De eerste vijftien levens van Harry August

1

De tweede catastrofe begon in mijn elfde leven, in 1996. Ik stierf mijn gebruikelijke dood en gleed weg in een warme roes van morfine, toen ze die als een ijsklontje langs mijn ruggengraat kwam onderbreken.
Zij was zeven, ik was achtenzeventig. Ze had steil blond haar dat in een lange vlecht over haar rug viel, ik had stralend wit haar, of wat daar nog van over was. Ik droeg een ziekenhuishemd waarvan het ontwerp steriele nederigheid uitdrukte, zij een hemelsblauw schooluniform en een vilten hoedje. Ze ging op de rand van mijn bed zitten, liet haar voeten bungelen en keek me indringend aan. Ze bestudeerde de hartmonitor die op mijn borst was aangesloten, zag waar ik het alarm had losgekoppeld, voelde mijn pols en zei: ‘Ik was u bijna misgelopen, dokter August.’
Ze sprak Berlijns Hoogduits, maar ze had me in elke taal van de wereld kunnen aanspreken, en altijd een respectabele indruk hebben gemaakt. Ze krabde aan de achterkant van haar linkerbeen, daar waar haar witte kniekousen kriebelden omdat het buiten had geregend. Al krabbend zei ze: ‘Ik moet een boodschap terug in de tijd sturen, als tijd er tenminste toe doet in dit geval. Gezien het gelukkige toeval dat u aan het sterven bent, vraag ik u om de boodschap zoals die aan mij is doorgegeven, aan de Clubs van uw herkomst over te brengen.’
Ik probeerde iets te zeggen, maar de woorden struikelden over elkaar op mijn tong, en ik zei niets.
‘De wereld vergaat,’ zei ze. ‘De boodschap is doorgegeven van kind op volwassene en kind op volwassene, en door de generaties heen terug in de tijd overgeleverd van duizend jaar vooruit. De wereld vergaat en we kunnen dat niet voorkomen. Het is nu dus aan u.’
Het Thais bleek de enige taal die in begrijpelijke vorm over mijn lippen wilde komen, en het enige woord dat ik in staat bleek te produceren was: waarom?
Niet, laat dat duidelijk zijn: waarom hield de wereld op te bestaan?
Maar: waarom deed het ertoe?
Ze glimlachte en begreep wat ik bedoelde zonder dat ik het hoefde te zeggen. Ze boog zich voorover en zei zachtjes in mijn oor: ‘De wereld vergaat, zoals dat altijd hoort te gebeuren. Maar hij vergaat steeds sneller.’
Dat was het begin van het einde.

2

Laten we bij het begin beginnen.
De Club, de catastrofe, mijn elfde leven en de daaropvolgende levenseinden – geen van alle vredig – zijn van geen betekenis, een opflakkering van geweld dat losbarst en wegebt, vergelding zonder reden, tot je begrijpt waar het allemaal is begonnen.

Mijn naam is Harry August.
Mijn vader is Rory Edmond Hulne, mijn moeder Elizabeth (Lisa) Leadmill, hoewel ik dit pas laat in mijn derde leven te weten kwam. Ik weet niet of ik kan zeggen dat mijn vader mijn moeder heeft verkracht of niet. Wettelijk gezien is deze zaak lastig te beoordelen; één welbespraakte persoon zou al kunnen zorgen voor een omslag binnen de jury. Er is me verteld dat ze niet schreeuwde, niet tegenstribbelde, niet eens nee zei toen hij haar die nacht dat ik werd verwekt in de keuken kwam opzoeken, en in vijfentwintig eerloze, hartstochtelijke – in die zin dat boosheid, jaloezie en razernij ook hartstochten zijn – minuten door middel van het keukenmeisje wraak nam op zijn trouweloze echtgenote. Zo bekeken werd mijn moeder niet gedwongen, maar toch, in aanmerking nemend dat ze als meisje van een jaar of twintig leefde en werkte in het huis van mijn vader en dat haar toekomst afhing van zijn geld en de welwillendheid van zijn familie, zou ik willen aanvoeren dat het haar aan elke mogelijkheid om weerstand te bieden heeft ontbroken, waardoor haar situatie even dwingend was als een mes op haar keel.
Tegen de tijd dat mijn moeders zwangerschap zichtbaar werd, was mijn vader naar het front in Frankrijk teruggekeerd, waar hij de rest van de Eerste Wereldoorlog als een bijzonder onopvallende majoor in de Scots Guards zou uitdienen. In een strijd waar op een en dezelfde dag soms complete regimenten werden weggevaagd, was onopvallend zijn een behoorlijk benijdenswaardige verworvenheid. Het was daarom mijngrootmoeder van vaders kant, Constance Hulne, die in de herfst van 1918 mijn moeder zonder getuigschrift op straat zette. De man die mijn adoptievader zou worden – en desondanks méér een ware ouder voor me zou zijn dan welke biologische verwant ook – bracht mijn moeder achter in zijn ponywagen naar de plaatselijke markt en liet haar daar achter met een paar duiten op zak en het advies hulp te zoeken bij de andere dames in nood in dit graafschap. Een verre neef, Alistair, wiens genetische materiaal slechts voor een achtste deel samenviel met dat van mijn moeder maar wiens overvloedige rijkdom een tekort aan bloedverwantschap meer dan goed maakte, bezorgde mijn moeder een baan in zijn papierfabriek in Edinburgh. Maar toen ze dikker werd en steeds minder goed in staat was haar taken uit te voeren, werd ze door een chef die veel lage in de hiërarchie stond dan de werkelijke verantwoordelijke geruisloos de laan uitgestuurd. Uit pure wanhoop schreef ze mijn vader, maar het briefje werd onderschept door mijn slinkse grootmoeder, die het vernietigde voordat hij mijn moeders smeekbede had kunnen lezen, en zo kwam het dat mijn moeder in 1918 op Oudejaarsdag haar laatste centen uitgaf aan een kaartje voor de stoptrein van Edinburgh Waverley naar Newcastle, en vervolgens zo’n tien mijl ten noorden van Berwick-upon- Tweed de eerste weeën kreeg.
Een vakbondsman genaamd Douglas Crannich en zijn vrouw Prudence waren als enigen aanwezig bij mijn geboorte in de wasruimte voor dames op het station. Er is me verteld dat de stationschef, ter bescherming van argeloze jonge vrouwen die per ongeluk zouden kunnen binnenlopen, buiten voor de deur bleef staan, met zijn handen op zijn rug en zijn pet, waarop de sneeuw een kroon vormde, over zijn ogen getrokken op een wijze die ik me altijd als tamelijk duister en boosaardig heb voorgesteld. Zo laat op de avond waren er op deze feestdag geen artsen meer in de ziekenboeg, en de dokter arriveerde pas ruim drie uur later. Hij kwam te laat. Het bloed op de vloer begon al te stollen, en Prudence Crannich hield mij al in haar armen toen hij arriveerde. Mijn moeder was dood. Ik ken de omstandigheden van haar verscheiden alleen uit Douglas’ relaas, maar ik geloof dat ze leegbloedde en dat ze begraven ligt in een graf met de tekst LISA, 1 JANUARI 1919 – ENGELEN, VOERT HAAR NAAR HET LICHT. Toen de begrafenisondernemer mevrouw Crannich vroeg wat er op de steen moest komen te staan, besefte ze dat ze mijn moeders volledige naam nooit had gekend.
Er ontstond enige discussie over wat er met mij, dit ineens verweesdekind, moest gebeuren. Ik geloof dat mevrouw Crannich ernstig in de verleiding kwam om me zelf te houden, maar financiële en praktische bezwaren stonden een dergelijk besluit in de weg, evenals Douglas Crannich’ strikte en letterlijke opvatting van de wet en zijn persoonlijke opvatting van eigendom. Het kind had een vader, riep hij uit, en de vader had recht op het kind. Deze kwestie zou hypothetisch gebleven zijn, ware het niet dat mijn moeder het adres van Patrick August, mijn aanstaande adoptievader, bij zich droeg, vermoedelijk met de bedoeling zijn hulp in te roepen om mijn biologische vader, Rory Hulne, te spreken. Er werd navraag gedaan of deze Patrick mijn vader kon zijn, wat enige ophef veroorzaakte in het dorp, aangezien Patrick al lange tijd getrouwd was met mijn adoptiemoeder Harriet August,en een kinderloos huwelijk in een grensdorp, waar condooms tot ver in de jaren zeventig taboe bleven, altijd een onderwerp van felle discussie was. De zaak zorgde voor zo veel ophef dat men er ook van hoorde op het landhuis zelf, Hulne Hall, bewoond door mijn grootmoeder Constance, mijn twee tantes Victoria en Alexandra, mijn halfbroer Clement en Lydia, de ongelukkige vrouw van mijn vader. Ik geloof dat mijn grootmoeder onmiddellijk vermoedde wiens kind ik was en wat de achtergronden van mijn situatie waren, maar ze weigerde zich verantwoordelijk voor me te voelen. Het was mijn jongere tante Alexandra die de scherpzinnigheid en de compassie bleek te bezitten die haar verwanten ontbeerden, en daar ze wel inzag dat de verdenking al vrij snel op haar familie zou vallen wanneer de identiteit van mijn dode moeder bekend werd, benaderde ze Patrick en Harriet August met het volgende aanbod: indien zij het kind adopteerden en als hun eigen kind zouden opvoeden, waarbij de papieren officieel en in het bijzijn van de familie Hulne zelf zouden worden getekend om alle geruchten over een buitenechtelijke affaire de kop in te drukken – want niemand bezat zo veel autoriteit als de bewoners van Hulne Hall –, zou zij er vervolgens persoonlijk op toezien dat ze een maandelijkse toelage voor hun inspanningen ontvingen waarvan ze het kind konden onderhouden, en dat er als hij volwassen was een aardige toekomst voor de jongen was weggelegd, niets buitensporigs, uiteraard, maar ook niet het bedroevende lot van een bastaard.
Patrick en Harriet bespraken een en ander en zeiden toen ja. Ik werd opgevoed als hun kind, als Harry August, en pas in mijn tweede leven begon ik te begrijpen waar ik vandaan kwam en wat ik was.

 3

Men zegt dat er voor degenen onder ons die hun leven in cirkels leven, drie levensfasen zijn, te weten: afwijzing, verkenning en aanvaarding.
Zoals dat gaat met categorieën zijn ze nogal simplistisch; ze bevatten, verborgen achter deze brede begrippen, vele lagen. Afwijzing kan bijvoorbeeld in verschillende clichématige reacties worden onderverdeeld: zelfmoord, moedeloosheid, waanzin, hysterie, afzondering en zelfvernietiging. Zoals bijna alle kalachakra’s maakte ook ik het merendeel van deze op enig moment in mijn vroege levens door, en de herinneringen hieraan leven in mij voort als een virus dat zich in mijn maagwand heeft verankerd.
In mijn geval was de overgang naar aanvaarding dan ook het gebruikelijke moeizame proces.
Het eerste leven dat ik leefde was onopvallend. Zoals alle jongemannen werd ik opgeroepen om mee te vechten in de Tweede Wereldoorlog, waarin ik een volmaakt onopvallende infanterist was. Mijn bijdrage aan de oorlog was dus verwaarloosbaar, maar ook mijn leven na de strijd kan ik nauwelijks betekenisvol noemen. Ik keerde terug naar Hulne House om de post die Patrick had bezet over te nemen en opzichter te worden van het grondgebied rondom het landhuis. Net als mijn adoptievader was ik grootgebracht met liefde voor het land, de geur van de aarde na een regenbui en het plotselinge gesis om me heen wanneer de gaspeldoorn zijn zaadjes allemaal tegelijk aan de lucht prijsgaf, en zo ik me misschien ietwat afgesneden voelde van de maatschappij, dan was dat gevoel vergelijkbaar met dat van een enig kind voor zijn niet-bestaande broer; een idee van eenzaamheid zonder de relevante ervaring om die concreet te maken.
Toen Patrick stierf nam ik zijn betrekking ook formeel over, hoewel het fortuin van de Hulnes tegen die tijd door verspilling en luiheid bijna geheel was opgesoupeerd. In 1964 werd het landgoed inclusief mijzelfdoor de National Trust aangekocht, met als gevolg dat ik in mijn laatste levensjaren wandelaars de weg wees door de verwilderde heidevelden die het huis omringden en met lede ogen moest aanzien hoe de muren van het gebouw langzaam in de natte, zwarte modder wegzakten.
In 1989, toen de Berlijnse Muur viel, stierf ik eenzaam en alleen in een ziekenhuis in Newcastle; een gescheiden man zonder kinderen en levend van een staatspensioentje, die zelfs op zijn sterfbed nog geloofde dat hij de zoon was van de al langgeleden gestorven Patrick en Harriet August, en uiteindelijk overleed aan de ziekte die de vloek van al mijn levens is geweest: meervoudige tumoren die zich vanuit het beenmerg door het hele lichaam verspreidden totdat dat lichaam er zelf simpelweg mee ophield.
Toen ik op precies dezelfde plaats waar ik was begonnen, in de wasruimte van station Berwick-upon-Tweed op Nieuwjaarsdag 1919 en in het bezit van alle herinneringen aan mijn voorgaande leven, opnieuw werd geboren, was mijn weinig originele reactie uiteraard dat ik krankzinnig werd. Toen mijn volwassen geestelijke vermogens in mijn kinderlichaam volledig tot wasdom waren gekomen, raakte ik eerst verward, toen gekweld, toen vertwijfeld en toen wanhopig, waarna ik het op een schreeuwen zette en vervolgens op een krijsen, tot ik op zevenjarige leeftijd werd opgenomen in het Sint-Margot Tehuis voor Ongelukkigen, waar ik ook oprecht geloofde thuis te horen en waar ik het voor elkaar kreeg om binnen zes maanden nadat ik was opgenomen van drie hoog uit het raam te springen.
Terugkijkend besef ik dat een derde verdieping doorgaans niet hoog genoeg is om de snelle, relatief pijnloze dood te garanderen waar zulke omstandigheden om vragen, en dat ik net zo goed alle botten in mijn onderlichaam had kunnen breken met behoud van mijn bewustzijn.
Gelukkig belandde ik op mijn hoofd, en dat was dat.

De eerste vijftien levens van Harry August van Claire North verschijnt eind juni bij Nieuw Amsterdam. Oorspronkelijke titel: The First Fifteen Lives of Harry August Vertaling: Lisette Graswinckel. Pagina’s: 384, ISBN: 9789046816288, verkoopprijs € 22,95.

Claire North is het pseudoniem van een gevierde Engelse fantasyschrijfster die al op haar veertiende debuteerde. Nu maakt ze de overstap naar de grote literatuur, geheel in de stijl van David Mitchell. Met haar schitterende stijl en waanzinnig spannende plot overtuigt ze van de eerste tot de laatste bladzijde.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s