Moge het niet te lang duren voordat ik weer bij U ben: Gerard Reve en het verlangen naar verlossing

Door: Erik Brus

Onlangs verscheen Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap van Erwin Praat. Hierin onderzoekt Erwin Praat de veel mystificaties rond Gerard Reve (1923-2006), die enerzijds een ongeëvenaard stilist was, en tegelijk beroepsprovocateur. Hoe dan ook wist hij steeds de aandacht op zich te vestigen.
Uit het Passionate Magazine-archief plaatsen wij voor de gelegenheid het artikel dat Erik Brus in 2012 schreef over Gerard Reve, die misschien dan wel een komediant was, maar dan één die tussen alle grappen door zocht naar verlossing: door God, de liefde of de dood.

Toen Gerard Reve de P.C. Hooft-prijs had gekregen, werd een huldigingsavond voor hem gehouden in de Allerheiligste Hartkerk in Amsterdam. De plechtigheid was op donderdagavond 23 oktober 1969 rechtstreeks bij de VPRO-televisie te volgen. Reve werd geïnterviewd door Hans Keller, onder meer over zijn bekering tot het katholieke geloof. Hij beantwoordde, vaak onder hilariteit, vragen uit het publiek. Filmfragmenten over de buurt waar hij was opgegroeid werden vertoond; een bas-bariton, een goochelaar en een fietskunstenaar traden op; de Zangeres zonder Naam zong een lied. Aan het eind van de avond stond Reve op en richtte zich tot de aanwezigen, die toen al gevoeld moeten hebben dat ze een gedenkwaardige avond meemaakten.
Reve zei: ‘Er wordt van mij gezegd: hij is een acteur, een charlatan, een clown, een komediant. En het is waar, ik ben een acteur, een charlatan, een clown, een komediant. Maar het krankzinnige is dat de rol die ik speel, dat ik dat bèn en dat ik vanavond, dat geloof ik in diepe ernst, eigenlijk niets gezegd heb wat ik niet heb gemeend. En nu zou ik in enkele woorden willen zeggen wat ik over de laatste en uiteindelijke dingen geloof; dat ik geloof dat God, de liefde en de dood drie woorden zijn voor een en hetzelfde. En dat als er vrijheid is, een menselijke vrijheid, dat die ons gegeven is in de dood. En dat de zin en het doel en de betekenis van het leven de dood is.’
Tot slot droeg hij zijn gedicht ‘Herkenning’ voor:

Nu weet ik wie gij zijt,
De Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,
Nog op dezelfde dag, in een Kafee te Heeg.
Ik hoor mijn moeders stem.
O Dood, die waarheid zijt: nader tot U.

De Muziekvereniging tot Aangenaam Verpozen En Nuttige Uitspanning kwam op door het middenpad en speelde de hymne ‘Nader tot U’. De sprekers en optredenden liepen achter de muzikanten aan de kerk uit. Zij werden gevolgd door Reve met aan zijn hand diens geliefde Willem van Albada – het  was alsof hun kerkelijk huwelijk zojuist had plaatsgevonden.

Poppenkast
De reacties op de tv-uitzending waren immens. Tv-critici spraken van een historische uitzending in de geschiedenis van de Nederlandse televisie, de letterkunde, de katholieke kerk en de emancipatie van homoseksuelen. Reve had echter vele gelovige kijkers geschokt. Drie jaar eerder was hij toegetreden tot het rooms-katholieke geloof. Dit tot onbegrip van een groot deel van progressief Nederland, dat hem tot dan toe juist als medestrijder tegen dergelijke aloude instituten beschouwde. Reves godsbeleving was zo eigenzinnig dat hij er verwarring alom mee stichtte, zowel in vooruitstrevende als behoudende kringen.
Zo ook tijdens de huldigingsavond voor de P.C. Hooft-prijs. Reve zei tijdens het interview door Keller dat de katholieke kerk een heerlijke kerk is, maar ook een poppenkast. En die heeft een Jan Klaassen nodig, en dat is de paus. ‘Hij spreekt de mensen toe en zegt hoe het verderf om zich heen grijpt in film, televisie en overal, en hoe de rokken van de dames maar steeds korter worden. De voorzienigheid wil dat zo, maar daar hoeft niemand zich ook maar iets van aan te trekken.’
In de zaal werd gelachen, maar de Allerheiligste Hartkerk werd nog dezelfde avond beklad: ‘flikkerkerk’. Geschokte katholieken riepen enkele dagen later in de Volkskrant op om te bidden om rehabilitatie vanwege de beledigingen Gods Majesteit aangedaan. Een Comité Eerherstel hield in Amsterdam een openbare bijeenkomst. ‘Op de brandstapel met die smeerlap’, zou daar zijn geroepen over Reve. Het zijn slechts enkele voorbeelden van vele ontzette reacties.
Te midden van zijn provocerende en al dan niet ironische uitspraken, stelde Reve zich die avond op 23 oktober echter bijzonder kwetsbaar op. Door alle commotie was dat veel geschokte kijkers niet opgevallen. Met zijn afsluitende stelling dat God, de liefde en de dood drie woorden zijn voor hetzelfde, wees hij op zijn verlangen zichzelf te verliezen in iets groters dan hijzelf. Ook ontkende hij in het gesprek met Keller het bestaan van vrije liefde; want liefde is offer en dienst. De mogelijkheid tot het vinden van een gelijkwaardige liefde in zijn leven sloot hij daarmee uit. En bij de naargeestige filmbeelden die werden vertoond over de Amsterdamse wijk Betondorp waar hij was opgegroeid, zei hij dat hij naar geen enkele periode uit zijn leven terugverlangde. Hij had vaak overwogen een eind aan zijn leven te maken. ‘Ik vind het alles eigenlijk een verschrikking. Maar ik moet nog wat voort.’

Zinloze handelingen
Dat het leven een kwelling is, is uitgangspunt van bijna alles wat Reve schreef. In de vraag  hoe daarmee om te gaan, is echter een sterke ontwikkeling te zien. In Reves eerste roman De avonden(1947) wordt anderhalve week uit het leven van de 23-jarige Frits van Egters opgevoerd. Hij is kantoorklerk en woont nog bij zijn ouders thuis. Het zijn de laatste dagen van het jaar 1946. De avonden laat Van Egters zien terwijl hij thuiskomt van werk; zijn ouders observeert; over straat dwaalt; de bioscoop en de kroeg bezoekt; bij vrienden langsgaat.
Het zijn zinloze handelingen en zo ervaart hij het leven ook. Frits van Egters is geobsedeerd door ziekte, aftakeling en dood en hij maakt er wrange grappen over. Hij heeft nare dromen en groteske fantasieën over gekwelde mensen. Hij waarschuwt zijn vrienden – tevergeefs – dat God hen observeert en hun gebreken ziet. Hij ziet overal onheil. Zijn angsten zijn nauwelijks anders dan die van latere hoofdpersonen in Reves werk. De transcendentie, of het verlangen daarnaar, is echter nog afwezig. Van Egters probeert zijn angsten te bezweren door er op gedragen, bijna plechtstatige toon, met ironie en sarcasme over te praten en fantaseren.
Als er hoop is op verlossing, dan komt die tijdens de – beroemde – laatste bladzijden van De avonden. Na alle grimmige spot die Van Egters heeft losgelaten op zijn omgeving, vindt een zekere omslag plaats. Het is oudjaar, net na middernacht. Hij heeft bij een vriend aangebeld die niet thuis blijkt. Hij loopt terug naar zijn ouderlijk huis, onderweg prevelt hij een gebed voor zijn vader en moeder. Zij kunnen het tenslotte ook allemaal niet helpen.
‘Eeuwige, enige almachtige God, onze God,’ zei hij zacht, ‘vestig uw blik op mijn ouders. Zie hen in hun nood. Wend uw blik niet af. Luister, mijn vader is doof als de pest. Schiet voor de grap een kanon bij zijn oor af. Dan vraagt hij, of er gebeld wordt. … Zie mijn moeder. Almachtige, eeuwige, ze dacht dat ze wijn kocht, maar het was vruchtensap. De lieve, de goede. Bessen-appel. Ze gaat bij het lezen met haar kop heen en weer. Ze is mijn moeder … De ouderdom nadert, ziekten nemen bezit van hen, en er is geen hoop. Zie hen.’
Thuisgekomen wenst hij zijn ouders een goede nacht en legt zich op bed neer. Wat er ook gebeurt, welke beproevingen ook mogen komen, zegt hij tegen zichzelf, ik leef. ‘Het is niet onopgemerkt gebleven.’

Rituelen
Bij verschijning vonden veel critici De avonden een volstrekt naargeestig boek. Anderen prezen juist de bittere humor en zagen in Frits van Egters de stem vertolkt van de nieuwe generatie die vlak na het aflopen van W.O. II in een atmosfeer van armoede en desillusie moest opgroeien. Aanvankelijk was Reves debuut een succes, maar na enkele jaren viel de verkoop terug. Vanaf begin jaren zestig echter groeide de reputatie van De avonden tot enorme hoogte en kreeg het de status van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse roman.
Na De avonden schreef Reve twee novellen, Werther Nieland (1949) en De ondergang van de familie Boslowits (1950). In beide verhalen probeert een kind iets van de onbegrijpelijke en bedreigende wereld der volwassenen te begrijpen: zonder succes. In Werther Nielandwordt de jongen Elmer geconfronteerd met het onvoorspelbare gedrag van de moeder van zijn vriendje Werther. In De ondergangobserveert de jonge hoofdpersoon een joods gezin dat, tijdens de oorlog, stap voor stap ten onder gaat. De hoofdpersonen zoeken hun toevlucht tot allerlei vormen van magisch denken, plechtige rituelen en de – schijnbare – veiligheid van jongensvriendschap. Ook in deze verhalen wordt de angst nog niet met het ‘hogere’ bezworen. De jongens zijn daar eenvoudigweg te jong voor. Zijn creëren hun eigen, kinderlijke manieren van bezwering.
Reves hang naar magie en rituelen is echter zowel in zijn vroege als latere werk volop aanwezig. Hij heeft vaak gewezen op wat hij als de oorsprong daarvan beschouwde: zijn traumatische jeugd als kind van streng communistische ouders. Reves vader was communistisch journalist, die zelfs naar Rusland was afgereisd om daar de vruchten van de Russische revolutie persoonlijk te aanschouwen.
Gerards oudere broer Karel ontwikkelde eveneens een grote belangstelling voor Rusland. Karel zou later echter, als journalist en slavist, zijn geloof in het communisme verliezen en streng tegen het onderdrukkende Russische regime ageren. Maar voor Gerard was het communisme al van jongsaf aan een kille, ultrarationele heilsleer die de irrationele kant van de mens volledig negeerde. Voor een kind als hij, dat naar sprookjes en fantasie verlangde, was het een verschrikking om thuis almaar over de aanstaande wereldrevolutie van het proletariaat te moeten horen. Vele sarcastische verhalen zou Reve hier nog aan wijden.

Religie en homoseksualiteit
Na De ondergang van de familie Boslowits volgde een lange, grillige en vaak wanhopige periode voor Reve. Hij wist niet goed hoe het verder moest met zijn schrijverschap en zijn privéleven, kampte met depressies en drankzucht. Hij trouwde met de dichteres Hanny Michaelis maar worstelde tegelijkertijd met zijn homoseksualiteit. Hij woonde enkele jaren in Londen in de hoop om in het grotere Engelse taalgebied als schrijver door te breken, wat mislukte. Terug in Nederland, gescheiden van Michaelis, had hij in Amsterdam een verhouding met Wim Schumacher (‘Wimie’ in Reves werk). Daarna woonde hij vanaf 1964 in het Friese Greonterp met Willem van Albada en later ook Henk van Manen (‘Tijgetje’ en ‘Woelrat’) – een openlijke, opzienbare driehoeksverhouding.
Op weg naar het einde (1963) betekende een keerpunt. In zes lange, indrukwekkende brieven filosofeert Reve over de dood, homoseksualiteit, sadomasochistische handelingen, geloof, alcohol en schrijverschap. Dat alles in een geheel eigen, archaïsche en humoristisch-ironische stijl. De manier waarop hij het banale en verhevene met elkaar verweeft, zowel de burgerman als progressieveling op de hak neemt, kerkelijke instituties bespot en tegelijkertijd blijk geeft van een diepgevoeld verlangen naar (religieuze) transcendentie, stichtte weer verwarring alom. Zo schrijft hij dat religie zijn homoseksuele verlangens prikkelt. Daarom verlangt hij naar een paring ‘met tot lichaam van de Godmens geconsacreerde priesters en priesteressen’. Opnieuw werd Reves godsbesef in klassiek-gelovige kringen niet bepaald verwelkomd.

Uiteindelijke Dingen
Opvolger Nader tot U uit 1966 bevat vijf brieven, onder meer over het leven in Greonterp met Tijgetje en Woelrat, en een afdeling met gedichten. Lang na de dichtbundel Terugkeer die hij als opgroeiende jongen in eigen beheer had uitgebracht, was Reve begin jaren zestig plotseling opnieuw met dichten begonnen. In deze Geestelijke Liederen, waaronder ‘Herkenning’, wordt de drie-eenheid van God, de liefde en de dood bezongen. Vaak spreekt Reve in deze gedichten God toe. Hij spreekt zijn verlangen naar God uit, zijn wanhoop over zijn altijd tekortschietende geloof, het vermoeden dat God zich net als hijzelf eenzaam voelt, en hij smeekt God om antwoord te geven op zijn gebeden. De gedichten zijn, zelfs als hij hardop aan zijn geloof twijfelt, zuiver en vroom van toon. Hoe onorthodox de wijze ook is waarop Reve naar verlossing zoekt, nergens heeft hij die zoektocht zo indringend verwoord als in zijn gedichten.
Zo is daar het lange gedicht ‘Een nieuw Paaslied’, dat al meteen begint met de paradoxale vaststelling, ‘Zonder gedronken te hebben, prijs ik God’. Vervolgens schrijft Reve dat hij deze dag van alles heeft meegemaakt. In de benedenstad, denkend aan de Uiteindelijke Dingen, heeft hij een jongen gezien, vermoedelijk een Duitse toerist. Hij volgt de jongen, duizelig van geilheid, en fantaseert dat hij de jongen slaat; anders mag de jongen hem wel slaan, als ze maar samen bezig zijn. Hij raakt het spoor van de jongen kwijt, toch wil hij God eren omdat alles in de Natuur zo mooi gemaakt is. Hij klaagt niet over zijn onvervulde verlangen, liefde is immers per definitie onderwerping. De slotregels geven al even kernachtig als de eerste regel weer hoe moeilijk het is om werkelijk tot verlossing te komen. Ik wilde wel naar een of andere avondmis, / maar er was er geen.

Proces
In 1966 was er opnieuw een grote rel rond Reve. In het zgn. ezelproces werd hij gedagvaard voor smaad en godslastering. In twee van zijn brieven had hij gefantaseerd dat God zich aan hem openbaarde in de gedaante van een ezel, en dat zij zich vervolgens met elkaar zouden verenigen. De rechtbank oordeelde dat de passages godslasterlijk waren, maar niet smalend. Reve ging in hoger beroep en voerde zelf zijn verdediging met een schitterend betoog waarin hij voor het recht op zijn eigen geloofsbeleving pleitte. Hij werd vrijgesproken. Kort daarop werd hem de P.C. Hooft-prijs toegekend.
Reve vertrok in 1971 uit Greonterp – Van Albada en Van Manen bleven achter en trouwden met elkaar. Reve verbleef enkele jaren in Veenendaal en Weert. In deze periode bracht hij de dichtbundel Het Zingend Hart uit, met ‘Hymne voor M.’, waarin hij moeder Maria toespreekt. Tot u, lieve moeder, zing ik dit lied: / van U gekomen, keer ik tot U terug. / Moge het niet te lang duren voordat ik weer bij U ben.
Zijn nieuwe romans, zoals De Taal der Liefde, Lieve Jongens en Een circusjongen werden minder goed ontvangen dan het eerdere werk. Op het verwijt dat hij zichzelf begon te herhalen had hij een typisch reviaans weerwoord: wie moet ik anders herhalen?
In 1973 vestigde hij zich in het Zuid-Franse dorp Le Poët Laval. Zijn nieuwe partner Joop Schafthuizen (‘Matroos Vos’), kunstenaar uit Schiedam, trok een jaar later bij hem in. Ze verbleven ook regelmatig samen in Schiedam. In 1993 verhuisden ze naar het Vlaamse dorp Machelen-aan-de-Leie, waar ze tot aan Reves overlijden in april 2006 woonden.

Onzinnige dogma’s
In een van zijn latere romans, Moeder en Zoon (1980), heeft Reve uitgebreid geschreven over zijn, ook voor hemzelf raadselachtige, bekering tot het rooms-katholieke geloof. Hij vertelt hij hoe hij na lang aarzelen, en na vele verkennende gesprekken met een geestelijke, toch nog als in een impuls de stap tot een officiële bekering zette. Een centrale gedachte in dit boek is, dat als de rooms-katholieke kerk zoveel onzinnige dogma’s kan verkondigen, er wel een diepe waarheid onder schuil moet gaan, anders was de kerk al lang verloren gegaan.

Vertwijfeling staat ook in Reves latere werk centraal. Verlossing door eenwording met het hogere komt er niet. Toch weerhoudt dat hem niet om ernaar te blijven verlangen. Er rest weinig anders dan het menselijk tekort op aarde met ironische grimmigheid te vieren.

Zoals in het gedicht ‘Getuigenis’ uit 1983.

Ze willen dat ik schrijf
voor de vooruitgang.
Maar ik kan niet schrijven zoals zij,
al stam ik van hen af.
Ik moet de wijken van het volk in
en mijn oor te luisteren leggen:
zo hoor je nog eens wat.
Wat wil het volk?
Niet veel goeds, dat is zeker.
Dus ga ik de straat op,
met mijn eigen vaandel
waarop geschreven staat:
Vrijheid! Ziekte! Ouderdom!
Lang leve de Dood!


Erik Brus publiceerde met Fred de Vries het boek Gehavende stad, muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu en is medesamensteller van verzamelboek ROTTERDAM. Hij realiseerde i.s.m. Laurens Abbink Spaink de novelization Zwartboek van de film van Paul Verhoeven. In 2015 verscheen het mede door hem samengestelde boek Ken zó in Boijmans – Frans Vogel 80 (Studio Kers). Lees meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s