Paul Auster: ‘Verdwalen in een stad is in contact komen met jezelf’

Dit najaar verschijnen twee nieuwe boeken van Paul Auster in Nederlandse vertaling: Dag/Nacht (een bundeling van zijn twee korte romans Op reis in het scriptorium en Man in het duister) en Verzamelde non-fictie. Beide uitgaven komen uit bij De Bezige Bij.

Passionate Magazine kreeg twee jaar terug de gelegenheid de wereldberoemde Amerikaanse auteur, die op bezoek was bij festival City2Cities in Utrecht, te interviewen. Hans Bouman sprak voor ons met Paul Auster onder meer over de grotestadsthematiek in zijn werk, en over zijn roman Winterlogboek uit 2012, waarin hij schrijft over alle appartementen waarin hij heeft gewoond, voornamelijk in New York.

‘Verdwalen in een stad is in contact komen met jezelf’
Auster1Paul Auster (1947) wordt beschouwd als een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van deze tijd. Hij werd wereldberoemd met The New York Trilogy (1987). Hij schrijft over de zoektocht van de moderne mens naar betekenis en identiteit. Onlangs verscheen zijn nieuwe roman Winter Journal (Winterlogboek).

Paul Auster is een stadsmens. In zijn autobiografische Winter Journal gaat hij uitvoerig in op alle 21 huizen en appartementen waarin hij heeft gewoond, sinds hij zijn ouderlijk huis verliet. Op twee na bevonden ze zich allemaal in steden, voor het overgrote deel in New York. Toen Auster enige tijd in San Francisco woonde, constateerde hij al snel dat hij deze stad klein en saai vond. De conclusie was onvermijdelijk: als hij dan toch in een grote stad moest wonen – en klaarblijkelijk moest hij dat – dan ook in de allergrootste. New York dus. Het liefst Manhattan, maar toen een appartement waar je met vrouw en kind in kon wonen in dat stadsdeel onbetaalbaar bleek, werd het Brooklyn. Is wonen in de stad van wezenlijk belang voor Austers schrijverschap?

Auster: ‘Het is niet zo dat ik, wanneer ik op het platteland zou wonen, geen schrijver was geworden. Maar ongetwijfeld wel een ander type schrijver. De impuls om te schrijven komt al op heel jonge leeftijd en daarbij maakt het niet uit waar je vandaan komt. Mijn echtgenote, schrijfster Siri Hustvedt, is een goed voorbeeld. Zij is afkomstig uit een klein dorpje in de Midwest. Dat gezegd hebbend: mijn type schrijverschap gedijt inderdaad het best in de grote stad. Daaraan ontleen ik klaarblijkelijk creatieve energie. Een stad als New York is onuitputtelijk. Het is onmogelijk die stad geheel te bevatten, te begrijpen. Hij verandert voortdurend.’

Austers voorkeur voor de grote stad boven het platteland betekent bepaald niet dat hij het urbane leven idealiseert. Dat blijkt bijvoorbeeld in Moon Palace (Maanpaleis), waar hoofdpersoon Marco Stanley Fogg wegens wanbetaling zijn appartement wordt uitgegooid. Hij gaat een zwerversbestaan leiden en merkt dat de grote stad niet vriendelijk is voor zijn soort. Maar als hij, op zoek naar een slaapplaats, in Central Park belandt – toch een beetje het ‘platteland’ binnen de grote stad – ervaart hij de sfeer daar als aangenaam vrij. Er heerst een aanstekelijke live and let live-tolerantie: een opmerkelijk contrast met de jungle-atmosfeer die een paar meter verderop op straat heerst.

Auster: ‘Op het echte platteland zou de vijandigheid ten opzichte van een dakloze waarschijnlijk nog een stuk heftiger zijn, want daar is de sfeer aanzienlijk conformistischer dan in de stad. Een park is een neutrale plek in een grote stad, waar mensen kunnen doen wat ze willen. Voor Fogg is Central Park een soort veilige haven. Jaren geleden, toen ik studeerde, was ik op zoek naar een appartement en kon niets vinden. Ik heb toen één nacht in Riverside Park op Manhattan geslapen, omdat ik echt niet wist waar ik heen moest. Die ervaring is de basis voor die passage in Moon Palace. Het was een wonderlijke, bevrijdende ervaring, maar tegelijkertijd niet echt voor herhaling vatbaar.’

Stadswandelingen
Het maken van lange stadswandelingen is een literair motief dat in Austers romans veelvuldig voorkomt. In City of Glass krijgt detective Daniel Quinn opdracht om ene Peter Stillman in de gaten te houden, en volgt deze op diens dooltochten door Manhattan. Er lijkt een betekenis te zitten achter de routes die Stillman volgt. Als Quinn ze uittekent, levert het wandeltraject de ene dag de vorm op van een niet-bestaande staat in de Amerikaanse Midwest, de volgende dag keer lijkt hij op een engel of vogel. Quinn komt er niet uit, maar voor de lezer lijkt duidelijk dat wandelen door de straten van de stad voor Auster een soort metafoor is voor het schrijven zelf. Of in elk geval een voorwaarde om tot schrijven te kunnen komen. In Winter Journal stelt hij: ‘Om te doen wat je doet, moet je wandelen. Wandelen is wat je de woorden aanreikt, wat je in staat stelt het ritme van de woorden te horen terwijl je ze in je hoofd schrijft. Eén voet vooruit, en dan de andere voet vooruit, de dubbele paukenslag van je hart. […] Schrijven begint in het lichaam, het is de muziek van het lichaam, en zelfs al hebben de woorden betekenis, kunnen ze soms betekenis hebben, de muziek van de woorden is waar de betekenis begint. Je zit aan je bureau om de woorden te schrijven, maar in je hoofd ben je nog steeds aan het wandelen, altijd aan het wandelen, en wat je hoort is het ritme van je hart.’

Auster: ‘Wandelen door de stad is een ideale manier om je gedachten te ordenen, om onderweg bewust en onbewust impressies op te doen die later, tijdens het schrijfproces, naar voren komen. Schijnbaar onbeduidende details die ineens uitstekend van pas komen. Het curieuze is dat ik, hoe graag ik ook wandel, een ongelooflijk slecht oriëntatievermogen heb. Aan de gyroscoop in mijn hoofd mankeert iets. Zoals iedereen weet, heeft New York de vorm van een kwadrant, doorsneden door streets en avenues: je kunt niet verdwalen. Maar elke keer als ik de subwayuitkom, loop ik naar het oosten in plaats van het westen, of andersom.

In steden die ingewikkelder in elkaar zitten dan New York is dat effect nog veel sterker. Zo ben ik bijvoorbeeld eens ernstig de weg kwijtgeraakt in Amsterdam. In het tweede deel van The Invention of Solitude (Het spinsel van de eenzaamheid) schrijf ik daarover. Ik begreep niet goed hoe de stad in elkaar stak en liep drie dagen min of meer in cirkels, waarbij ik mij op een gegeven moment afvroeg of ik soms in de cirkels van de hel rondwaarde. Vervolgens schoot het me te binnen dat er in de zestiende eeuw schrijvers waren die de verschillende diagrammen van de hel als geheugensysteem gebruikten.

Mijn redenering: als Amsterdam de hel is, en de hel is de herinnering, dan heeft het feit dat ik verdwaald ben misschien een doel. Ik realiseerde mij dat de stappen die ik zette mij niet zozeer ergens naar een plek toe brachten, maar naar mijzelf. Dat ik in mijzelf rondliep. Wandelen door een stad, wat bij mij dus al snel verdwalen betekent, is een vorm van introspectie.’

De tegenpool van wandelen door de stad in Austers werk, is rennen door de stad. In In the Country of Last Thingsbeschrijft hij de Runners, die net zo lang door de straten lopen tot ze dood neervallen. In een van de vele filmbeschrijvingen die zijn werk telt, ditmaal in Winter Journal, haalt Auster de film D.O.A.(Dead On Arrival) aan, waarin een vergiftigde man, die zich realiseert dan hij ten dode is opgeschreven, in een paniekaanval door de stad begint te rennen, tot de dood erop volgt.

Auster: ‘De film D.O.A. gebruikte ik als een visuele weergave van de paniekaanvallen waaraan ik van tijd tot tijd lijd. In 2002, twee dagen na het plotselinge overlijden van mijn moeder, had ik er voor het eerst last van. Ik kreeg er pillen tegen, die er mogelijk toe hebben bijgedragen dat ik een paar maanden later een verkeerssituatie in New York verkeerd beoordeelde. Een vrouw in een tegemoetkomende auto reed veel en veel te hard, maar ik schatte haar snelheid te laag in en dacht nog linksaf te kunnen slaan. Dat eindigde in een aanrijding die mijn vrouw en dochter fataal had kunnen worden.

Ik geloof dat rennen door de straten van een stad bij mij een soort wanhoopsbeeld is. Bij de Runners in In the Country of Last Things is het rennen niet zozeer een uiting van paniek, als wel van gebrek aan hoop, aan illusies. Ze rennen net zo lang tot lichaam en geest zich van elkaar scheiden; tot de dood hen bevrijdt.’

Ulysses
Auster2Auster doet in zijn werk niet geheimzinnig over de auteurs die hem fascineren en in meerdere of mindere mate hebben geïnspireerd. Naast Amerikaanse auteurs als Nathaniel Hawthorne, Herman Melville, Edgar Allan Poe, Henry David Thoreau, Ralph Waldo Emerson en Walt Whitman, noemt hij regelmatig de namen van Europese schrijvers als Franz Kafka, Knut Hamsum en Samuel Beckett. Maar als wandelen door de stad zo’n onontkoombaar motief is in zijn werk, hoe zit het dan met James Joyce, auteur van misschien wel de beroemdste stadsroman aller tijden, wiens Leopold Bloom we als de ultieme stadswandelaar kunnen beschouwen?

Auster: ‘Ik ben gek op Ulysses. Ik las het op mijn achttiende en het betekende een keerpunt in mijn leven. Vanwege Ulysses reisde ik naar Dublin: ik wilde de plaatsen zien die in dat boek voorkwamen. Joyce is om heel veel redenen een buitengewoon fascinerende figuur, niet in de laatste plaats omdat hij het fysieke en het geestelijke met elkaar integreerde. In Winter Journal haal ik een anekdote over hem aan die dat mooi illustreert. Op een feestje in Parijs, ergens in de jaren twintig, komt er een vrouw op Joyce af die hem vraagt of ze de hand mag schudden dieUlysses heeft geschreven. Joyce kijkt haar een paar ogenblikken aan en antwoordt: “Mag ik u erop wijzen dat deze hand ook heel wat andere dingen heeft gedaan?”

Briljant! Hij gaf geen nadere details, maar wat een verrukkelijk staaltje van obsceen en suggestief taalgebruik, dubbel effectief doordat hij alles aan de verbeelding van die vrouw overliet. Wat wilde hij dat ze voor zich zag? Hoe hij zijn kont afveegde, waarschijnlijk, in zijn neus wroette, ’s avonds in bed lag te masturberen, zijn vingers stak in de kut van zijn vrouw Nora Barnacle, en over haar aars bewoog, puistjes uitkneep, etensresten van zijn tanden schraapte, neushaartjes uittrok, oorsmeer uit zijn oren peuterde – vul maar in wat van toepassing is, het kernpunt is: wat zij het walgelijkst vond.’

Gedenktekens  
Austers waardering voor deze anekdote is niet moeilijk te begrijpen. In Winter Journal legt hij uitvoerig het belang uit van het fysieke, het lichamelijke. Al op de eerste bladzijde stelt hij: ‘Misschien kun je voorlopig beter even wachten met je verhalen en eerst proberen te onderzoeken hoe het vanaf het eerste bewuste moment van je bestaan tot aan de dag van vandaag is geweest om in dit lichaam te wonen. Een catalogus van zintuiglijke gegevens. Wat je een fenomenologie van het ademhalen zou kunnen noemen.’

Auster: ‘Wat ons lichaam ervaart is gelijk aan “het leven”. Wij hebben hersenen, emoties, gedachten, maar die ontspringen allemaal aan het lichaam. Het is ongelooflijk hoeveel van wat wij zijn in fysieke termen kan worden uitgedrukt. Winter Journal is een boek over hoe je als mens driedimensionaal in de wereld staat. Zo schrijf ik over de talrijke grotere en kleinere littekens die zich overal over mijn lichaam bevinden. Dat zijn stuk voor stuk kleine gedenktekens van bepaalde fysieke ervaringen, van gebeurtenissen in mijn leven die ik voor een groot deel allang ben vergeten, maar die wel degelijk hebben plaatsgevonden en die mij in meerdere of mindere mate hebben gevormd tot wie ik ben.

Het klinkt misschien raar maar ik vind het lastig om over Winter Journal te praten, omdat ik het eerlijk gezegd een nogal vreemd boek vind. Een boek dat ik moest schrijven, dat wel, maar toch ook iets waar ik moeilijk greep op krijg, omdat het zo sterk intuïtief tot stand kwam. Het bevat, zoals we al eerder bespraken, een lang fragment waarin ik al mijn woningen en appartementen beschrijf. De rechtvaardiging daarvan zal wel zijn: dit zijn de plekken die in de loop der jaren mijn lichaam hebben beschermd. Er wordt een lange passage gewijd aan mijn moeder. Wel: ik ben uit haar lichaam voortgekomen, dus dat zal daarvan wel de grondslag zijn. Maar ik kan dat eigenlijk alleen achteraf beredeneren. Het enige wat ik weet is dat ik er al schrijvend van overtuigd was dat die stukken erin moesten komen.’

Een sleutelzin in het in de tweede persoon geschreven Winter Journal luidt: ‘Iedere keer dat je voor een tweesprong staat, laat je lichaam het afweten, want je lichaam heeft altijd geweten wat je geest niet weet.’

Auster: ‘Ik spreek voor mijzelf, maar wat ik zeg geldt, denk ik, voor de meeste mensen. Wij ervaren allemaal van tijd tot tijd fysieke pijn. Gedurende onze jeugd vallen we, breken we ledematen, lijden aan een reeks kinderziektes, moeten bij allerlei gelegenheid overgeven, voelen ons ellendig, enzovoort. Als we ouder worden verandert de aard en aanleiding van de pijn enigszins, maar hij verdwijnt allerminst. In mijn eigen leven heb ik ervaren dan wat ik momenten van intensieve verandering, intensieve transformatie noem, veelal gepaard gaan met een al even intense pijn.

De meesten van ons slagen er redelijk goed in ons door het leven van alledag heen te slaan, zij het dat we – zonder dat anderen dat zien of weten – niet zelden bijeen worden gehouden door spreekwoordelijke pleisters en verbanden. We slikken pillen, spoelen ons verdriet weg met alcohol, zoeken houvast bij een therapeut. Maar dan ineens begint er iets op te spelen in je lichaam. Als gevolg van stress of wat voor onbehagen ook, manifesteren zich fysieke gebreken die je vertellen: je dacht wel dat alles goed was, dat je alles onder controle had, maar je lichaam weet beter. In mijn geval waren dat paniekaanvallen, een maagontsteking, scheurtjes in de hoornvliezen van beide ogen, een bloedprop in mijn linkerbeen…

Ik beoog in Winter Journal via persoonlijke ontboezemingen iets meer algemeens over ons mensen te vertellen. Ik ben niet meer dan een voorbeeld van wat het betekent om mens te zijn. We hebben allemaal dit soort zaken meegemaakt, want dat is de essentie van leven. We hebben allemaal ons brein, onze gedachten en gevoelens, maar die zijn onlosmakelijk verbonden met ons lichaam, en of we willen of niet: vroeg of laat manifesteren die gedachten en gevoelens zich via ons lichaam.’

Willekeur
Auster3In de loop van de zestien romans die hij tot dusver heeft geschreven, heeft Paul Auster geflirt met een veelheid aan verschillende genres, van de Kafkaeske dystopie tot de road novel, van de Bildungsroman tot de frontier novel, van de picareske roman tot uiteenlopende variaties op wat je de matroesjkaroman zou kunnen noemen, gekenmerkt door wat wij in Nederland het Droste-effect noemen: een verhaal-in-een-verhaal-in-een-verhaal. Maar hoe uiteenlopend deze romans qua vorm ook vaak zijn, thematisch worden ze gekenmerkt door een grote hechtheid: de onkenbaarheid van de werkelijkheid, de machteloosheid van het individu, de ongrijpbaarheid van het begrip ‘identiteit’, de willekeur van het lot en de eeuwige zoektocht die het aards bestaan voor de mens inhoudt. In Winter Journal beschrijft Auster voor het eerst een gebeurtenis uit zijn jeugd die, zo is hij later gaan beseffen, wezenlijk moet zijn geweest voor zijn latere schrijverschap.

Auster: ‘Op mijn veertiende was ik met een vriendje in een weiland aan het spelen, toen het begon te onweren. Plotseling kwam er een bliksemflits en mijn vriendje, die maar een halve meter van mij vandaan stond, viel op de grond. Terwijl het steeds harder ging regenen en we allebei doorweekt raakten, probeerde ik hem warm te houden. Ik bleef wel een vol uur bij hem zitten, want ik begreep niet dat hij dood was. Het was een verschrikkelijke ervaring en pas later ben ik mij gaan realiseren hoe belangrijk hij was voor mijn geestelijke vorming. Die gebeurtenis maakte mij bewust van het feit dat ons leven onzeker en onvoorspelbaar is, dat het ongeluk altijd en bij iedereen kan toeslaan, ook als je het het minst verwacht.’

Hans Bouman (1955) schrijft in de Volkskrant over Engelstalige literatuur. Hij schreef een aantal reisboeken, waarin hij onder meer het voetspoor van literaire helden volgde. Daarnaast publiceerde hij jeugdboeken en vertaalde enkele romans uit het Engels.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s