Anne Broeksma: ‘Een gedicht is een duw met woorden’

Ik sta tussen de vier pijlers van een hoog smeedijzeren hek en ik hoor het grind knisperen; dichter Anne Broeksma rent me tegemoet. Haar lange, wapperende haren vormen een rode loper naar Herteveld, het kolossale landhuis waar ze al drie jaar de zolderverdieping huurt. In deze groene stilte, aan de westkant van de Vecht in Maarssen, ogen de luiken en ramen statig en roerloos als een rij dominostenen. Achter de zeventiende-eeuwse vensters, achter doorgaans dichte gordijnen schreef Anne haar debuutbundel Regen kosmos kamerplant, die onlangs verscheen bij uitgeverij Atlas Contact.


Anne1Het is belangrijk om in een saaie omgeving te leven

‘Ja, dat is een bot statement; een reminder dat uit saaiheid heel veel kan ontstaan. Ik kom uit Almelo en op mijn vijftiende begon ik met het schrijven van gedichten omdat ik me verveelde en een ontsnapping zocht. Deze regel herinnert me aan het feit dat niet alles moet doordenderen, dat niet alles fantastisch hoeft te zijn. Uit saaiheid kunnen juist hele mooie dingen ontstaan. Ik ben graag toeschouwer, of een attribuut in een kamer vol mensen. Ik vind het leuk om me soms in de schaduw op te houden als een kamerplant. Zo’n plant staat binnen, maar “kijkt” de hele tijd naar buiten.’

Mijn zus noemt mij een steen
maar lege fotolijsten kunnen mij diep raken.

‘Ik hou van poëzie die tegelijkertijd magisch en nuchter is, poëzie die een beetje gedurfd is en waarin grote woorden niet geschuwd worden. Daarnaast heb ik een zwak voor licht duistere natuurlyriek; vandaar dat ik me thuis voel bij Scandinavische schrijvers als Knut Hamsun, Torgny Lindgren en de dichter Werner Aspenström. Ik stuit graag op verwondering in gedichten, maar tegelijkertijd heb ik de drang om die verwondering met de grond gelijk te maken; om de realiteit en de wereld achter het gedicht binnen te laten.’

Ik zit hier schichtig te wezen in een wereld
die zijn schepnetje naar me uitsteekt

‘Mijn kern is schichtig en onrustig, maar niet ongelukkig. Ik mis innerlijke rust, ook op het podium. Mijn gedachten schieten dan alle kanten op en die gedachten moet ik echt temmen.’

‘Ik beschrijf een wereld die voortdurend met een vangnet klaarstaat. Zeker voor kinderen. Het is de veilige prefab-wereld van een buitenwijk waarin alles goed geregeld is. De enige vorm van avontuur is te vinden in het gepiep van een vogel in de bosjes en kraaien die soms een beetje dreigend opvliegen.’

‘Mijn ouders waren niet avontuurlijk, dus spannende gebeurtenissen moest ik zelf zoeken. Ik had een sterk verlangen om “buiten” te blijven, om nooit ergens te arriveren. Om met het vallen van de avond niet samen met het speelgoed door de schuifdeur naar binnen te gaan, om roekeloos te leven als een schrijffout op winkelruiten, om een beetje buiten het gezin te staan, ’s avonds als kind alleen naar de stad, daar droomde ik van. Ik wilde geen onderdeel van mijn eigen leven uitmaken, niet onder de lamp binnen zitten.’

‘Ik was zo’n meisje dat rustig op zondag om zes uur ’s ochtends thuiskwam. Dan had ik met vage vrienden eindeloos in een parkje zitten praten. En om elf uur zat ik wel weer vrolijk bij mijn ouders aan het ontbijt. Ik hield alle ballen tegelijk in de lucht. Dat kon gelukkig, want ik mocht veel van mijn ouders. Ze vertrouwden me, wisten dat ik niet geïnteresseerd was in het doen van domme of foute dingen.’

Het liefst zou ik vanachter alle deuren
mensen schrapen, lossnijden van bed en bank
kantoorpanden leegkruimelen boven de stoep

‘Ik hou van experimenten; mensen uit hun huizen schudden om te kijken of de wereld nog bestaat. Waar is de chaos, het ongeregelde? Ik weet dat toeval bestaat, maar ik wil dat voor me zien. Ik wil iedereen verplicht op straat laten zitten en dan kijken wat er gebeurt. Ik ben benieuwd waar mensen voor kiezen. Iedereen zit tegenwoordig achter een eigen raam en een laptop; iedereen zit in z’n eigen wereldje waardoor de virtuele werkelijkheid in ons hoofd bijna groter is geworden dan al het andere dat ons omringt.’

Om in leven te blijven verschuif ik soms een groot blok beton
door een weiland.

‘Ik denk dat mensen soms barrières nodig hebben waar tegenover ze zich kunnen verhouden. Als je geen afgebakende problemen hebt, ligt er een groot leeg weiland aan je voeten waarmee je niets kunt beginnen. Ik vind het leuk om af en toe ergens een duw tegen te geven om te kijken wat er gebeurt. Dat is ook hoe ik poëzie schrijven zie: ik neem iets waar of misschien bewonder ik zelfs iets, dat beschrijf ik en vervolgens geef ik er een duw tegen om te kijken wat erachter zit, of wat er nog meer mee mogelijk is. Een gedicht is eigenlijk een duw met woorden.’


Anne2Mijn gesprekspartner en ik, wij hebben hetzelfde doel:
wij willen een behouden avond.

‘De kracht en de onmacht van communicatie fascineren me. Wanneer is er wezenlijk contact? Aan een tafeltje tegenover elkaar, wanneer we onze hoofden afstemmen met wat we zeggen? Is het heen en weer kaatsen van zinnen die op elkaar aansluiten ook niet nogal robotachtig? Een gesprek is soms net een pingpongwedstrijdje, maar ik verlang er ook niet naar om in de nabijheid van de ander weg te zinken in stilte.’

‘In een conversatie kun je maar een deeltje van wie je bent laten zien, en omdat de ander ook maar een deeltje toont, acteer je in feite in elkaars toneelstuk. De ander bestaat namelijk alleen uit jouw waarnemingen en andersom. Soms denk ik: waar gaat dit heen? Waar is dit goed voor? Naast die zinloosheid voel ik ook triestheid, omdat we elkaar nooit helemaal leren kennen.’

Vanaf het moment dat je geboren wordt
beginnen er twee schoenen te lopen

‘De basis van mijn wereldbeeld is niet bijzonder vrolijk, maar je kunt prima met de dood bezig zijn zonder depressief te worden. Vergankelijkheid is niets iets om sacherijnig van te worden. Integendeel: de eindigheid van het leven maakt van elke dag een cadeautje. Ik vind het fantastisch dat ik op een dag doodga, die gedachte geeft toch een bepaalde suspense aan het leven. Ik ben niet op zoek naar eeuwige wolkenvelden met dartelende hertjes en ranja slurpende engelen. Het lijkt me daar dodelijk saai.’

zolang de mijne maar geen zwarte schoenen zijn
met van die lage hakken, voor elke gelegenheid geschikt

‘Ik zoek in mijn gedichten naar het absurde van ons bestaan: ik schrijf en denk over de dood terwijl ik bezig ben met ijdel zijn. Die ijdelheid staat natuurlijk sterk in contrast met er niet meer zijn, straks. Ik hou van het schakelen tussen serieuze onderwerpen en “banale dingen”. Als de dood mij dan toch komt halen, laat het dan niet op van dat nare, zakelijke schoeisel zijn.’

kleine giraffepaarden zweven nieuwsgierig door de stad
met vleugels als bladeren en goedmoedige snoeten

‘Met mijn gedichten wil ik soms mensen en hun leefpatronen “vangen”. Ik wil hun verhaal, hun geschiedenis, hun soms jungleachtige uitdrukkingsvormen vastleggen en doorgronden. Ik wil er grip op krijgen door er van een afstandje naar te kijken. Ik wil het geheel overzien: kijken wat er achter de eerste, zichtbare werkelijkheid zit.’

praten kunnen ze, over verkeersborden en over de regen
soms slingeren ze een aanmoediging in elkaars gezicht
en kijken daarbij heel oprecht

‘Ik weet soms niet wat ik met al die mensenlevens en hun emoties moet. Ik heb dan de drang om mensen in gedachten te vangen en weg te stoppen in een doosje of in een handdoek te wikkelen.’

als je aandachtig zou luisteren naar een exemplaar
zou het je laten schrikken met zijn verhalen
je zou het in een handdoek willen wikkelen
de vleugels stevig dichtgebonden

‘Juist omdat ik ze niet allemaal kán troosten, doorgronden, begrijpen of kennen, wil ik ze soms wegwerken. Dat is een enge emotie, en een gemene reflex.’

‘Het is wel een vorm van troosten, maar vooral een manier om de ander te beschermen tegen zichzelf of te behoeden voor nog meer fouten. En het gaat niet alleen over andere mensen; als ik mezelf zat ben, wil ik Anne Broeksma ook in een doosje stoppen.’

‘Ik doe af en toe graag alsof ik een bioloog ben die een insect met een pincet vastpakt en telt hoeveel ogen, poten of sprieten het beestje heeft. Een dier hardhandig vastpakt om het te bekijken, in een categorie op te delen en waar nodig het gedrag te doorgronden. Net als die bioloog wil ik, als ik gedichten schrijf, mensen oppakken en in een potje doen. En dan af en toe het potje openmaken om even een aai over een mensenhoofd te geven. Zo ben ik dan ook wel weer.’
Anne3Anne groeide op met hamsters, konijnen, schildpadden en wandelende takken. Haar verzameling (‘realistische’) knuffels heeft de slaapkamer inmiddels gekraakt en in een ver maar vers verleden heb ik wel eens een weekje op Gilead gepast, een gekko uit Israël die ooit via een lading paprika’s per ongeluk op het bureau van je kersverse echtgenoot (dichter Alexis de Roode) belandde.

Regen kosmos kamerplant barst van de bundeldieren: oneetbare nachtvlinders, dappere gordeldieren, victoriaanse schapen, kinetische zombiedieren, vallende goudvissen, familievogels, nacht- en nestdieren, etc.
Toch gaat de bundel over mensen…

‘Een dier als het kleine giraffepaard is inwisselbaar. Ik verzin expres een overdreven diersoort, zodat duidelijk is dat het ergens anders voor staat. Ik hoop dat mensen een gedicht makkelijker slikken wanneer de boodschap van een beest komt, van een soort die ze niet zelf zijn. Mensen staan te dicht bij ons; dat zijn we immers zelf.’

‘De boodschap van een dier komt zachter over, minder direct. Dat ik soms dieren gebruik waar het mensen betreft beschouw ik als een moderne variant van de fabeltraditie. Die animalisering, die verdiering is een vertrouwd vehikel om menselijke emoties mee uit te drukken. En ik vind het ook gewoon leuk om net te doen alsof ik zelf geen mens ben. Even een stapje weg van de eigen soort.’

je selecteerde de dingen niet op functie
maar op glans, aaibaarheid, kleur

‘Als kind wilde ik een dappere indiaan zijn. Samen met mijn beste vriendinnetje lachten we iedereen uit die tegen de jacht was – haar vader was jager – of sentimenteel met dieren omging. We wilden boswachter worden om stropers te vangen. Natuurliefhebberij in de vorm van nuchtere wetshandhaving, dat sprak ons aan. We hadden een grote mond tegen leraren en we wisten hoe de wereld in elkaar zat. Ik gaf iedere week een spreekbeurt over een ander dier en niemand protesteerde. Kennis over de natuur was voor mij de heilige graal.’

‘Tegelijkertijd vond mijn moeder, die in de kinderpsychiatrie werkte, dat ik te lang in de “magische fase” bleef hangen. Dat klopte wel: als mijn vriendinnetje en ik bijvoorbeeld naar de Veluwe gingen en geen wild zwijn zagen, verzonnen we er gewoon eentje. Ik was er vroeger van overtuigd dat er een schaap op de route naar school stond en het dier was heel belangrijk voor me, maar ik kan het ook prima gedroomd of gedagdroomd hebben. Iets zeker weten is niet altijd beter.’

in zijn dromen
doet de man de antiziektedans,
iedereen kijkt toe,
applaudisseert

‘Ik dicht over het mechanische van levende wezens en de bezieling van dode materie, en ook over de microkosmos versus de macrokosmos. Een ander belangrijk thema is het beheerste apollinische van orde en wetenschap versus het onrustige dionysische van de geestvervoering en de levenskracht. Tussen die spanning, tussen orde en chaos,  moeten we toch een weg zien te vinden. Juist die spanning doet schrijven en leven.’


Anne4Het vogelbekdier is een onhoudbare situatie

‘Dualiteit ligt in mijn sterrenbeeldkarakter van tweelingen besloten. Ik doe soms generaliserende uitspraken en vind de context belangrijk, maar ondertussen zoom ik in op het gedrag van één wezen, aan de hand van het dna van het vogelbekdier bijvoorbeeld.’

ook Sinterklaas
had het bestaan niet nodig
om zich te openbaren

Gerard Reve schreef: ‘God is het enige wezen, dat het bestaan niet nodig heeft om zich te openbaren’. Hoe zie jij God?

‘Ik geloof niet echt in de ChristenGod, al vind ik Maria altijd sympathiek. Ik heb niets met het idee van de dag des oordeels of met zondaars die boete moeten doen. Alsof het leven op aarde een grote spelshow is met regeltjes en punten. Dan loop je een leven lang op je tenen en win je uiteindelijk een broodrooster. Bovendien vind ik de bijbel een beetje knullig geschreven.’

toen wist je niets
maar begreep je alles

‘Inmiddels is de wetenschap mijn religie, ik vind de evolutieleer heel mooi. Aan natuurwetten kun je niet ontsnappen, allen via de verbeelding. Wetenschap is nu eenmaal niet altijd even leuk. Juist omdat we allemaal de feiten kennen: zonder bezieling is een lichaam een zak met organen dat een keer ophoudt te bestaan. En wij – deels dankzij poëzie – zijn meer dan zo’n zak organen.’

Ik denk aan jou als aan een gegeven. Ik denk aan gegevens.

Anne Broeksma (Almelo, 1987) rondde een studie Nederlandse literatuur af in Utrecht en werkt bij Greenpeace. Sinds 2009 treedt ze regelmatig op met poëzie. Zo droeg ze voor op festivals als Mooie Woorden, Dichters in de Prinsentuin en Lowlands. In 2011 haalde ze de landelijke finale van schrijfwedstrijd Write Now!. Ook is ze actief als presentatrice en organisator van literaire avonden. Ze publiceerde gedichten in Het Liegend Konijn, Kluger Hans, in verschillende e-zines en in bloemlezingen. Regen kosmos kamerplant is haar debuutbundel.

Nadine Ancher werkt als redacteur, journalist, vertaler en fotograaf. Ze publiceerde interviews en reportages in onder meer De MorgenADVrij NederlandNieuwe RevuOpzijMargriet en Marie Claire. Lees meer artikelen van haar hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s