Groenproza

Knots

‘Heb jij dat stukkie over Proost en De Gelder geschreven?’ vraagt een zesdeklasser me op de gang. Ik knik. ‘Gaaf, man!’
Gister heb ik tien printjes door de school verspreid. Ze gaan van hand tot hand. Worden gekopieerd.
Mevrouw Proost en Mevrouw de Gelder zijn allebei docent Nederlands. Allebei begin vijftig. Allebei kort, grijs haar. Allebei een brilletje met ronde glazen. Allebei een donkergroene kabeltrui. Allebei lesbisch. Met elkaar. Maar dat is publiek geheim.
Twee weken geleden gaf Proost les over spreekwoorden en gezegden. Of we voorbeelden konden noemen? Vingers.
‘De pot verwijt de ketel dat-ie zwart ziet.’
‘Op ieder potje past een deksel.’
‘De hond in de pot vinden.’
‘Kleine potjes hebben grote oren.’
‘Het is één pot nat.’
‘Naast de pot piesen.’
In mijn verhaal, dat ‘Potverdikkie!’ heet, rent Proost dan huilend de klas uit, om zich in het kopieerhok door De Gelder weer tot rust te laten beffen. In werkelijkheid was haar mond een dunne streep geworden en had ze Nicky Star, de slet van de klas, eruit gestuurd.

Toen ik in de brugklas zat, zond de VARA Alles of nooit van Youp van ’t Hek uit. Ik denk een herhaling, want de conference is van ’91. Van ’t Hek heeft een midlifecrisis en scheldt op alles wat burgerlijk is. Ik zat net in de puberteit en alles viel op zijn plaats. Dat Van ’t Hek op burgerlijkheid schold, omdat hij haat wat hij is, burgerlijk, ontging me. Dat mijn ouders, die burgerlijk zijn, naast me, op de bank, hard meelachten, deed er niet toe.
Voor m’n verjaardag, sinterklaas en kerst vroeg ik enkel nog cd’s van Van ’t Hek. De zijige kutliedjes nam ik op de koop toe. Man vermist, Verlopen en verlaten, Hond op het ijs, Oudejaarsconference ’89, Ergens in de verte, Spelen met je leven. Ik had ze allemaal. Ook z’n cd’s met Cabaret Nar. Romantiek met mayonaise en Zonder twijfel. En z’n boeken. De theaterteksten en de columns. Zelfs die over voetbal.
Ik wilde ook op een podium staan en schelden. Maar dat durfde ik niet. Ik was twaalf en had een champignonkapsel. Schrijven durfde ik wel. Van die columns. Ik liet ze aan klasgenoten lezen. Deelde kopietjes uit. Dat zo’n beetje alle grappen van Youp geleend waren, maakte niet uit. Tot de vader van Lotje Kruithof zei: ‘Ja, maar da’s allemaal gejat van, kom, hoe heet die dikke met die bril ook weer?’ Ik voelde me betrapt. Schreef maandenlang niets.

Ik heb ‘Potverdikkie!’ met een pseudoniem ondertekend, maar nu een mij onbekende laatstejaars me met het verhaal feliciteert, ben ik niet meer zeker van m’n anonimiteit.
Het laatste uur heb ik geschiedenis. Als de bel gaat vraagt meneer Witteveen me even te blijven. Tussen de papieren op zijn bureau ligt een kopietje van ‘Potverdikkie!’ Stront aan de knikker.
Witteveen kucht. Ik mag hem wel. Hij kan erg goed een holbewoner nadoen.
‘Ik zat te denken,’ zegt hij, ‘is de schoolkrant niet wat voor jou?’
Ik kijk de man niet-begrijpend aan.
‘Je schrijft toch verhalen?’
Ik vertrek geen spier.
‘De redactie kan wel wat vers bloed gebruiken.’
‘Ik denk niet dat ik er geschikt voor ben,’ probeer ik. Wat moet die vent?
Witteveen trommelt met zijn vingers op het bureau. Op het kopietje van ‘Potverdikkie!’ Zijn ogen gaan van mij, naar het A4’tje, weer terug naar mij.
‘Ik zou het toch maar eens proberen, als ik jou was,’ zegt hij dan.

De volgende dag meld ik me in de tweede pauze bij het redactiekamertje van de KNOTS, de Krant Naar Onze Tegenwoordige Smaak. Aan een lange tafel zitten een jongen en twee meisjes hun brood op te eten.
‘Ik, eh, wou me aanmelden voor de schoolkrant,’ zeg ik.
‘Welcome aboard,’ zegt de jongen. Hij stelt zich voor als Marc Hoogendoorn.
Wacht effe. Hoogendoorn. Hij zal toch niet…? Ja, nee, godver, nu zie ik het. Het kan niet anders. God, het arme jong.

Brugklas. Eerste dag van het schooljaar. Derde uur. Wiskunde. De leraar was een engerd met een hazenlip. Hij stak een monoloog af. Je moest je best doen. Alleen een 10 was goed genoeg. Een 9 leek misschien een prachtcijfer, maar betekende dat je maar negentig procent van de stof beheerste. En wiskunde was als het doen verrijzen van een torenflat. Je bouwde op wat je al gebouwd had. Als je fundering maar voor negentig procent in orde was, werd je begane grond hoogstens een 9. Deed je nog iets verkeerd, omdat je lui was, werd het een 8, een 7 of zelfs een 6. En de eerste verdieping werd hoogstens zo goed als de begane grond. En de tweede verdieping hoogstens zo goed als de eerste. En voor je het wist donderde je flatgebouw in elkaar. En dan bleef je zitten. En als je bleef zitten, dan duurde het een jaar langer voor je je diploma had. En als het een jaar langer duurde voor je je diploma had, duurde het een jaar langer voor je naar de universiteit kon. Een jaar langer voor je afstudeerde. Een jaar langer voor je een goede baan had. Een jaar langer voor je promotie maakte. En nog eens een jaar langer, voor nog een promotie. En nog weer een jaar langer, voor nog weer een promotie. Een jaar langer, voor je ein-de-lijk dat jaarsalaris met zes nullen kreeg. Lang verhaal kort: haalde je voor de eerste repetitie geen 10, boorde je jezelf een miljoen door de neus.
‘Maar meneer Hoogendoorn?’
‘Ja?’
‘Hoeveel verdient u eigenlijk per jaar?’
Dat was de eerste keer dat Nicky Star de klas werd uitgezet.

‘… en dit zijn Charlotte en Maartje.’
Charlotte heb ik al wel eens zien lopen. Een donker meisje. Daar hebben we er hier niet veel van. Mooi ook. Donkerbruine kurkentrekkerkrullen. Vollelippenmond. Figuurtje. Een wit puntje jonge kaas.
Maartje neemt een hap uit haar boterham. Een veeg appelstroop op haar roze wang. Brilletje. Strohaar. Ze is me nooit eerder opgevallen.
‘Hebben jullie redactievergadering?’ vraag ik.
‘Nee, dat is vrijdag eerste pauze om de twee weken,’ zegt Charlotte. Ze praat bekakt. United Colors of Benetton-kutje. ‘We zijn films aan het uitkiezen voor de filmnacht.’ Ze schuift een ringband over tafel. Een gekopieerde catalogus. Zwart-wit plaatjes van filmposters met korte beschrijvingen erbij. Alles te huur op zowel 16 als 35mm.
De filmnacht. Vorig jaar ben ik geweest. De hele nacht films. Een stuk of acht. Met een fles bessen in je slaapzak verstopt op een stoel in de aula. Veel actie. Terminal Velocity. The Fugitive. Beverly Hills Cop III. Tegen een uur of zeven ’s ochtends was het vooral vechten tegen de slaap. En dan moest je nog de helft van Stargate. Maar in slaap vallen deed ik niet. Ik ben geen softie.
‘Schrijven jullie van tevoren recensies?’ vraag ik. Ik pak de catalogus van tafel. Begin te bladeren.
‘Hoezo?’ vraagt Marc.
‘Omdat jullie de films uitkiezen. Is dat niet meer iets voor de feestcommissie?’
‘Wij zijn de feestcommissie.’
‘O?’
‘Ja, de redactie van de schoolkrant is ook de feestcommissie.’
‘Ik wil eigenlijk alleen maar stukjes schrijven,’ zeg ik.
‘Het is maar twee feesten per jaar,’ zegt Marc.
‘En de filmnacht, natuurlijk,’ zegt Maartje. Ze heeft een plakkertjesbeugel.
Moet ik godverdomme ook nog helpen feestjes organiseren. Kut-Witteveen.
‘Deze lijkt me wel wat,’ zeg ik. Ik wijs Halloween: The Curse of Michael Myers aan.
Marc schudt zijn hoofd.
‘Geen porno en geen horror,’ zegt hij.
‘Wie bepaalt dat?’
‘Renes.’
Renes. De rector. Een homo met een hoog stemmetje en bruine cowboylaarzen onder z’n zwarte pak.
‘Mij lijkt Kingpin wel leuk,’ zegt Maartje.
Een comedy over bowlen. Jezuschristus.

Ik weet mezelf onder de filmnacht uit te lullen. Het is over drie weken van vrijdag op zaterdag. ‘Dan heb ik net een familiefeest,’ zeg ik.
Ondertussen zet ik me aan m’n eerste verhaal voor de KNOTS. Over Osseweijer, leraar Frans en een slecht mens. Hij lijkt op de Duitse tv-detective Derrick, maar dikker. In de tweede zat ik met een jongen in de klas die moeilijk meekwam. Hij was verre van achterlijk, maar een jaar eerder was zijn moeder aan kanker overleden. Hij had het maar moeilijk kunnen verkroppen. Er werd besloten dat hij op de havo beter tot zijn recht zou komen, maar omdat overplaatsing zo kort voor de grote vakantie weinig zin had, moest hij de laatste maand van het schooljaar maar op het vwo uitzingen. Uiteraard voerde hij geen ene reet meer uit. Maakte geen huiswerk meer. Zat in de les te klieren.
‘Nu ben ik het helemaal zat,’ had Osseweijer gezegd, zijn varkensoogjes toegeknepen, ‘met dat gekánker van jou.’
Hij had ‘gekut’ kunnen zeggen, maar koos voor ‘gekanker’. De jongen beet op z’n onderlip. Z’n ogen nat. Hij balde z’n vuisten. Wilde zich niet laten kennen. Maar terwijl we klassikaal de vervoegingen van de tegenwoordige tijd van het onregelmatige werkwoord savoir opdreunden (je sais, tu sais, il/elle sait, nous savons, vous savez, ils/elles savent), hoorden we hem zachtjes janken.
In mijn verhaal stapt Osseweijer na de laatste bel in zijn Citroën CX. Hij draait het bandje van Charles Aznavour nog eens om. Zingt een refreintje mee: ‘La bohème, la bohème…’ Hij is in zijn schik met zichzelf.
Thuis zet hij de auto in de garage. Gaat het huis binnen. Hij verwacht de geur van boeuf bourguignon op te snuiven (het is tenslotte donderdag), maar ruikt niks. Hij vindt zijn vrouw dan ook niet in de keuken. Ze zit in de huiskamer op de bank.
‘Moet jij niet koken?’ vraagt hij.
Dan pas ziet hij dat ze huilt.
‘Wat is er?’
‘Ik weet het niet zeker,’ snikt ze. ‘Misschien stel ik me aan, maar…’
Ze pakt zijn hand en legt die op haar linker borst. Drukt zijn vingers in het zachte vlees van haar tiet. Hij voelt een kwaadaardige knobbel zo groot als een jeu-de-boule-bal.

‘Dit kunnen we niet publiceren,’ zegt Marc.
De KNOTS blijkt onder strenge censuur van Renes te staan.
Ook mijn volgende verhaal wordt geweigerd. Leraar Engels Van Bijsterveld (vanwege zijn kapsel door iedereen Bijsterbeatle genoemd) en tekenleraar Hartanto (een kalende Aziaat met een grijs staartje in z’n nek, dus Mr. Miyagi) beleven samen doldwaze, apenstonede Cheech & Chong-avonturen. Jaren geleden, op een schoolkamp, hebben leerlingen de twee achter een blokhut met een joint betrapt. Verder heeft het verhaal niets met de werkelijkheid te maken. Zelf hadden ze er wel om kunnen lachen, denk ik.
Ik vertrouw die Marc voor geen meter. Hij lult vast alles door aan z’n pappie. Ik durf de verhalen dan ook niet meer ouderwets op kopietjes onder pseudoniem te verspreiden. Ondertussen komt de KNOTS dit kwartaal niet uit wegens gebrek aan kopij. Langzaamaan begin ik mijn interesse in het schrijven te verliezen. Witteveen is in zijn opzet geslaagd.

Nu hang ik hele middagen op de bank en kijk MTV. Ik zit de hiphop- en R&B-clips uit, hopend op Nirvana, Green Day, The Offspring, dat ene snelle nummer van Blur. Fuck Youp van ’t Hek. Dit is godverdomme rebellie. Kurt Cobain (al drie jaar dood) die z’n gitaar aan barrels slaat. Billie Joe Armstrong die in het voorbijgaan een public phone van de haak wipt. Achter hem bungelt de hoorn aan de draad. Punk fuckin’ rock.
Bij Edison – de enige platenzaak van het dorp – hebben ze één bakje alternative. Ik koop Nevermind en Dookie. En een cd van Alice in Chains met een hond met drie poten op de voorkant. Tweeënveertig gulden, maar een goede investering. Geen van de alto’s op school heeft ’m. Ze willen ’m allemaal, op bandje, ruilen tegen iets anders. Al snel heb ik een aardige verzameling grunge, metal en skatepunk op tape.
Ik scheur gaten in mijn spijkerbroeken. Krijg voor een redelijk rapport Airwalks. Geef op de jaarlijkse paardenmarkt bij een kraampje al m’n zakgeld uit aan gebootlegde Nirvana-shirts. Haal bij de drogisterij waterstofperoxide en laat onze thuiskapster van m’n bloempotkapsel een hanenkam scheren.
Al snel is luisteren alleen niet meer genoeg. Wat de oortjes van m’n walkman m’n kop in pompen, komt er bij m’n handen weer uit. Air guitar spelen. Luchtdrummen.
M’n moeder heeft een collega die nog een Spaanse gitaar in de weg heeft staan. Mag ik best lenen. Die ziet ze dus niet meer terug. Met zwarte edding klieder ik het ding vol bandlogo’s.
Gitaarspelen. Dat zal wel moeilijk zijn. Ik ga op les. Maar die gitaarleraar, die wil me leren notenlezen. ‘Boer daar ligt een kip in ’t water’. ‘Vader Jacob’. ‘Altijd is Kortjakje ziek’. Tussen les twee en les drie vind ik op het internet (zijn we thuis pas op aangesloten) de website olga.org. Online Guitar Archive. Daarop staan liedjes uitgeschreven, niet in noten, maar in tabs. Met cijfers op lijntjes is aangegeven wanneer je welk vakje van welke snaar moet indrukken. Op olga.org ontdek ik ook het power chord, een eenvoudige greep die je op elke willekeurige plek van de hals kan spelen en waaruit zo’n beetje ieder nummer van elke band die ik tof vind, is opgebouwd. Als bij les nummer vier de leraar in zijn gitaarkoffer op zoek is naar de bladmuziek van ‘Sur le Pont d’Avignon’, speel ik bij wijze van pauzemuziekje ‘Smells Like Teen Spirit’, van begin tot eind, inclusief solo. Niet dat ik zo goed ben. Gitaarspelen stelt gewoon geen ene reet voor. Maar een raw power dat ’t heeft. Ik heb geen vijfde gitaarles nodig (die komt er ook niet), maar een elektrische gitaar.
Na school ga ik naar Arie Keijzer Piano’s en Vleugels op het industrieterrein. Naast de piano’s en vleugels voert Arie een klein assortiment gitaren. Een paar mooie Fenders, maar die beginnen bij vijftienhonderd gulden. Zelfs de veel goedkopere – want in China gefabriceerde – Squiers die hij heeft staan, zijn met hun vierhonderd piek ver boven m’n budget. De goedkoopste gitaar die hij heeft, is een Stratocaster-knock off van TCS Guitars. Het ding is wit met een zwarte slagplaat. Weegt niets. Is hoogstwaarschijnlijk van spaanplaat gemaakt. Prijskaartje: tweehonderdvijfenzeventig. Moet ik alsnog voor sparen.

‘Jou heb ik al een tijd niet meer op de redactie gezien,’ zegt Marc. Een amicaal bedoelde stomp op m’n schouder. ‘Lekker gek, hoor, je haar zo.’
Ik sta in de kantine in de rij om roze koeken te kopen. Ik kan nergens heen.
‘Ja, ik, eh…’
‘Maar hé, listen up. Vrijdag over twee weken is het eindejaarsfeest. We zijn volop in voorbereiding. Het thema is bal.’
‘Bal?’
‘Ja, we gaan de aula omtoveren tot een echte balzaal. En de dresscode wordt black tie. Smokings en baljurken. Alles is al rond. De decoratie is gekocht. De DJ is geregeld. De hapjes en de drankjes zijn besteld. We zijn eigenlijk alleen nog op zoek naar…’
Ik wil niet.
‘… een ober. Is dat niet wat voor jou?’
‘Een ober?’
‘Ja, we gaan tafels rond de dansvloer zetten. Daar kunnen de mensen dan een drankje aan drinken. Het leek ons wel chique als ze die dan niet bij de bar hoeven te halen, maar kunnen bestellen bij een ober die met een dienblad rondgaat.’
Ik ben aan de beurt.
‘Twee roze koeken en een cola, alstublieft.’
‘Een vijftig,’ zegt de kantinejuffrouw. Ze pakt de koeken uit een doos en een van de honderden plastic bekertjes die ze voor de pauze alvast heeft ingeschonken met lauwe cola, sinas en nep-7 Up. Ze neemt m’n geld aan. De muntjes rinkelen als ze ze laat vallen in het metalen kistje dat als kassa dienst doet.
‘Op dat bal, hè,’ vraag ik Marc, ‘is de drank daar dan eigenlijk gratis?’
‘Haha, nee, natuurlijk niet! Dáár verdienen we juist op! Maar wat zeg je er van?’
‘Van dat oberen?’
‘Ja, van dat oberen.’
‘Ja, nou, eh…’
‘Te gek. Ik wist dat ik op je kon rekenen.’

Ik ben aan de late kant. De decoratie hangt al. Het heeft niks weg van een balzaal. Gewoon de aula met slingers en ballonnen. De DJ (een dikke veertiger) test de geluidsinstallatie. Geen balmuziek, maar happy hardcore. Dit wordt zo kut.
Mijn oberkostuum bestaat uit een oud, donkergroen colbertje van m’n vader dat me veel te groot is. Links een diepe binnenzak.
‘Ah, daar ben je,’ zegt Marc. Hij geeft me een dienblad en een witte theedoek die ik dubbelgevouwen over m’n arm moet dragen. ‘We gaan het zo doen: Maartje schenkt de limonade in. Jij laadt de bekertjes op je dienblad en gaat de tafels langs. De drankjes zijn één gulden. Als je zelf ook wat wilt drinken, hoef je uiteraard niet te betalen. Het geld doe je in dit bakje hier achter de bar.’
Ik knik.
‘Nog vragen?’
‘Moet ik ergens bijhouden hoeveel bekertjes ik verkoop?’
‘Nee, hoor.’
‘Doet Maartje dat dan?’
Marc schudt weer van nee. Hij kijkt op zijn horloge. ‘Is iedereen er klaar voor? We gaan open!’
De feestgangers stromen binnen. Slechts een enkeling heeft zich aan de dresscode gehouden. ‘The Promised Land’ van DJ Paul knalt uit de boxen. Er wordt gehakt in het stroboscooplicht. Naast de rookmachine staat Nicky Star te tongen met een gast uit 5 havo. De tafeltjes rond de dansvloer zijn druk bezet. Ik loop af en aan met bekertjes. Laat zo nu en dan een deel van het opgehaalde geld in de bak achter de toonbank rinkelen.
Aan de tafel die het verst van de dansvloer staat, zitten drie leraren, die een oogje in het zeil houden. Een van hen is geschiedenisleraar Witteveen.
‘Doe mij maar zo’n lekker glaasje cola,’ schreeuwt hij boven de muziek uit.
Ik geef hem een bekertje.
‘Ik zag trouwens dat de KNOTS laatst niet was uitgekomen,’ grijnst hij.
‘Te weinig kopij,’ zeg ik.
‘Ik had eigenlijk wel verwacht dat jij die in je eentje vol kon schrijven. Valt me een beetje van je tegen.’
‘Ik schrijf niet meer. Ik speel gitaar nu.’
‘Ah, zo,’ zegt hij en hij begint dan tegen mevrouw De Vries naast hem te praten.
‘Pardon, ik krijg nog een gulden van u.’
Hij kijkt geïrriteerd op van zijn gesprek.
‘O ja, natuurlijk,’ zegt hij en hij drukt me het geld in de hand.
Ik draai me om en laat het in de binnenzak van het colbertje bij de rest van de buit glijden.

Als ik door het donker naar huis fiets, hangt door het gewicht aan de linkerkant het groene jasje helemaal scheef. Even heb ik overwogen het op het toilet alvast te tellen, maar vond dat toch een onnodig risico. Maar het is ruim voldoende, dat weet ik zeker. Zou Arie Keijzer Piano’s en Vleugels open zijn op zaterdag?

Jerry Hormone (1982) speelt en speelde in bands als The Apers, Anne Frank Zappa en The Windowsill. Onder het pseudoniem Jeroen Aalbers schreef hij de meer dan honderd titels tellende kinderboekenserie Borre, die onder andere in het Chinees en het Koreaans vertaald is. Nu schrijft hij voor grote mensen, runt literair tijdschrift Strak en presenteert het kookprogramma Snekken met Sjer. Jerry Hormone woont in Rotterdam, samen met schrijver Elfie Tromp en hun naakthond Chin-Chin.

Een gedachte over “Knots

  1. WOW Jerry! Je hebt dit geschreven precies op de dag dat ik 6 decennia op deze aardbol leef. En toch is dit verhaal zó herkenbaar. Het verplichte middelbareschoolleven. Oh boy! Ook ik heb aan de schoolkrant meegewerkt. Omdat ik gek was/ben van tekenen, publiceerde ik er een strip die alle leraren belachelijk maakte. Maar het leukst was nog dat ik onder het mecenaat van mijn leraar klassieke talen de behandelde Griekse/Latijnse teksten mocht verstrippen (met de originele tekst in de balloons), want ik snapte er geen hol van. Juist door het te tekenen, daalde het bij me in. De leraar stencilde en verspreidde de mini-boekjes. Zo kwam het toch nog goed met mij 😉

    Groetjes,
    Magda van Tilburg

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s