Opbouw en afbraak – de poëzie van Theo Verhaar

Door: Erik Brus

Deze maand is het vijftien jaar geleden dat dichter Theo Verhaar (Rotterdam, 1954-1999) overleed. Gedurende de jaren negentig schreef hij zes dichtbundels met een filosofische inslag, waarin zowel de mensen als de stedelijke omgeving waarbinnen zij wonen, een levenscyclus van opkomst en verval doorlopen.
Daarmee stond het werk van Verhaar haaks op de tijdgeest van de jaren negentig, waarin door economen en politici ‘the end of history’ en een tijdperk van ongeremde groei werden verkondigd. Nu we in een heel andere tijdgeest zijn aanbeland, is duidelijk dat Verhaars poëzie profetisch was en haar tijd vooruit.

In Theo Verhaars debuutbundel Stof bedekt niet uit 1991 zijn de thema’s al te vinden die ook zijn latere werk zullen kenmerken. De gedichten zijn korte impressies van allerlei stadstaferelen, meestal van enige afstand bezien. Ruimte, menselijke beweging en stedelijk verval zijn daarbij belangrijke motieven. De dichter lijkt meestal een buitenstaander, soms is hij deelnemer – maar in essentie maakte dat weinig verschil. Regelmatig laten de gedichten zien dat de mens zich in een zelfgecreëerde omgeving beweegt die per definitie beperkend is. De stad is begrensd, omdat de menselijke denkwereld die haar verzon, evengoed begrensd is.

Ruimte is ‘n schaars goed
Alleen ‘n gedachte die niet nog verder
Krimpen kan zet zich vast in ‘t brein.
Zelfs ‘t innerlijk ligt buiten je.
(…)
De uitgebreidheid van ‘t pleintje
Is optisch bedrog, in wezen even klein
Als ‘t opgegooide muntstuk bij de toss.

Filosofische inslag
De gedichten van Theo Verhaar hadden vanaf het begin een filosofisch karakter. Voordat hij zijn debuut maakte studeerde hij filosofie in Amsterdam. Hij leverde zijn scriptie echter niet in, omdat hij steeds meer vond dat de wijsbegeerte ontaardde in abstractie en naar binnen gekeerdheid. Hij richtte zich op het schrijven van poëzie, zonder er nog mee naar buiten te treden. Toen zijn vrouw een reeks van zijn gedichten naar uitgeverij De Harmonie stuurde, volgde snel Verhaars debuutbundel Stof bedekt niet in 1991.
Theo Verhaar werd geboren in 1954 in de Rotterdamse wijk Charlois. Hij groeide op in tuindorp Vreewijk in een katholiek gezin en – naar eigen zeggen – boekhoudersfamilie. Hij was een veelbelovend talent bij voetbalclub Spartaan ‘20, maar door een knieblessure moest hij de hoop op een professionele voetbalcarrière opgeven. Na de mulo en het avondgymnasium studeerde hij begin jaren tachtig wijsbegeerte in Amsterdam, totdat de universitaire wereld hem teveel ging tegenstaan.
Stof bedekt niet, met zijn koele en gereserveerde gedichten, werd nog slechts in kleine kring opgemerkt. Rien Vroegindeweij schreef inRotterdams Nieuwsblad een portret van Verhaar, die met vrouw en kinderen in Rotterdam-Kralingen woonde en zich geheel aan het schrijven van poëzie wijdde. Vroegindeweij merkte op hoe zeldzaam de combinatie van dichtkunst en elementen uit de filosofie is. De verhouding tussen poëzie en filosofie is per definitie moeilijk, er zijn essentiële verschillen tussen de disciplines. ‘De filosoof bedenkt zijn sluitend systeem, als een bedding in een rivier, waarop de dichter al gauw water ziet branden,’ aldus Vroegindeweij. Toch meende hij dat het Verhaar gelukt was om filosofische begrippen in de alledaagse werkelijkheid te plaatsen.

Zo is het
Twee jaar na Stof bedekt niet volgde Eeuwig tweede waarin Verhaars gedichten nog uitgebeender zijn. In zijn observerende rol lijkt de dichter bovendien nog meer afstand te nemen. Hij noteert in het openingsgedicht hoe de mensen in een nieuwbouwwijk, met rechthoekige appartementen, zich hebben aangepast aan het gelijkvloerse moderne leven. Op de ladder van de levensvragen / vullen zij alleen / de rubriek ‘horizontaal’ in.
In de cyclus ‘Getuigen à décharge’ worden herhaaldelijk menselijke lichamen en gebouwen gelijkgesteld. Welke levenlozer zijn, is maar de vraag. Een man kleedt zich aan en merkt dat zijn overhemd niet eens naar zweet ruikt. Een vochtige muur voelt aan als een met after-shave besprenkelde wang. En: De dingen zijn van dezelfde vloeistof / een uitvloeisel als gedachten. Daarom hebben gebouwen net zo goed als mensen een beperkte levensduur. De beschrijver ervan kan niet anders dan toekijken, onmachtig om in te grijpen. Met twee woorden spreken, schrijft Verhaar, houdt de aftakeling niet tegen. Dat de gedichten in vergelijking met Stof bedekt niet nog korter zijn geworden, lijkt dat gegeven te onderstrepen. In korte onnadrukkelijke zinnen lijkt hij vooral feitelijke vaststellingen te willen doen. Alsof de gedichten zeggen: Zo is het, en maak je verder geen illusies.

Weerstand neemt toe
In de derde bundel Uitzaaiingen (1994) wordt de relatie mens/omgeving vanuit een nieuwe invalshoek bekeken. De openingscyclus bouwt nog voort op eerder werk. Er is sprake van stadsvernieuwing, expansiedrift. Daartegenover staat dat geschiedenis zich niet sturen laat; zij heeft blijkbaar haar eigen wil. Verval blijft zichtbaar ondanks menselijk ingrijpen. De vrijgekomen ruimte is even / deelbaar door zichzelf. / Nooit breidt zij zich uit. / Contactarme materialen staan klaar / om het hardhout te vervangen.
De tweede reeks gedichten draait om de wisselwerking tussen een klein meisje – dochter van de ikfiguur – en haar groter wordende leefwereld. Het lijkt alsof ze aanvankelijk denkt haar wil op te kunnen leggen. Ze draagt haar omgeving karweitjes op, zoals haar vader die haar huid moet insmeren. Door het contact te leggen ontstaat een gevoel van identiteit. Ze raakt iets aan / dan bestaat ze. Ze ordent haar gedachtegoed door in één beweging alles wat op tafel ligt op de vloer te vegen. Maar als een vaas gebroken is, dringt de geur van rottende bloemen in haar neusgaten. En de namaakmarmeren tafel wacht zonder een krimp te geven / op haar ontdooiing. Die ontdooiing volgt niet. Het meisje lijkt terug in zichzelf te keren, als ze merkt dat ze haar wereldje niet naar haar hand kan zetten. Haar opwinding verbleekt / terwijl haar weerstand toeneemt.
Deze gedichtenreeks over een kind kan je als opmaat lezen naar de in zichzelf gekeerdheid – van mensen én dingen – uit Verhaars eerdere gedichten. Steden en hun inwoners: onderling afhankelijk, zonder elkaar veel te bieden te hebben.

Ruimte creëren
Theo Verhaars werk zou gemakkelijk geplaatst kunnen worden in een Rotterdamse naoorlogse poëzietraditie. C.B. Vaandrager, Hans Sleutelaar, Riekus Waskowsky, Frans Vogel en J.A. Deelder hebben, net als Verhaar, veelal korte gedichten geschreven, op een nuchtere toon en met nadruk op het grotestadsleven. Hun werk is echter humoristischer en herkenbaarder in de stad geworteld. In een interview in Passionate Magazine in 1997 neemt Verhaar afstand van deze traditie. ‘Met Sleutelaar heb ik geen affiniteit en Deelder is het laatste notoire oorlogsslachtoffer.’ Verhaar ziet Rotterdam als een belangrijke inspiratiebron, maar hij abstraheert die invloeden veelal, het gaat hem om mechanismen van het grotestadsleven die net zo goed in buitenlandse metropolen gelden. Over zijn werkwijze zegt hij: ‘Het gedicht is voor mij geen muziek, maar een vorm van denken (…) Ik ga naar de kern van de zaak. Ik probeer er niet omheen te draaien. Ik ben niet bezig met de grote dingen, ook al denk ik iedere dag wel een paar keer aan doodgaan. Wat ik doe is ruimte creëren, dat is wezenlijk. Ik creëer ruimte voor een volgende zin.’
De weerslag van reizen door Europa is te vinden in Het badwater van de fotograaf (1996). Dresden, Belfast, Warschau, Berlijn en andere, net als Rotterdam gehavende steden, tonen dezelfde sporen van afbraak, herinrichting, en de geschiedenis die zich niet wegpoetsen laat. Nog meer dan voorheen beperkt Verhaar zich in zijn vierde bundel tot korte stadsbeelden, zonder veel dichterlijk commentaar. Stel geen vragen naar feiten die je kunt naslaan, schrijft hij in ‘Weimar ’94’.
Langzaamaan begint Verhaar een reputatie als dichter te krijgen. NRC Handelsblad spreekt naar aanleiding van Het badwater van de fotograaf van ‘puntgave verzen’. Zijn gedichten worden in het Duits vertaald, en hij treedt enkele malen op op festival Poetry International.

Anoniem gezicht
Nawakker uit 1998 is de laatste bij leven verschijnende bundel. In Nawakker staat de beleving van de personages centraal, eerder dan het onverzoenlijke stadslandschap dat in Het badwater van de fotograaf nog de hoofdpersoon vormde. Er is veel sprake van afscheid, terugblikken, uit huizen weggaan.
De cyclus ‘Nawakker’, over een oude vrouw, is een soort spiegelbeeld van de cyclus over het meisje uit Uitzaaiingen. Dat meisje leek niet voorbestemd om verrijkt te worden door de plaatsen die zij nog zou bezoeken. Ook de oude vrouw trekt zich terug uit haar omgeving. Ze is doof geworden voor elk binnendringend geluid, een spiegelwand toont haar een anoniem gezicht. Haar bezoekers hebben het gevoel dat ze een intiem proces verstoren. Steen – heeft een Japanse dichter opgetekend – wil leven en langzaam sterven. Met haar verkeren. Niets of niemand kan iets voor haar doen, ze kwijnt weg tot het einde daar is.
De precieze, onsentimentele beelden in Nawakker worden geprezen. Rob Schouten schrijft in Vrij Nederland: ‘Mij houdt hij wel in zijn ban met zijn staaltjes afbraak.’

Tweeslachtigheid
Najaar 1998 wordt Verhaar de Anjerfonds – Anna Blaman Prijs toegekend, een tweejaarlijkse oeuvreprijs aan een schrijver of dichter uit het Rijnmondgebied. Erg verrast toont hij zich niet. ‘Eigenlijk is het wel logisch. Zoveel schrijvers en dichters zijn er niet in Rotterdam. En ik heb inmiddels vijf dichtbundels geschreven en enige landelijke bekendheid. Het geld (12.500 gulden) gaat gewoon bij het inkomen, want als dichter word je niet echt goed betaald,’ zegt hij in het lokale De Havenloods. Hij legt uit waarom hij voor poëzie heeft gekozen. ‘In de filosofie moet alles logisch verantwoord zijn, in poëzie komt de tweeslachtigheid, mijn liefde voor paradoxen, beter tot zijn recht.’
Het juryrapport van de Anna Blaman Prijs wijst op de hoge productie van Verhaar – vijf hoogstaande dichtbundels binnen zeven jaar. Hij nodigt de lezer uit mee op zoek te gaan, aldus de jury, naar betekenissen die onder de oppervlakte verborgen liggen. Hij laat steden zien als lichamen. Ze worden opgelapt als plastisch chirurgie, wat het verval nog zichtbaarder maakt. Hij behaagt niet, maar is erin geslaagd verdriet een vorm te geven die troost biedt.

Hang naar lijfsbehoud
Theo Verhaar overlijdt in 1999, op vijfenveertigjarige leeftijd, aan een bottumor. Kort voor zijn dood heeft hij zijn zesde bundel Valscherm voor Erasmus voltooid, die begin 2000 postuum verschijnt.
In de titelreeks worstelt een ‘te oude vader’ met een ernstige ziekte. Hij houdt zich vast aan statistieken, de reputatie van een specialist. Maar er is sprake van een hard oordeel, en zijn rationele inslag heeft geen afdoende verweer. Ook hier is sprake van een verlies van betekenis en zingeving. Dat geldt ook voor zijn dichterschap, er is sprake van een verblijf van was, en haastige beelden waarmee dogma’s witgewassen worden.
Toch is er de suggestie dat de omgeving de dichter, ook al is hij ziek, nog nodig heeft. Er is sprake van woorden die hem leenrecht verschaffen op een rijke uitstalkast, maar ook van De hang / van de afbeelding / naar dwaling / en lijfsbehoud. Als de dingen niet meer gezien worden, sterven zij ook een beetje. Ondertussen doet een tuinman, niet ver van huis, voorbereidend werk. Trouw noemt Verhaar naar aanleiding van de bundel ‘een bij uitstek concrete dichter… die concreetheid is in deze pure vorm tamelijk uniek in de Nederlandse poëzie’.
De cyclus ‘Dagbouw’ uit Valscherm voor Erasmus was als aparte uitgave eind 1998 al verschenen bij de uitreiking van de Anna Blaman Prijs. De tien gedichten roepen een landschap op en zijn maker. De maker lijkt de dichter te zijn, het landschap de beelden die hij maakt – mogelijk zijn creatieve arbeid van één dag. Zijn gereedschap bestaat uit ‘verwoorden’. De maker is bezig met land scheppen / tot op het bot. Een typerende paradox van opbouw en afbraak tegelijk. De maker doolt in zijn landschap rond, een stralende schepping brengt hij niet tot stand. Een bouwkeet hangt uit zijn lood, er zijn verbandplaatsen, moerassige gebieden. Als de maker zich terugtrekt, herordent het landschap zich als vanzelf. Blijkbaar is daar, ondanks alle lelijkheid, iets zelfstandigs ontstaan. Hij voelt bijna / de zuigende / werking / van de ruimte / als opslag.


Erik Brus publiceerde met Fred de Vries het boek Gehavende stad, muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu en is medesamensteller van verzamelboek ROTTERDAM. Hij realiseerde i.s.m. Laurens Abbink Spaink de novelization Zwartboek van de film van Paul Verhoeven. In 2015 verscheen het mede door hem samengestelde boek Ken zó in Boijmans – Frans Vogel 80 (Studio Kers). Lees meer artikelen van zijn hand.

Alle gedichten van Theo Verhaar, met een nawoord van Rob Schouten, is in 2011 verschenen bij De Harmonie. Zijn zes dichtbundels, plus een niet eerder verschenen gedicht, zijn hierin bijeengebracht.

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in het juli-aug 2011 nummer van Passionate Magazine.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s