen die haar vaag bekend voorkomt mimet, onverstaanbaar door de luide muziek: ‘Jo!’ en kust haar op de wang. Jo mimet ook zijn naam en glimlacht. Ze loopt door.
De jongens hier zijn pas student-af, of hebben de ernst van het leven nog niet begrepen. De meisjes kijken elkaar diep in de ogen maar weten dat er wordt meegekeken. Ze dansen om gezien te worden, praten om gehoord te worden, kussen met de één om een ander te verleiden.
Ray is anders dan de rest: bedeesd, serieus.
Twee meisjes zakken door de knieën om rug aan rug hun heupen en kont in perfecte synchronie richting de grond te pompen. Ray, die aan de rand van de dansvloer op de vensterbank zit, beweegt met zijn hoofd op hetzelfde ritme, in zijn hand een groene beker waar een rietje uitsteekt.
‘Jij bent Ray, toch?’ Jo zakt ietsjes door haar benen zodat haar billen nét de vensterbank raken.
‘Jij schrijft stukken, toch?’ Met haar bijna-zitten zegt Jo: Ik vind je leuk. Maar ik beloof niks.
‘Ja, klopt,’ zegt Ray.
Ze kijken elkaar even in de ogen. Jo schuift naar achter en zit naast Ray op de vensterbank. Haar billen maken belofte. Wat er nog gezegd wordt (je-bent-goed-dank-je-vooral-dat-ene-stuk-vond-ik-goed-ik-weet-even-niet-meer-waar-het-over-ging-iets-met-eten-kan-dat-kloppen-eten-en-filosofie-o-ja-die-die-vond-ik-erg-sterk-dank-je-goed-geschreven-hoe-heet-je-eigenlijk-Jo-hoi-Ray-ik-ging-net-naar-de-bar-kan-ik-wat-voor-je-meenemen-whisky-lekker) is slechts het uitzicht dat voorbij zoeft in de sneltrein met bestemming bed.

Een Emma zou niet op Ray vallen, denkt Jo. Emma en Ray zijn geen match. Bij Ray wil ze zacht en klein zijn, eenaardig iemand. Suzanne; Suus voor vrienden. Evelien. Noortje.
Ray vraagt niet of Jo koffie wil maar of ze blijft. Jo ligt op haar rug verhalen te vertellen en Ray luistert. Later denkt ze: Ik had dingen moeten vragen. Suus had dingen aan hem gevraagd.
Als Jo moe is van het praten, gaat ze slapen. Als ze klaar is met slapen, is er weer seks.
‘Ik vind seks het leukst met een kater,’ zegt Jo. ‘Ik vind seks het leukst met jou,’ zegt Ray.
Ergens tegen de schemer trekken ze hun broeken aan, hun naar rook stinkende shirts van de nacht ervoor. Jo heeft trek in een milkshake. Ze halen een milkshake bij de snackbar beneden. Ze wandelen naar de Albert Heijn door een storm die de geel geworden boombladeren hoog door de lucht blaast en in cirkels over de grond. Ze kopen pizza’s en yoghurtdrink en cola en bananenschuimpjes. Jo heeft trek in bananenschuimpjes.
Bij Ray op de bank bouwen ze een hut van dekens, hun boodschappen aan hun voeten uitgestald als een schat. Ze kijken tekenfilms die ze kennen van toen ze klein waren, Ray iets kleiner dan Jo: hij zit aan de goede kant van de vijfentwintig.
Jo gaat voor Ray op de grond zitten en wringt haar rug en schouders tussen zijn benen. ‘Ga je me masseren?’ vraagt ze gespeeld-pruilend.
‘s Nachts zijn ze te moe voor seks, Jo althans. In bed draait ze haar rug naar Ray toe en parkeert in zijn armen. Ray aait haar rug en schouders en heupen en benen en hals tot ze in slaap valt en ver daarna.

4.
Emma

‘YO sloerie. Waar hang je uit? J.’

Jo belt Jan op: de sloerie is hier.
Jan wil haar zien. Dat is goed, zegt Jo, waar? Gewoon, zegt Jan, hier.
Jo hangt op. Ze ademt het lef in van alle meisjes die op de havo bij haar in de klas zaten, de meisjes die eerst riepen en daarna pas nadachten, de meisjes die Jo verachtte en bewonderde tegelijk.
Emma is zo’n meisje. Zelfbewuste Emma, vrouwelijke Emma, opgeruimde Emma.
De telefoon in haar hand gaat af: Jan.

‘Je viel weg.’
‘Ik hing op.’
‘Je hing op?’
‘Ik ben niet van de booty calls.’
‘Nee?’
‘Nee.’
‘Moet ik mijn best voor je doen?’ Jan klinkt geamuseerd. Jo zoekt op haar beurt naar Emma’s toon van half gemeende, half gespeelde verontwaardiging.
‘Ja.’ Jo slikt haar pruiltoon in, kiest voor een andere tactiek: bluf. ‘Je gáát je best voor me doen.’
‘Ik ga mijn best voor je doen.’
‘Je gaat me mee uit eten nemen.’
‘Ho ho. Ik ga je mee uit drinken nemen.’
‘En het is niet gezegd dat ik met je mee naar bed ga.’
‘Wel als ik je dronken genoeg krijg.’

Jo knipt het licht in de badkamer aan en kijkt naar haar gezicht vanuit alle hoeken: kin naar links, kin naar rechts, kin naar boven, kin op haar borst, en profil en met ogen als speeltjes. Ze knipt het licht weer uit en loopt naar het spiegeltje dat in de gang hangt. Hier is het licht zacht en vergevensgezind. Jo pakt haar make-uptasje en stift haar lippen donkerrood, heel precies en met beleid. Is Emma er al? Het gezicht in de spiegel twijfelt.
In de wc trekt Jo een paar velletjes van de toiletrol. Ze veegt de lippenstift van haar mond. Er blijft een doffe rode waas op haar lippen staan.

‘Ola.’ Jan is tien minuten te laat. Emma zou er wat van zeggen maar Jo kan de juiste toon niet vinden. In haar hoofd spookt het: dude-je-bent-te-laat-dude-je-bent-te-laat-dude-je-bent-te-laat. Opties voor de toon: vrolijk, sarcastisch-met-opgetrokken-wenkbrauw, quasi streng.
Jo doet haar mond open. Nog voor ze een woord heeft uitgestoten, drukt ze op fast forward en hoort hoe de zin als braaksel uit haar mond zou vallen, zwaar en klonterig: duuudeeeejeeebeeentteeeelaaat. Ze zou gekwetst klinken.Moody, humorloos, verwijtend. Paniekerig. ‘Dude! Je bent te laat!’
‘Ola,’ weerkaatst Jo. Kleine woorden zijn het best, besluit ze. Ze raapt haar cool bij elkaar, slaat het ene been over het andere. En haalt ze dan weer van elkaar. Ze wil geen tutje zijn, Emma is geen tutje. Wat gaat ze bestellen? Wie gaat er betalen? Waar moet ze het over hebben? Zit ze als een kerel? (Wáárom is ze aan de bar gaan zitten? Hoe doe je ‘begeerlijk’ op een barkruk?)
‘Bier?’ Jo knikt, bang voor haar woorden.
‘Hee gek, wat is er?’
‘Niks.’ O god, nu klinkt ze boos. Dit gaat mis.
Jo steekt haar hand uit, ze vindt de onderkant van Jans trui. Ze doet fast forward en voelt hoe Jan zich verzet, hoe de trui niet meegeeft maar tussen haar vingers vandaan schiet. Wat zou Emma doen?
Jan kijkt naar de hand, dan naar haar. Hij glimlacht, de trui geeft mee. Jo trekt hem naar zich toe en kust hem op een mondhoek. Verkeerd gemikt.
‘Waar blijft mijn bier?’ Even heeft ze Emma’s toon te pakken.

‘Ik moet vroeg op, weet je. Echt geen shit, ik moet serieus vroeg op.’
Jo zegt niks. Jo weet wat ‘Ik moet vroeg op’ betekent. Het betekent: ‘Ik wil niet met je naar bed.’
‘Dude, zeg eens wat.’ Jan lacht. ‘Wat gaat er in dat mooie koppie om dan?’ Hij haalt een hand door haar haar. Jo reageert niet op zijn aanraking.
‘Luister,’ zegt hij dan, ‘het is heus niet dat ik niet met je naar bed wil, of zo.’
‘Nee?’
‘Wat denk jij nou?’
‘Ik denk dat je niet met me naar bed wil.’
‘Nou. Dat heb je dan verkeerd gedacht.’
Er valt een stilte. (Het is stuk, Emma. Ik heb het stukgemaakt.)
‘Hee,’ zegt Jan. ‘Ik moet echt gaan nu.’
Ze kussen, ze paniekkussen. Jo doet fast forward en ziet het einde van de kus = het einde van het moment = de laatste keer dat ze Jan zal zien.
Of te wel: de kus is al voorbij terwijl die nog bezig is.
Jan laat los. Jo laat los. Hij doet nog iets van een knipoog, een vage belofte.
Jo spoelt helemaal door tot het einde van haar leven. Zie je wel, denkt ze met gevoel voor drama, het wordt nooit wat met mij.

5.
Jo

‘Chickie, waar  ben je?’
Jo sms’t Danni terug: ‘Bovenop de loser.’

Nuri is nooit bij haar. Nou ja, niet overdrijven: bijna nooit. Hij komt nooit langs. Hij heeft geen telefoon om haar mee te bellen, hij heeft haar nummer niet eens.
Soms nodigt ze hem uit. Ze lokt hem met: een zacht bed (of eigenlijk: überhaupt een bed), een gevulde koelkast, de kat, het feit dat ze een kachel heeft.

Vandaag belt hij aan, voor het eerst. Hij maakt geen woorden vuil aan wat hij komt doen. Hij loopt langs haar de woonkamer in en groet eerst de kat, dan haar pas.
‘Wat ben je aan het doen?’ vraagt hij.
Jo is te geschokt om te antwoorden. Ze haalt haar schouders op.
‘Wil je wat eten?’ vraagt ze dan. Bij wijze van antwoord kijkt Nuri zelf in de koelkast.
‘Zal ik een eitje voor je bakken?’ vraagt hij. Hij grijnst erbij.
‘Oké.’ Jo gaat op de bank zitten, de kat op schoot. Die kijkt met grote ogen naar Nuri, naar Jo, naar Nuri. Jo kijkt toe terwijl Nuri de eieren breekt, kaas schaaft, een vleestomaat in plakjes snijdt, naar peper en zout zoekt in de keukenkastjes. De kat steekt zijn neus in de lucht en snuffelt.

De seks is gezellig. Lief, maar voorspelbaar. Jo’s gedachten dwalen af. Haar telefoon piept in haar tas. Bij de bovenburen klinkt gestommel. Jo probeert zich voor te stellen welke handeling bij dat geluid hoort: ongecoördineerd rondlopen? Met meubels slepen? Is het een kind? Een hond?
‘Wanneer ben je ook alweer jarig?’ vraagt Jo. ‘In mei toch?’
‘In jou, ja,’ zegt Nuri en Jo rolt lachend van hem af. Hij glijdt uit haar.
Ze kijken een domme thriller. Nuri zit stil maar onder zijn huid sluimert een onrust, Jo voelt het als ze hem aanraakt. Ze klimt op zijn schoot en kust hem. Hij kust voorzichtig, bescheiden.
Jan kust traag, lui. Ray kust zorgvuldig, met aandacht.
Jo kust agressief. Zelf zou ze zeggen: hartstochtelijk.

Nuri blijft niet slapen. In de deuropening kussen ze. Ze kijken naar elkaar en glimlachen. Ze hebben niks te zeggen.
De kat geeft kopjes. Nuri bukt en aait hem onder zijn kin en over zijn borst.
‘Ik vond het leuk dat je er was,’ zegt Jo dan. Ze lachen om haar plechtige toon. Ze meent het wel.
Nuri draait zich zonder iets te zeggen om. Ze ziet zijn glimlach, dan is hij weg. Ze vindt het fijn om alleen te zijn en tegelijkertijd mist ze hem.
Ze probeert zich een leven met Nuri voor te stellen maar er komt geen beeld tevoorschijn.

6.
Noortje

Jo spreekt Ray’s voicemail in: ‘Hee. Met Jo. Ik heb een ding waar ik heen moet. Een borrel, vanavond in West. Bel me als je zin hebt om te gaan.’
Ray sms’t terug: ‘Waar? Hoe laat? Formeel? Als in: pak?’

De borrel is saai. De drank is gratis. Het is zo druk dat Jo makkelijk iedereen weet te ontwijken die ze geen hallo wil zeggen. Ray haalt biertjes voor hen beiden. Een slick type – reclamejongen ? ambitieuze journalist? – komt hem met veel poeha gedag zeggen (‘Ray! Gast!’). Ray wimpelt hem af.
‘Wil je niet met je vriendje praten?’ vraagt Jo.
Ray schudt zijn hoofd. ‘Ik ben toch met jou.’
Jo doet van ik-ga-over-m’n-nek. Ray lacht.

Tegen het einde van de borrel beginnen zich op natuurlijke wijze groepjes te vormen. ‘Waar gaan jullie eten?’ kaatst het door de ruimte, die stil is nu de dj is gestopt met draaien. Jo en Ray trekken hun jassen aan. Jo zwalkt op haar benen, altijd dronken wanneer er gratis bier is.
‘Ik moet pissen,’ zegt Jo dan. Ze trekt haar jas weer uit en gooit hem over Ray’s armen. Ze is weg en de trap op naar boven, waar de wc’s zijn.
Op de wc sms’t ze Jan: ‘Hallo?’ En gelijk daarna: ‘Negeer vorige sms. Ben dronken.’ Het duurt lang om woorden te maken.
Er staat iets op haar hand geschreven, in rode blokletters: ‘Noortje’. Jo lacht. O ja. Ze laat wel eens boodschappen achter voor haar dronken zelf: ‘Stel je niet aan.’ Of: ‘Je moet morgen om 9 uur op.’ Ze schreef een keer op een wijnfles: ‘Hou je in.’
Ze wilde Noortje zijn voor Ray, sympathieke, zorgzame Noortje. Ze heeft de puf niet zich voor te doen als wie dan ook. Ze heeft het nooit eerder zo makkelijk gevonden om zichzelf te zijn.
Wanneer ze heeft doorgetrokken, haar handen een soort van heeft gewassen en de trap afdaalt naar beneden, is de ruimte verlaten. Alleen Ray is er, met haar jas.

Jo wil naar een ‘foute tent’. Zo één met voetballers en gold diggers en dure drankjes die oplichten in black light. Moeten we niet wat eten, eerst? merkt Ray voorzichtig op. We kunnen ook naar huis, oppert hij iets later, wanneer ze een taxistandplaats passeren. Jo registreert zijn opmerkingen niet.
‘Wat gaan we drinken? Vodka-lime? Bacardi-cola? Er zit een ladder in m’n panty. Hoe kom ik aan die ladder in m’n panty? Weet jij hoe ik aan die ladder in mijn panty kom?’
Ze bestellen twee screw drivers. Ray gebaart naar een tafeltje in de hoek, dat nog vrij is. Jo schudt haar hoofd: ‘Ik wil dansen.’ Ray wacht aan het tafeltje, met haar jas en haar drankje, terwijl Jo over de dansvloer schuift, haar haar voor haar gezicht, vervaarlijk balancerend.
De dj zet een nieuw nummer in, halverwege het refrein van het vorige. Jo trekt een vies gezicht en loopt terug naar Ray’s tafeltje. Staand drinkt ze haar cocktail op.
Ze zet haar glas neer, glimlacht scheel naar Ray. Ze vleit zich op zijn schoot, ze kust hem. Ray legt zijn handen op haar heupen, ze kreunt hard in zijn mond.
‘Pardon.’ De stem klinkt klein en ijl, alsof hij opklinkt uit een andere realiteit.
‘Pardon.’ Jo laat Ray los en kijkt omhoog in het gezicht van een man, een uitsmijter volgens het beveiligingslogo op zijn borst.
‘Jullie mogen jullie spullen pakken en vertrekken.’
‘Sorry?’ Jo lacht spottend. ‘Waarom?’
‘Dat hoef ik je niet uit te leggen. Nou hop, wegwezen.’
‘Wel. Dat hoef je me wel uit te leggen.’ Ray heeft Jo al vastgepakt en voorzichtig op haar benen gezet. Hij is bezig hun spullen bij elkaar te rapen.
‘Jo,’ zegt Ray.
‘Niks Jo,’ zegt Jo.
Toch heeft ze haar jas al aan. Ze verzet zich amper wanneer de uitsmijter een hand in haar rug zet en haar ferm richting de uitgang duwt.

‘God. Ver. Domme. Godverdomme.’ Jo schopt tegen een lantaarnpaal, dan tegen het bankje dat ernaast staat. Dan is er niets meer om tegenaan te schoppen. ‘Godverdomme.’
Ray staat een stuk verderop, een beetje uit het zicht. Een oudere Turkse man loopt langs Jo.
‘Rustig, hè. Het komt wel goed,’ zegt hij in het voorbijgaan, vriendelijk maar streng, alsof ze goede vrienden zijn.
‘Godverdegodverdegodver.’ Jo stapt met grote stappen het plein rond. De woede heeft haar lijf overgenomen: haar stem, al schor van het schreeuwen, de kracht in haar benen, haar onnatuurlijk grote ogen.
Het duurt even, dan is Jo rustig. Ray komt dichterbij en pakt haar bij haar elleboog.

Jo duwt het hekje naar de speeltuin open en zet zich op het eerste beste toestel neer: het draaimolentje. Ray komt naast haar zitten, ze zakt zwaar tegen zijn schouder aan.
‘Ken je een Noortje? Ken je een meisje dat Noortje heet?’
‘Noortje?’
‘Ja, Noortje. Van Nora. Eleonora. Je weet wel.’
‘Wat is er met Noortje?’
‘Dat vind ik echt wat voor jou. Een Noortje. Niet een Jo maar een Noortje.’
‘Wacht even. Jij kent een meisje dat Noortje heet en wil me aan haar koppelen?’
‘Nee-hee.’ Jo zucht.
‘Niet Noortje. Een Noortje. Je weet wel.’
Jo valt stil. Bladeren scharrelen over de rubberen tegels van de speeltuin. Jo haalt haar gewicht van Ray’s schouder. Ze pakt haar telefoon uit haar tas.
‘Weet je wat, ik wis je wel. Dat lijkt me beter.’
‘Beter voor wie?’
‘Je weet wel,’ zegt ze, ‘voor alle betrokkenen.’
Het duurt even voor ze Ray’s nummer gevonden heeft, ze snapt de knopjes van haar telefoon niet meer. Ze knippert in het felle licht van het display.
‘Zo,’ zegt ze dan en ze stopt de telefoon terug in haar tas.
‘Je bent weg.’

Later zal Jo zich de avond proberen te herinneren. Ze heeft de kat op schoot, Studio sport staat op. Ze eet pudding, zo uit het plastic bakje. Ze wil Ray sms’en maar ze heeft zijn nummer niet.
Hij sms’t haar ook niet.

Basje Boer (1980) is schrijver en kunstenaar. In 2006 debuteerde ze bij De Arbeiderspers met de verhalenbundel Kiestoon. Verhalen verschenen in o.a. De Revisor, Hollands Maandblad en De Gids. Ook schreef ze over film en kunst voor o.a. Opzij, De Groene Amsterdammer en Tubelight.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s