PPheader

Carolina Trujillo: Een ode aan de daler

‘Elke keer als er een boek van mij uitkomt, ga ik weg.’ Carolina Trujillo (1970) schudt haar ravenzwarte krullen naar achteren, ploft neer op een stoel op het terras en bestelt een koffie, ‘een héél sterke’. Een interview beschouwt ze als een noodzakelijk kwaad; het liefst zou ze haar spullen hebben gepakt om alle publiciteit die een nieuwe roman met zich meebrengt te ontduiken. Als schrijver heb je je personages om dingen te verwoorden, zegt ze, zoals hoofdpersoon Tony in haar nieuwe roman De zangbreker. ‘Maar in een interview mag ik geen personage opvoeren waar ik me achter kan verschuilen. Dat is lastig.’

Waarom ze steeds weg wil? ‘Ik denk niet dat het onvermogen is om met aandacht of succes om te gaan, misschien is het meer… dat ik te veel aan het opbouwen ben. Het gaat me goed, dus laat ik ergens naartoe gaan waar ik weer from scratch kan beginnen. Toen De zangbreker uitkwam, dacht ik ook weer: ik wil weg! Spanje! Ja, Spanje is goed! Maar ik heb mezelf toegesproken: nee, we blijven gewoon hier. Het plan om naar Spanje te emigreren heb ik in de koelkast gezet.’


Carolina1De zangbreker
is een sciencefiction-achtig verhaal over ‘dalers’ en ‘stijgers’: mensen die steeds alles kapotmaken wat ze hebben opgebouwd en mensen die aan de weg blijven timmeren, wat er ook gebeurt. Hoofdpersoon Tony werkt voor een organisatie die dalers en stijgers een duwtje in de ‘juiste richting’ geeft. In het geval van Tony, die in de dalers zit, in de richting van de afgrond. Hij en zijn collega’s leven in een soort van parallelle wereld; het zijn voor mensen onzichtbare wezens die wel gedachten van hun ‘klanten’ kunnen lezen en hun handelingen kunnen beïnvloeden. Ze mogen onder geen beding geen band aangaan met de dalers of stijgers die ze ‘helpen’. Tony lijkt echter zelf ook min of meer een daler; hij helpt mensen de afgrond in zonder dat hij eerst toestemming heeft gekregen van de organisatie, ‘helpt’ een van de klanten van een collega, en wordt voor straf verbannen naar Montevideo. Maar daar gaat hij opnieuw de mist in, want hij raakt te betrokken bij een gezin. Zo zet hij zijn eigen ‘daling’ in gang.

Het schrijven van De zangbreker was een zware bevalling voor Carolina Trujillo; het ging moeizamer dan bij haar eerdere romans De bastaard van Mal Abrigo (2002) en De terugkeer van Lupe Garcia (2009). Beide werden bekroond, en voor haar eerdere, niet-Nederlandse publicaties (een verhaal en novelle) had ze ook al een prijs gekregen. Dat maakte de onzekerheid bij het schrijven van een nieuwe roman echter niet minder groot. Trujillo was van plan een meesterwerk te schrijven, en dat bleek moeilijker dan gedacht. ‘Ik ben soms weer helemaal opnieuw begonnen. Heb veel weggegooid. Eén keer tachtigduizend woorden, een andere keer honderdduizend.’

Je roman is geen echte sciencefiction, maar hoe moet je het wel noemen? Wat voor wereld en wezens zijn het?
‘Wat voor beeld had jij van Tony gemaakt?’

De figuren deden mij het meest denken aan geestverschijningen, behalve dan dat ze wel kunnen eten en drinken en sterven.
‘Maar wel met een menselijke vorm?’

Wat maakte het zo moeizaam?
‘Lupe Garcia was vrij autobiografisch; de stad waarin het verhaal zich afspeelde, Montevideo, de huizen die daar stonden – dat was er allemaal al. Voor dit boek moest ik veel meer bedenken. Het speelt zich eveneens af in Montevideo, maar ook in wat ik maar even de twilight zone noem, die wereld van Tony, Floyd en Carmen. De wetten die daar regeren, hoe ze eruitzien, de levens van de mensen die Tony beïnvloedt, dat moest ik allemaal verzinnen.’

Ja, dat wel.
‘Met armen, benen en een hoofd?’

Ja. Hij kan immers koken, schrijven, biertjes drinken. Bovendien kan het meisje Mercedes hem wel zien en ze schrikt niet van hoe hij eruitziet. Dat gaf niet het idee dat hij een heel ander wezen is, een marsmannetje of zo.
‘Zoals een skitter, uit Falling Skies. Heb je die televisieserie gezien?’

Nee. Maar ho eens even, jij bent niet ons aan het interviewen.
‘Eh, ja. Wat vroeg je ook alweer? Het idee van dalers en stijgers had ik al in 2003, toen ik op reis ging naar Colombia. Ik zei steeds tegen mezelf: als er één land op de wereld is waar je niet naartoe moet gaan, is dat wel Colombia. Ik ging toch. Ik zag backpackers die helemaal naar de kloten gingen, die alleen maar bezig waren met drugs nemen en naar de hoeren gaan. Zo ontstond het beeld van dalers en stijgers. Van mensen die altijd gehoor geven aan de roep van zelfdestructie.
Later zag ik een keer een Tony zitten. Je weet wel, dat je in je ooghoek iemand ziet zitten of dat je iemand op de gang denkt te zien staan. Het werd me vrij snel duidelijk dat Tony de verteller moest worden.
Ik geef soms schrijfles en dan komt er altijd een moment waarop je moet uitleggen waarom je niet in één scène zowel een ik-verteller als een alwetende verteller kunt hebben. Dat is een perspectieffout. Maar opeens dacht ik: verdomme, ik wil gewoon een scène kunnen schrijven waarin ik wél een alwetende verteller en een ik-verteller kan opvoeren en dat het toch klopt. Met Tony kon dat: hij is een ik-verteller die de gedachten kan lezen van anderen.’

Zelfdestructie is een thema dat in elk boek weer terugkeert.
‘De meeste mensen zitten ergens in het midden, zij stijgen en dalen af en toe, maar niet extreem. Daarnaast heb je degenen die gracieus blijven stijgen en zij die alles zelf weer de vernieling in helpen.
Mensen die heel constructief zijn, hebben van dalers al snel zo’n beeld als: oh, die is gewoon lui. Of dat is een nietsnut of een junkie, die is nergens goed voor. Ze worden al snel afgeserveerd. Alsof het geen leuke mensen zouden zijn. Ik wilde een boek schrijven om te laten zien dat dalers best mooi zijn. Een ode aan de daler.’
Carolina2Aan het begin van het gesprek vertelde Carolina dat ze net een interview voor Vrij Nederland had teruggelezen. Confronterend, vond ze. ‘Een gesprek van een paar uur wordt samengevat, en dan staan de heftige momenten allemaal achter elkaar. Dan moet ik mijn moeder weer bellen omdat ze helemaal van de kaart is.’
Toch ontkom je niet aan haar persoonlijke verhaal, wil je haar werk goed kunnen begrijpen. De thematiek, de rauwheid en gewelddadigheid, hebben daar hun oorsprong. Haar werk is direct, recht voor zijn raap, en onmiskenbaar geworteld in Zuid-Amerika, vol dictators en guerillastrijders, drugskartels en cocaïne.
Veel autobiografische gegevens hebben in andere vorm hun weg gevonden naar haar boeken. Carolina Trujillo werd geboren in Montevideo. Haar vader, lid van de Tupamaros die zich verzetten tegen de dictatuur, werd in 1973 opgepakt en opgesloten. Haar moeder vluchtte met haar dochters Carolina en América naar Argentinië en kwam in 1976 naar Nederland. In 1984 kwam vader Trujillo vrij en het gezin keerde in 1985 terug naar Uruguay, maar viel al snel toch uit elkaar. Van de duizend dollar prijzengeld die Carolina won met haar novelle pakte ze in 1991 het vliegtuig naar Nederland, om te gaan studeren aan de Filmacademie.
In 2003 ging ze op reis voor een paar weken, maar keerde pas na een jarenlange zwerftocht door Colombia, Peru en Uruguay noodgedwongen terug naar Nederland, geveld door een hersenbloeding. In de jaren ervoor had ze weinig anders gedaan dan schrijven en snuiven.
‘Ik denk dat ik een daler was,’ zegt ze met gevoel voor zelfspot. ‘Een goede.’

Een talentvolle daler.
‘Ja, maar er is iets verkeerd gegaan. Mijn Tony heeft iets verkloot, ik denk toen ik die hersenbloeding kreeg. Daardoor ben ik er nog.’

Is dat een keerpunt geweest?
‘Nee.’

Je zegt dat je een daler wás.
‘In het ziekenhuis had ik gewoon coke bij me. En daarna ben ik nog drie jaar alcoholist geweest. Dus dat ging wel goed, het dalen. Tot ik clusterhoofdpijnen kreeg en niet meer kon drinken. Ik heb het gevoel dat die hersenbloeding mijn einde had moeten zijn. Nu gaat het misschien wel een heel lange rit worden. Straks ben ik honderddertien en zit ik hier nog.
Dit boek is mijn dealtje. Ik schrijf een boek voor mijn Tony en dan laat hij mij hier zitten. Want alles vernielen wat je opbouwt en jezelf vernielen is niet makkelijk. En als het niet lukt, moet je alles weer opnieuw opbouwen. Dan is de elektriciteit afgesloten en moet je gewoon weer licht hebben thuis. En al die achterstallige rekeningen betalen.’

Wat maakt iemand tot een daler?
‘Vrienden in Uruguay die ook kinderen van strijders waren, zijn allemaal alcoholist en werkloos of barman. Toen ik Lupe Garcia schreef ben ik gaan lezen over wat het met je doet als je in een oorlog opgroeit. Ouders horen hun baby de boodschap te geven dat ze er altijd voor hun kind zijn, dat hun baby het belangrijkste is. Maar in een oorlogssituatie is dat niet meer zo; papa en mama gaan eropuit en zetten hun leven op het spel voor een stuk brood of om bommen te plaatsen. Tussen je eerste en vierde ontstaat dan een soort imprint van niet-belangrijk en niet-beminbaar zijn. Ik weet niet of ik opgehouden ben met dalen. Ik weet niet wat ik mezelf nog zou kunnen aandoen. Time will tell.’

Ze lacht, en vist een potje gezichtscrème uit haar tas. ‘Zo, dan ga ik nu maar eens het beroemde cocablad doen.’ Een schepje groen poeder verdwijnt in haar mond. ‘Dat gebruik ik zo’n beetje de hele dag door. Je kunt het gewoon kopen op internet, het kost minder dan naar de kroeg gaan. Je krijgt er energie van. Het effect is niet zo sterk als bij cocaïne, net ietsje meer dan koffie. Wel even opletten zo dat ik geen groene tanden heb op de foto.’

Ben je bang dat als die verwondingen helen daarmee de bron voor je schrijverschap opdroogt?
‘Ik ga niet in therapie. Is dat om die reden? Misschien. Therapie lijkt me trouwens dodelijk saai. In mijn boeken beschrijf ik ook niet de psychologische beweegredenen van mijn personages. Ik kijk goed naar mensen, ik zie hoe ze praten en wat ze doen en willen, en zie ook dat de dingen die ze doen hetgeen ze willen compleet in de wielen rijdt. Dat teken ik graag op. Maar waar hun gedrag vandaan komt, moet de lezer zelf maar bedenken. Ik hou niet van die psycho babble, dat personages zitten te mijmeren over waarom ze doen wat ze doen. In De zangbreker staat de zin: “Elke afgeronde therapie is een kunstwerk dat niet gemaakt wordt.” Dat stond op de deur van het toilet op de Filmacademie, en ik vond dat een goeie. Schrijven over dingen die je kent – dat leerden we ook op de Filmacademie. Je merkt het of dingen compleet uit de duim gezogen zijn of dat er een stukje levend weefsel in zit.’

Is het dan minder authentiek?
‘Ja. Een compleet verzonnen personage werkt minder lekker dan een personage dat trekjes meekrijgt van iemand uit je omgeving. De eigenschappen en conflicten worden beter als er een kern van waarheid in zit. Hetzelfde geldt voor het verhaal.
Op de Filmacademie hamerden ze er de hele tijd op dat je moest schrijven over wat je kende. Ik háátte dat. Dan moest ik zeker mijn hele leven over vluchtelingen blijven schrijven? Komt zij weer met haar Novib-verhaaltje. Een tijdlang weigerde ik dat te doen. Ik wilde verhalen verzinnen en schreef dan over mensen die in Nederland waren opgegroeid en hun hele leven in een dorp hadden gewoond. Het werd niks. Ik kan dat niet schrijven. Altijd kom ik toch weer bij Zuid-Amerika en Latino’s uit. Ik pik schaamteloos uit mijn eigen leven, uit wat mijn ouders vertellen, wat mijn grootouders vertelden. Je lacht je dood. Een roofdier ben ik. Ik steel álles. Ha ha.’

De zangbreker is verschenen bij Querido. € 19,95, 320 blz, ISBN 978 90 214 4599 1.

Vivian de Gier is schrijver, journalist, redacteur en schrijfcoach. Onder de naam A•Quattro•Mani maakt ze met Marc Brester recensies, literaire interviews en (reis)reportages door heel Europa, in tekst én beeld. Ook schrijven ze korte verhalen, novellen en biografieën. Lees meer artikelen van haar hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s