Aflevering 4

Vijf Zeer Korte Verhalen: aflevering 4

Sprookjes
Een schrijver heeft een sprookjesboek geschreven. In het sprookjesboek staan prachtige sprookjes. Sommige van de sprookjes heeft de schrijver zelf bedacht, andere zijn gebaseerd op avonturen die de schrijver heeft beleefd. Op een dag, als de schrijver lekker een versgestopt pijpje ligt te roken voor zijn paddenstoel, staat ineens een hertje voor hem. Het hertje heeft een knalrode kop. Het hertje is woedend. Verschrikt blaast de schrijver rook uit. Het hertje zegt dat ze heeft gehoord dat ze in één van de sprookjes van de schrijver voorkomt, dat ze heeft gehoord dat ze er bekaaid van afkomt. Het hertje zegt dat de schrijver een vieze tyfuslul is, een gore profiteur. De schrijver zegt dat hij het hertje niet kent, dat hij het hertje nog nooit gezien heeft, dat het hertje zich vergist, dat het hertje zich herkent in een verhaal dat helemaal niet over haar gaat. Het hertje draait zich om en zegt tegen de schrijver dat hij godverdomme nog van haar advocaat hoort.

Tepel
Ik lig in het gras, in een park. Het is nog net geen ochtend, ik ben toch wakker. Kennelijk heb ik in het park geslapen. Op een meter afstand staan drie meeuwen. Ze kijken me aan en zwijgen. Ineens staat er een jongetje voor me. Hij draagt een voetbalshirt. Brazilië. Het jongetje begint te krijsen. Hij slingert zijn armen in de lucht. Ik schrik. Het jongetje stopt met krijsen en zegt ‘hoi’ tegen me. Ik vraag aan het jongetje of hij mij kent. ‘Nee,’ zegt hij, ‘maar ik ken wel iemand die op u lijkt.’ Het jongetje vraagt of hij me foto’s mag laten zien van alle dieren die hij heeft doodgemaakt. Voor ik antwoord kan geven, haalt hij vijf foto’s uit zijn broekzak en laat ze mij zien. Een wesp, een naaktslak, een egel en een eend. Op de laatste foto is een jongetje te zien. Ongeveer even oud als het jongetje met het voetbalshirt. Het jongetje op de foto glimlacht en zwaait naar de fotograaf. Ik kijk het jongetje in het voetbalshirt aan. Hij wijst op me en begint te lachen. ‘Uw gezicht!’ zegt hij. Ineens staat het jongetje van de foto naast hem. Hij leeft dus nog, de vuile leugenaar. Het jongetje in het voetbalshirt vraagt of het andere jongetje een liedje voor me mag zingen. ‘Voor veertig cent,’ zegt hij. Ik zeg dat ik naar huis wil, maar dat het wel kan als het een kort liedje is. Ik geef het jongetje van de foto vijftig cent. Het jongetje in het voetbalshirt zegt dat ze niet kunnen wisselen. Het jongetje van de foto begint te zingen. Heel zacht, maar toch heel vals. Hij zingt geen woorden, het zijn een soort klanken met veel stiltes ertussen.
Ik voel onder mijn overhemd. Ik heb een wond op mijn tepel. Mijn overhemd zit vastgeplakt aan de wond. Dat jongetje zingt maar door. Ik ben bang voor infecties en trek de stof los terwijl ik luister. Ik weet niet hoe de wond op mijn tepel gekomen is. Het is een kleine wond, maar hij doet toch best pijn.
Een vrouw loopt voorbij. Ze heeft, in een doorzichtige plastic zak, een muis bij zich. De muis is gewoon nog in leven en probeert langs de randen van de zak omhoog te klimmen. We kunnen de muis allemaal zien. Het jongetje houdt op met zingen. De jongetjes lopen achter de vrouw aan. Ik trek mijn overhemd nog een keer los van de wond op mijn tepel. Door het park lopen mensen die, aan de haast die ze hebben te zien, naar hun werk gaan.

Bedelen
Een oud-collega heeft van bedelen zijn beroep gemaakt. Op rolschaatsen rolschaatst hij door het centrale station. Op zijn rolschaatsen vraagt hij mensen om geld. Hij heeft lang bruin loshangend haar. Ik spreek hem op het station. We komen elkaar toevallig tegen. Trots vertelt hij dat hij nu meer verdient dan toen hij nog in de dierenwinkel werkte.
Toen hij wegging bij de dierenwinkel kreeg hij, als afscheidscadeau, twee konijnen en een portret van Maria, de moeder Gods, mee. Een collega had een fout gemaakt, of wilde een leuke grap uithalen, en had een ram en een voedster meegegeven.
Een paar weken later verdeelde mijn oud-collega met een houten schot zijn kamer in tweeën. In één deel ging hij zelf wonen, in het andere deel zijn negen nieuwe konijnen. Vanuit zijn hangmat keek mijn oud-collega naar de konijnen. Wanneer hij het niet vergat, gooide hij wat voedsel over het houten schot.
Soms rolschaatste mijn oud-collega met een konijn onder zijn jas naar de kinderboerderij om daar stiekem een konijn achter te laten. Maar na een paar konijnen hadden ze hem op de kinderboerderij door en mocht hij daar niet meer komen.
Ondertussen kwamen er steeds meer konijnen bij. Ze bleven in leven door de vloerbedekking van mijn oud-collega traag op te eten. Het was een wollige, groene vloerbedekking. Één die vooral in de jaren zeventig populair was. Veel mensen hadden toen zulke vloerbedekking in hun woning liggen. De vloerbedekking voelde lekker zacht aan de voeten en de wollige haartjes bleven verbazingwekkend lang omhoog staan.

Het grote kruidenbos
We krijgen een rondleiding door het grote kruidenbos. We zijn op vakantie. We moeten de dagen doorkomen. Mijn vriendin is erg geïnteresseerd in planten en kruiden. Ik ben alleen geïnteresseerd in planten die je kunt opeten. De rondleidster noemt zichzelf de kruidenheks. Als ze zichzelf de kruidenheks noemt, lacht ze. Mijn vriendin en ik zijn de enige niet-Duitsers. Onze groep bestaat uit twintig mensen, waarvan achttien uit Duitsland komen. Mijn vriendin en ik houden verborgen dat wij niet uit Duitsland komen. We willen één zijn met de groep. We mogen in alle planten knijpen en er ook aan ruiken. De kruidenheks vertelt iets over een plant, dan knijpen, ruiken en knikken we. Er zijn veel planten die goed voor de gezondheid zijn. De kruidenheks vertelt dat ze alleen nog maar leeft van planten die ze zelf plukt in het grote kruidenbos. Die smeert ze op haar rug tegen pijnlijke gewrichten of ze zet er thee van. De kruidenheks heeft een koortslip. Één plant heeft een naam die een beetje op ‘mojito’ lijkt, de naam van een drankje. Iemand zegt ‘mojio’, iedereen lacht. Mijn vriendin en ik lachen mee. Iedere meter stoppen we bij een plant of een kruid. Helaas is de plant of het kruid steeds net uitgebloeid. Dan knijpen en ruiken we en vertelt de kruidenheks dat je van deze plant of dit kruid thee kunt zetten, als hij nog had gebloeid. De kruidenheks vertelt dat de planten en kruiden in dit bos aan hun vocht komen door de wolken te melken.
We moeten van de kruidenheks naar een blad kijken. We krijgen allemaal een eigen blad. De kruidenheks trekt persoonlijk, voor ons allemaal, een blad van de boom. Ik kijk vijf minuten naar de puntjes naast de nerf van het blad. Erg bijzonder. Mijn vriendin staat naast me, kijkt me aan en zegt: ‘Hulst.’
We lopen langs het huisje van de kruidenheks. De grond om het huisje is zwartgeblakerd. Er heeft onlangs brand gewoed. Sommige bomen en struiken zijn verbrand, andere niet. De kruidenheks zegt dat ze Gods willekeur vervloekt, alsof hij met een vinger sommige bomen heeft aangeraakt en andere niet. Die wel, die niet.
Na afloop van de rondleiding gaat er een mandje rond, om het salaris van de kruidenheks op te hoesten. Sommige mensen stoppen wel iets in het mandje, andere niet.

Jeugdpuistjes
Een man heeft geen jeugdpuistjes meer. Hij is inmiddels vierendertig, hij mist zijn jeugdpuistjes nog iedere dag. Hij mist het om voor de spiegel te staan, met zijn wijsvingers tegen de zijkant van het puistje te drukken en de droge splut tegen de spiegel te horen.
Via een datingsite zoekt de man contact met een jongen van zeventien. Aan de foto van de jongen te zien heeft hij lekker veel jeugdpuistjes. Al blijft het altijd lastig zoiets goed te zien op een foto op internet.
Ze spreken af bij de man thuis.
De jeugdpuistjes van de jongen zijn prachtig. Ze zitten zelfs op zijn hals. De jongen ziet eruit alsof iemand hem heeft bekogeld met natte propjes brood.
De man geeft de jongen iets te veel wijn. Ze drinken wijn op bank. De man heeft ook toastjes met lekkere kaasjes in huis gehaald. De jongen laat het zich goed smaken.
Als de jongen een fles wijn op heeft, zegt hij dat hij even een seconde zijn ogen dicht doet.
De man maakt ruimte voor de jongen op de bank.
De jongen gaat liggen en slaapt binnen een seconde.
De man houdt een kleine handspiegel boven het gezicht van de jongen. Met zijn middelvinger en zijn duim knijpt hij in de puistjes. Als de pus uit het puistje spuit rollen er tranen uit de gesloten ogen van de jongen. De pus raakt de handspiegel net niet.
De man richt zich op een volgend puistje.
Als de man alle puistjes van de jongen heeft uitgeknepen, legt hij de handspiegel weg. Hij heeft de spiegel minder vaak geraakt dan hij had gehoopt. De man loopt met zijn wijsvinger en zijn middelvinger over de uitgeknepen puistjes. Met een robotstem zegt hij: ‘Landing geslaagd, Houston. Ga de planeet verkennen. Over.’

(wordt vervolgd)

Joubert Pignon (1978) werkt in een dierenwinkel. In zijn atelier schrijft hij zo kort mogelijke verhalen. Hij debuteerde najaar 2012 met Er gebeurde o.a. niets bij uitgeverij Atlas Contact. Hij won de A.L. Snijdersprijs 2014 voor zeer korte verhalen. In april 2015 verschijnt zijn tweede verhalenbundel Huil maar, ik wens je uitstel toe, waarin ook enkele van bovenstaande zeer korte verhalen zullen worden opgenomen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s