De grot van Plato

Er lag een meisje in mijn bed, ze lag half onder het dekbed, een hoes had ik niet. Ik bleef in de deuropening staan en keek haar aan, ze was mooi, blond en mager. Ze was ook bleek. Haar rechterarm en -been waren ontbloot, ik vroeg me af of de rest ook naakt was en hief het witte, smerige dekbed op, ze bleek een kort shortje en een T-shirt aan te hebben. Ik schudde even en luisterde naar haar adem, ze werd niet wakker. Ze lag er koud en roerloos bij.
‘Enig idee wie dat meisje is?’ Tars at een croque monsieur met kaas als een zwijn. De kaas droop over zijn lange vingers. ‘Welk meisje?’
‘Dat meisje in mijn bed.’
‘Heb jij haar niet meegebracht?’
‘Ja.’ Ik wist het niet meer zeker.
‘Heb je haar geneukt?’
‘Ja.’ Het leek aannemelijk.
‘Leuk. Vraag het haar?’ Ik ging weer naar boven, er hing een zure geur in mijn kamer. Ik klapte in mijn handen maar ze werd niet wakker. Wellicht zo’n trut die te beschaamd is om anderen onder ogen te komen zodat ze doet alsof ze slaapt. Ik trok de deur achter me dicht. Dit was de vijfde dag. Vijf dagen, Jezus. Het hele huis rook zuur en ik kreeg steeds meer het gevoel dat ik in een cirkel rondtolde zonder ergens heen te gaan. Ik voelde me slaperig, dus besloot ik te douchen en na te denken over gisteren. Het zwoele, dampende water bracht geen revelatie, ik was niet meer in staat me iets van de vorige dagen te herinneren.

‘Wes, verdomme!’
‘Wat?’ Met mijn haar nog nat kwam ik de badkamer uit. Vanuit de woonkamer gebaarde Stieg naar het terras, het was een puinhoop, alsof iemand met een baseballbat de hele vaat in elkaar had geslagen. Ik keek naar buiten en zag Kenneth, hij lag te slapen in een van de sofa’s die we op het terras hadden gesmeten omdat ze te hard stonken en we geen schimmelinfectie in huis wilden. Ik wees hem aan, nu pas zag Stieg hem. Hij excuseerde zich niet voor zijn premature beschuldiging en stormde naar buiten.
‘Kenneth! Wakker worden, lamlendige  idioot!’ Stieg sloeg Kenneth in het gezicht en schudde hem door elkaar tot de jongen wakker werd en zijn vettige, lange krullenbos uit zijn gezicht wreef waardoor plots een gelaat tevoorschijn kwam waar je voorheen hoogstens een uitgebraakte haarbal kon herkennen. Hij was bleek en mager en zijn gezicht was ingezakt als dat van zo’n Ethiopiër op de plaatjes. ‘Je hebt het weer geflikt, mongool, hoe vaak moet ik je zeggen dat je hier niet kan slapen.’ Kenneth antwoordde niet en zette zich recht om ontbijt te maken. Er waren geen propere pannen of ketels meer, dus maakte hij een croque monsieur die hij uit de hand at, omdat ook de borden op waren. De croque-machine zag zwart van de aangekoekte kaas, maar dat was niet erg meer want Kenneth had net het laatste sneetje genomen. Niemand van de vijf bewoners wou het ding kuisen omdat het toch maar als een tijdelijk vervangmiddel werd gezien zolang de vaat niet werd gedaan. En niemand wou de vaat doen omdat niemand individueel verantwoordelijk kon zijn voor die smeerboel. In feite sprak niemand nog over de vaat. Ik voelde me meer om meer misantropisch toen ik me aan tafel zette en vroeg of iemand wist wie dat meisje was.
‘Welk meisje?’
‘Dat meisje in zijn bed,’ antwoordde Tars zonder om te kijken. Hij keek verdwaasd naar de tv met het geluid uit, hij leek hersendood zoals hij aan het scherm geketend was.
‘Geen idee, heb je haar geneukt?’ vroeg Kenneth.
‘Natuurlijk.’ Kenneth wreef door zijn warrige haar en at met lege ogen zijn aangebakken croque monsieur. Hij ademde zwaar. Maar goed dat hij het laatste beleg had opgevreten, ik kon de geur niet meer harden. Eigenlijk kon ik de geur van niets meer harden. En alles rook hetzelfde, alsof er maar één werkelijke geur was die alles doordrong: de geur van kaas. Als je lang genoeg in een riool ronddoolt, ruik je de stront niet meer, zeggen ze.

‘Zeg, heeft iemand Carl gezien?’ viel Stieg in. Zijn stem was schor.
‘Vast in zijn kamer. Vorige keer heeft ie ook dagen aan een stuk liggen tukken,’ zei Tars zonder zijn blik van de tv af te wenden. ‘Kijk eens of ze geen paspoort heeft,’ zei hij daarna.
‘Goed idee.’
Het meisje in mijn bed had geen portefeuille en geen identificatiebewijzen. Ook niet in haar broekzakken. Van al dat voelen aan haar kont was ik opgewonden geraakt en had ik zin om te rukken of haar tieten vast te grijpen, maar ik voelde geen bloed naar beneden stromen en al gauw ging de zin over. Maar als ze er zo nog lang zou liggen, kon ik haar misschien uitkleden en naakt naast haar gaan liggen en helemaal niets doen, gewoon wat strelen, haar blote rug tegen mijn borst voelen, haar kont tegen mijn pik, misschien haar zachte, tengere lenden onder mijn zachte, tedere handpalm. Ach, alsof het ooit nog zou werken.
‘Niets, geen papieren, geen portefeuille.’ Niemand reageerde. Vanuit de zwarte, lederen zetel keken ze naar de stille tv. ‘Wat kijken jullie?’ Geen antwoord. ‘Waar gaat het over?’ Niemand leek het te weten. Toen ik naar het beeld keek, besefte ik dat ook ik geen flauw benul had waar het juist over ging. Zonder geluid waren het slechts verkapte beelden die hoogstens een werkelijkheid konden suggereren. Ik werd gefrustreerd van de apathie waarmee de rest bleef kijken.
‘Ook geen geld?’
‘Geen portefeuille, Tars! Hoe kan ze dan geld hebben!?’
‘Verdomme, ik wou nog een Xbox gaan kopen,’ zei Tars terwijl hij een sigaret opstak en er eentje aan mij gaf.
‘Niet roken in huis,’ klaagde Stieg, ‘ga dan naar buiten.’ We bleven zitten, Tars keek naar de tv. Vanuit zijn ooghoeken keek Stieg ons verbitterd aan. Wanneer ik me naar hem keerde, keek hij snel weg, om me af en toe achterdochtig aan te kijken. Niemand wil zo lang bij dezelfde jongens opgesloten zitten.
Kenneth vroeg of iemand naar de stad wilde gaan, hij klonk zo zwak en levenloos dat je hem nauwelijks hoorde. Tars schudde traag van nee en bleef naar het scherm staren, Stieg reageerde helemaal niet en bleef me vanuit zijn ooghoeken in de gaten houden. ‘Of gewoon naar buiten, wat badmintonnen in de tuin?’ Toen niemand antwoordde, zei ik dat ik wel mee zou gaan. Vijf dagen was te veel, er moest iets gebeuren. Dat ik nog eens wat bloed door mijn aders voelde stromen, dat ik eens het gevoel had wakker te zijn. Ik ging met Kenneth naar buiten en we speelden een potje badminton in het ongemaaide gras. Tussen de partijtjes door rookten we. Ik was al zo lang dat huis niet meer uit geweest dat ik nu pas besefte dat de appelboom zijn bladeren verloren was. Eigenlijk was het buiten niet veel beter dan binnen.
‘Gatver, ik heb geluid nodig,’ zei Kenneth. Hij zag er nog steeds ziek uit: uitgemergeld, onstabiel, als een Jenga-toren op zijn eindpunt. ‘Ik heb muziek nodig! Of een Xbox! Ik bedoel, je weet wel… Iets!’ Hij rilde en wankelde en krabde aan zijn elleboogholte. Ik keek hem vol walging aan en spuugde. Kicken.
‘Zet de radio aan?’
‘Carl heeft hem verkocht, wist je dat niet meer?’ Carl verkocht altijd dingen. Soms iets uit het huis, soms iets anders. Waar hij die dingen haalde, wist niemand, maar dat kon niemand wat schelen. Want Carl verkocht dingen, dus wij konden in het huis blijven, doen wat we altijd al hadden gedaan.
‘Tv?’
‘Geluid doet het niet.’ Hij hoestte en boog voorover. Het klonk ongezond, alsof hij tonnen as had ingeademd.
‘Sinds wanneer? En doe wat aan die hoest, je maakt me misselijk.’
‘Hè, zwijg toch, ik ben oké. En sinds altijd.’
‘Van waar komt dat ding dan?’
Hij haalde de schouders op, ‘van Carl?’ We rookten nog een sigaret en speelden een potje badminton. Ik had zin in eten, maar het eten was op en geld had ik niet meer. Misschien moesten we eens weg, naar Biarritz of Cuba of de Colruyt…. Alsof dat iets zou veranderen.

‘Heeft iemand Carl gezien?’ Stieg had grote ogen, hij zag eruit alsof hij in dagen niet had geslapen. Tars verbrijzelde walnoten, de schalen liet hij op het tafelblad liggen. Ik grabbelde een noot, hij sloeg het uit mijn hand en at het op als een eekhoorn. Hij leek nog het gezondst van allemaal, hij had vast ergens een geheime voorraad, de klootzak.
‘Is hij niet in zijn kamer?’ Stieg schudde van nee, ‘ga kijken.’
Carls kamer was verduisterd. Slechts door een kier van het rolluik kwam een straaltje geconcentreerd licht binnen. Overal op de vloer en in het bed lagen kleren, kussens, dekens, drankflessen, potten tabak… Ze waren nauwelijks zichtbaar, slechts hun schaduw verraadde hun aanwezigheid. Al kon het even goed iets anders zijn, wie weet lag ook hier een meisje dat maar niet wakker werd. Wie weet lag ik hier maar niet wakker te worden.
‘Waar is hij dan?’
‘Geen idee, weg,’ zei Tars nonchalant.
‘Sinds wanneer?’ Kenneth antwoordde traag, alsof elke lettergreep een inspanning vergde, dat hij Carl al niet meer had gezien sinds dinsdagmiddag.
‘Dan is hij al drie dagen weg?’ Iedereen haalde de schouders op en keek naar de bestofte vloer alsof zelfs het tapijt hen vreemd leek. Ik moest hier weg.
‘Ken je dat verhaal? Van de grot van Plato,’ begon ik. Ik wist niet waarom ik erover begon. Kenneth keek verbaasd op, alsof hij het verband niet meer begreep. Tars bleef voor zich uitstaren en Stieg tikte nerveus met zijn handpalm op zijn dijbeen.
‘Een bende sukkels zit in een grot, met hun rug naar de ingang en hun gezicht naar de achterwand.’
‘Wes.’
‘Een vuur achter hun werpt schaduwen op die achterwand. Zie je het voor je? Vier verdwaasde sukkels die zich blind staren op hun eigen schaduw, wakker en ook weer niet, te lui om zich om te keren, zich niet bewust van wat er buiten hun grot speelt.’
‘Wes, waar gaat dit heen,’ zei Stieg, de twee anderen bleven me bevreemd aankijken. Ik wist niet waar het heen ging, dat was juist het punt.
‘Wat er ook om hun heen gebeurt, ze zien het niet. Ze gaan gewoon door met wat ze altijd al deden: staren naar hun eigen schaduw. Het “waarom” bestaat niet, ze doen gewoon.’ Ik stopte. Kenneth bleef me verward aanstaren, Tars zei: ‘Jezus, man,’ en zette zich weer voor de tv. Het deerde niet, ik was toch uitgepraat.
Stieg begon zich op te winden, hij liep het hele huis af op zoek naar Carl maar kwam slechts terug met een hoop natte dweilen, ‘de douche is verstopt. Kenneth, dat is jouw haar. En die dweilen moeten geregeld worden ververst, het stinkt daar naar vervallen kaas.’ Hij leek Carl al vergeten te zijn. Ik had een voorgevoel dat hij morgen met dezelfde natte dweilen uit de badkamer zou komen.
‘Relax,’ zei Tars met zijn mond vol walnoten, ‘laat je meevoeren door de stroom, leef in het moment. Daarbuiten bestaat toch niets.’
‘Fuck you, Tars! En wie gaat nu eindelijk naar de stad voor een fucking Xbox!?’ Stiegs stem sloeg over. Iedereen bleef naar de televisie staren alsof ze het niet hadden gehoord. Lafbekken. Ik heb mijn fiets genomen en ben naar buiten gegaan. Ik wou Carl halen. Of juist niet. Ik wou verse lucht. Ik wou eten. Ik wou nicotine en misschien wat drank voor vanavond, meer niet. Ik wou weglopen en ontsnappen, ik wou slapen en weer wakker worden, ik wou onder mijn eigen dekens kruipen in mijn eigen bed maar er lag één of ander wicht in dat maar niet wakker werd.
En dan nog. Wat maakt het ook uit?

Weet je wat de grap is? Van de grot van Plato? Dat je er niet aan kan ontsnappen.

‘Waar ben je?’ Het was Carl. Ik was een sigaret aan het roken in het stadspark, op een bankje. Ik antwoordde niet op de sms, fuck hem, dacht ik. Ik dommelde in. Toen ik wakker werd, belde Carl me. Ik zag dat hij al drie berichten had gestuurd, ik moest maar eens oppakken.
‘Eindelijk. Waar ben je?’
‘Stadspark. Waar zat jij al die tijd?’ Hij had al ingehaakt. Vijf minuten later kwam hij aan op een donkerblauwe brommer, er zat een magnetron tussen zijn benen.
‘Waar heb je die vandaan?’
Hij hief de schouders en keek om zich heen. ‘Je weet wel. Spring er op.’
‘Heb je geld?’
‘Neen.’
‘Ik wil eten, man.’
‘Spring er op.’
‘Ik ga echt niets doen voor ik heb gegeten. En dat is al wat ik ga doen: eten.’
‘Doe dat dan.’
‘Ik heb geen geld.’
‘Juist. Spring er dus op.’
‘Wat gaan we dan doen?’
Hij keek om zich heen. ‘Dat weet je. Daarna kan je eten. En spring er nu op.’ Ik wist waar dit zou eindigen. Ik snoof wat lucht binnen en beet op mijn onderlip. Fuck it, dan moet het maar. Ik sprong op de brommer.

Maarten Luyten (1991) studeerde Taal- en Letterkunde: Nederlands – Engels in Gent en studeert momenteel Cultuurmanagement in Leuven. Hij trad op bij De Sprekende Ezels en zat in de finale van Write Now! 2013. De inspiratie voor dit verhaal vond hij bij zijn vrienden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s