Constellaties

In Constellaties sluipt een wolf rond. Hij komt tevoorschijn uit een Bijbeltekst, doodt een hert, hij dwaalt door het licht en staat oog in oog met Noah. Mensen herhalen elkaar en veranderen zonder het zelf door te hebben. Ze verkennen hun omgeving, maar waar ze ophouden en iets of iemand anders begint, blijkt minder helder dan gedacht.

Een man rolt een grasmaaier naar voren en achteren, meerdere keren over hetzelfde stuk. Het gesneden gras maakt een kleine val van de messen naar de grond. Er komt een geur los.
Binnen, achter een gevierendeelde ruit, kijkt vanuit een stoel een vrouw toe; ze vraagt zich af wat het betekent, die man van het ene glas naar het andere. Het is binnen donker, ze ziet in het zonlicht dat amper voorbij de vensterbank valt stof bewegen als een zwerm vogels in de avond.
Hij kijkt op, de man. Ze zien elkaar door het raam.
Als ik doorheb, denkt ze, dat hij over me denkt terwijl hij me aankijkt, als ik weet dat hij zich dan afvraagt wat voor geheimen ik heb, waarin ik thuis ben, dan voel ik me schuldig zonder dat ik weet waarom — ik houd niets opzettelijk achter.
Ze kijkt van hem weg naar de lagen schaduwen op de vloer. Voor ze het weet zit ze met haar hand in haar haren, draait ze krullen. Wanneer iemand haar wantrouwt heeft ze de neiging zich verdacht te gedragen.
Een paar tellen later hoort ze het geluid van de grasmaaier weer, naar voren scherp, naar achter doffer en altijd net iets korter. In haar ooghoeken verplaatst zich traag dat lichaam.
Deze ochtend werd ze wakker en was hij al weg. Ze liep naar beneden, zag een bord met broodkruimels liggen, zag een verschoven stoel. Moet ik iets doen, dacht ze. Ze liep naar de kast vol boeken die ze toen ze jonger was gekocht had en vroeg zich af welk ze als eerste las. Af en toe pakte ze er een uit de kast, bekeek ze de kaft, sloeg ze het open en bladerde ze erin. Er was een boek dat ze niet meer teruglegde, waarmee ze in de stoel ging zitten en waar ze opnieuw aan begon. Soms was er een zin die ze zich, zodra ze hem las, herinnerde, en soms stopte ze midden in een passage om naar buiten te kijken — niet met opzet, zomaar. Zodra ze vervolgens weer verder las, was ze vergeten wat er in haar op was gekomen, en zo gingen de ochtend en het grootste deel van de middag voorbij. Toen hij thuiskwam was ze bezig de boeken weer op volgorde te zetten. Hij liep door de woonkamer, pakte een krant van de tafel en verdween weer. Iets minder dan een uur later begon het geluid van de grasmaaier. Dit zal de laatste keer van het jaar zijn, dacht ze.
Nu, na het eten, kijkt hij een film. Veel trage beelden; van een moeder bij een aanrecht, van gras, van kinderen die in de verte staren. Vanaf de eettafel bekijkt ze zijn gezicht, ze gaat de vormen die zijn botten maken langs.
Een zeker moment kijkt hij op, en kijken ze elkaar aan. Ook als een gezicht dag na dag hetzelfde blijft, denkt ze, kan het langzaam iets anders gaan betekenen.
Haar naam is Ester, hij heet Noah.

Een paar dagen later loopt Ester door het dorp. Ze neemt plaats op een bankje aan het plein. Het waait erg hard, ze ziet hoe de wind gevallen bladeren optilt en meeneemt, een paar seconden laat rondkolken. Wanneer ze ergens neervallen, liggen ze even willekeurig verspreid als ervoor; hier veel en dicht bij elkaar, verderop met meer open plekken, een bepaalde samenhang die geen moment echt bestaat, want de wind houdt aan.
Niks is alleen zoals het is, denkt Ester, het is verbonden, maar veel ontgaat me omdat het nooit stilstaat.
Wat achter haar ligt, daarover kan ze nadenken. Over foto’s en herinneringen, over namen.
Het is het einde van de middag, en laat in het jaar, dus de lucht begint al te verkleuren. Ester vervolgt haar weg naar huis; ze staat op en krijgt door hoe koud ze is geworden. Ze passeert huizen die ze nooit van binnen zal zien, mensen met wie ze geen woord zal wisselen, en ze vraagt zich af wat het betekent om dezelfde taal te spreken, of dat kan. In een paar woonkamers zijn de lichten al aangedaan. Doordat ze afslaat waar dat niet moet of zou hoeven, en ze zich op kruispunten plotseling afvraagt waar een straat die ze nooit in gaat eindigt, is het al later op de avond wanneer ze thuiskomt. Noah zit in de woonkamer, op de bank, met een van haar boeken.
— Lees je het, vraagt ze, of kijk je er gewoon even in.
— Ik heb al gegeten, er ligt nog voor jou, zegt Noah, en is er een verschil?
— Weet ik eigenlijk niet.
Ester kijkt naar het ontstane gat in de boekenkast.

In de nacht wordt ze wakker, al weken. Eerst bleef ze een paar minuten liggen en keek ze naar het gebrek aan licht om haar heen, als dat nog kijken is. Nu stapt ze meteen uit bed. Zacht, om Noah niet wakker te maken. Een paar van de traptreden kraken, maar ze weet dat het alleen luid klinkt omdat het stil is. Pas in de woonkamer doet ze een lamp aan.
Uit een lade haalt ze een kartonnen doos, een naald, en draden. Ze gaat aan tafel zitten, onder de lamp, maakt het uiteinde van een rode draad nat en steekt hem door het oog. Dan maakt ze een knoop, waarna ze de naald door het karton prikt. Aan de overkant doet ze hetzelfde, de naald door het karton, maar nu van binnen naar buiten. Vervolgens omgekeerd, weer naar binnen, in een andere richting naar een andere wand. Het draad spant geometrische vormen in de doos. Er zitten nog draden van de vorige keer, dezelfde en andere kleuren. Ze moet soms secuur met beide handen werken om de rode draad niet verkeerd verstrikt te laten raken met wat er al is.
Zo is ze een tijdje bezig. Op een gegeven moment wisselt ze van kleur.
Soms gaat ze met een draad niet naar de overkant, maar spant ze hem rond een andere en terug. Er ontstaan lussen, alles wat hangt wordt afhankelijk van elkaar. Ze heeft geen idee wat er gebeurt als ze een van de draden doorknipt.
— Ester?
Noah staat in de deuropening.
Hij komt dichterbij en buigt zich voorover. Zijn schaduw valt deels in de doos, over de kleuren, en hij trekt zich weer wat terug.
— Ik kon niet slapen, zegt Ester.

Ze gaan niet meer naar bed, die nacht, en de doos wordt niet opgeborgen. Noah maakt ontbijt terwijl Ester aan tafel blijft zitten. Het zet zich haast roerloos voort, de ochtend.
Later, er valt al licht naar binnen, stelt Noah een vraag.
— Hoe ben je begonnen?
Ester schudt haar hoofd.
— Weet ik niet meer.
Ze kijkt naar haar onorthodoxe weefsel.
Noah drinkt water, hij kijkt om en om naar de draden, Ester en buiten. Even later vraagt Ester wat hij ervan vindt.
— Ik kan het moeilijk onder woorden brengen.
Hij staat op, legt zijn hand op haar voorhoofd en laat hem over haar haren glijden. Hij vraagt haar of ze hem de volgende keer wakker wil maken, en ze knikt, en zijn hand beweegt mee.

Afkomstig uit de verhalenbundel Constellaties van Roelof ten Napel. Verschijnt 14 oktober bij uitgeverij Atlas Contact. 176 blz, €19,95, ISBN 978 90 254 4399 3.

Roelof ten Napel (1993) groeide op in Friesland. Hij woont inmiddels in Utrecht, waar hij wiskunde studeert.
Foto: Merlijn Doomernik.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s