Jager

Ruimteziek wordt je normaalgesproken doordat je evenwichtssystemen ontregeld raken. Dit komt door de afwezigheid van zwaartekracht. De hoofdpersonages van de vier verhalen die Ruimteziek van Bram Esser vormen zijn ook hun oriëntatie kwijt. Ze weten niet langer wat boven en onder is en drijven soms hopeloos verloren weg van planeet aarde. Vandaag aflevering 1: Jager (verzamelaar).

1. Je bent een verzamelaar, altijd al geweest. Het begon er mee toen jouw opa zijn collectie suikerzakjes aan je liet zien. De herhaling van telkens hetzelfde zakje met iedere keer een andere opdruk. Dat trof je. Het zette naar je gevoel een complete wereld op een kier. Een wereld waar je geen weet van had. Vreemde plekken en namen stonden er op de zakjes. Je hoorde van je moeder dat opa tijdens zijn werkzame leven veel had gereisd en daarom zo vaak in snelwegrestaurants en hotels kwam. De zakjes gaven dat begrip, werkzame leven, een speciale lading. Misschien dat het toen is misgegaan. Suikerzakjes, maar ook flessendoppen en bepaalde hard plastic snoepdoosjes, begon je te verzamelen. Vanwege de kleuren. Gewerkt heb je nooit, tenminste niet zoals de rest. Je was te druk zei je altijd, te druk met het verzamelen van bewijslast, aanwijzingen en puzzelstukjes. Je wist dat er andere werelden schuilgingen onder de sluier van het alledaagse, soms had je het gevoel op de drempel te staan. Er binnentreden is je niet gelukt. Tenminste, nog niet.
Je grootste passie betreft het verzamelen van boodschappenbriefjes. Nog steeds pik je als een raaf briefjes van de grond in de buurt van supermarkten. Je kijkt in winkelmandjes die de klant nietsvermoedend heeft teruggezet. Kokosmakronen en leverworst. Wie koopt er zoiets? Het is met hanenpoten geschreven op de achterkant van een Duits garagebonnetje. Weer heb je het vermoeden dat er hele werelden op een kier worden gezet. Terwijl de suikerzakjes je de bijna ongrijpbare wereld van internationale snelwegrestaurants en hotels lieten zien, krijg je nu de indruk iets in handen te hebben dat veel dieper gaat, dat bijna ondergronds is. Je vermoed een wortelstelsel aan betekenissen die via de boodschappenlijstjes naar elkaar verwijzen. Er staat niet wat er staat, zoveel is wel zeker.
Je moet verzamelen, bukken en oprapen. Je slaat de hoek om en komt in een gekromde straat waar je even de pas inhoudt om te zien hoe de zon haar stralen nonchalant over de bovenrand van de huizen keilt. En die weldadige verkwisting van licht maakt zo’n diepe indruk op je dat het je doet denken aan vervlogen tijden. Aan een kloof waar je ooit eens doorheen getrokken bent omdat je een reebokje op het spoor was. Daar was de zon net zo opgekomen als nu en zij had de hele zandstenen bovenrand van de rots in lichterlaaie gezet.
Niet alleen jij, ook het reebokje keek even op en dat was haar dood. ‘s Avonds bij het kampvuur had je erover verteld en mensen aten van het vlees en hadden het onthouden en doorverteld, en die verhalen bestaan nog steeds. Zoveel is er niet veranderd. Toegegeven; de stad is allang geen kloof meer en hier is ook niet die serene rust die er ooit was. Maar de zon schijnt nog steeds. Zij smijt haar weldadige licht net zo makkelijk over een zandkleurige rotswand als op prullenbakken, lantarenpalen, brandkranen en elektriciteitskastjes. Het maakt de zon allemaal niets uit. Het licht is het meest democratische dat er is.
En terwijl jij daar zo staat te mijmeren, naast een stukje straatbeton dat net is gegoten,  komt er iemand naar je toe die een vraag stelt en een multomap openslaat. Ze is een vrouw. ‘Pas op nat,’ staat er op een bordje.
‘Wat vindt u zoal van de voorzieningen?’
‘Nat’, denk je, ‘dat is het codewoord voor afblijven.’
‘Vindt u stadswachten een toegevoegde waarde hebben?’
‘Stadswachten zijn kleuters met teveel bevoegdheid,’ denk je terwijl je iets anders zegt omdat je van haar af wilt komen.
‘Zijn er genoeg prullenbakken?’
‘Is er ooit genoeg van iets?’ vraag je haar en je hebt direct spijt, want het duurt alleen maar langer zo. Je voelt je opgesloten en in de hoek gedreven. Je wilt hier zo snel mogelijk weg, maar je weet niet hoe.
Er wordt met een scherp potloodje iets opgeschreven en je wordt telkens verwachtingsvol aangekeken. Het zou maar vijf minuten duren en toch sta je er al tien. Ze is een vrouw met lippenstift, maar ze doet je denken aan een roofvis die louter luchtbelletjes voortbrengt om je in verwarring te brengen, om fictieve data aan je te onttrekken. Dingen die jij gezegd zou hebben, maar die zij in feite op jou geplakt heeft. Jij bent kenner van het collectieve geheugen van de stad, je weet hoe die dingen werken. Het potlood baant zich een weg naar binnen, niet als een speer in de flank van een reebokje; koud en meedogenloos, maar als een worm; warm en langzaam en gluiperig, maar uiteindelijk fataal. Hoe langer de roofvis bubbels tegen je blaast, hoe kouder je het krijgt. Je verlangt naar een kampvuur, kampvuurtjes zijn de ambassades van de zon op aarde. De snorharen van de roofvis deinen zachtjes op en neer.
Dan meen je het reebokje plotseling te zien. Ze schiet weg in de massa en je moet er achteraan. De roofvis hapt naar lucht want je slaat haar met een vuist vol in de maagstreek. Zelfverdediging. Je verdwijnt energiek tussen het elegant geklede gebeente.
En terwijl je behoedzaam voortbeweegt tussen de bits en bites en reclameborden (vooral dat), zie je nog net een hoefje en een stukje staart wegschieten in een steeg. Bij het laatste huis staat de deur op een kier en je weet genoeg. Het is je eigen woning en je kent de weg naar boven. In de woonkamer staan de archiefkasten met op de planken de dozen. Boodschappenlijstjes gecategoriseerd op datum zitten erin.
Je kiepert de inhoud van de dozen middenin de woonkamer. Het is een impuls. Je doet het rustig en geconcentreerd. Bij het raam staat het reebokje naar buiten te kijken, haar vacht glanst en wordt beschenen door de roze zon. Ze lijkt niet in de gaten te hebben dat je binnen bent gekomen. Ze staat daar maar en rookt een sigaret.
Je steekt de briefjes aan. Het is het meest vanzelfsprekende wat je nu kan doen. Je creëert een kampvuur ter ere van de zon en ook omdat je het koud hebt gekregen vanwege die roofvis die bellenblies over de rand van haar multomap.
En nog steeds wordt het raamkozijn gevuld door die enorme roze bal van de zon die daar al zo lang hangt en zo vaak op de aarde heeft geschenen dat je er duizelig van wordt als je eraan denkt. Maar het reebokje is uit het kader gebroken om water over jou en je creatie te gieten. Dat is niet erg. Jij hebt het geheim van de boodschappenbriefjes allang ontrafeld. Op een dag hoop je er ooit nog eens iemand over te kunnen vertellen. Het reebokje is al tijden je vriendin.

2. De rolluiken van mijn oogleden schuiven omhoog en ik bespied haar vanaf de bank. Haar neusvleugels trillen licht. Ruikt ze iets? Het roestige water dat lekt uit de radiator? Of toch de opgekrulde pizza in z’n kartonnen sarcofaag? Zelf ruik ik al geruime tijd niets meer. De geur van het alledaagse laat me koud.
Veertig procent werkbare stof had de dealer gezegd. Het was een vreemde kleine man, een kind eigenlijk, met een bejaard gezicht. Hij was precies op het juiste moment verschenen op het podium tussen de lappen en gordijnen die het naakte beton moesten verhullen.
We hadden zeker twee uur gereden door de lege spookachtige straten toen we aankwamen op het bedrijventerrein. Daar in een betonnen loods, een vergeten hoekje van de stad, bleek nog leven te zijn. Iedereen was hier samengeklonterd om te vergeten en op te gaan in een pulserende dansende massa. Wij waren daar in de hagelwitte limousine van Chico, een Mexicaans regisseur van horrorfilms. Een kleine stevige man. Hij was net zo gastvrij in de lengte als dat hij in de breedte gevaarlijk was.
De antennes voor gevaar, als we die al hadden, stonden uit. Wij waren simpelweg bij hem ingestapt, klaar om te verdwijnen in het afvoerputje van de nacht. Alles was kapot, nu wij nog.
Op het feest waren we het bejaarde kind tegengekomen, dat leek toeval, maar zoals gezegd, zijn timing was perfect. De dealer vroeg welke kleur we wilden, zijn gezicht ging half verborgen in de schaduw van zijn capuchontrui.
‘Alle kleuren, man,’ riepen we overmoedig door alles wat reeds door ons bloed stroomde. ‘We are the rainbow people.’ Het bejaarde kind grijnsde en al zijn rimpels grijnsden mee. Hij haalde een koffertje tevoorschijn waarin een halve apotheek verborgen ging. Genoeg om ons allemaal onsterfelijk te maken. Kort daarna is het bobsleeën begonnen. Zo noemden we dat. Het bobsleeën vanaf de regenboogberg. Bij het verlaten van de club had Chico een arm om mij heengeslagen. ‘Weet je wanneer ik zeker weet dat ik het geweldig naar mijn zin heb?’ Ik haalde stompzinnig mijn schouders op. ‘Dan plas ik mijn broek,’ zei Chico. Ik keek naar de donkere vlek in zijn kruis en wist dat het tijd werd om naar huis te gaan. Maar we gingen niet want er zat nog teveel vaart in de regenboog.
Vanuit de holle garageboxen van mijn ogen staar ik naar de vrouw op de brede vensterbank. Ze heeft gesproken. ‘Heb je geen sigaret voor me?’ hoor ik in de herhaling. ‘Man, wat snak ik naar een sigaret.’ Ik overhandig haar het pakje dat ik uit gewoonte vaak bij me draag, ook al is de lol van het roken me allang vergaan.
Ze trekt met bevende vingers het cellofaan los en stopt een sigaret tussen haar lippen. ‘Bloedverspilling,’ fluistert ze. ‘Allemaal zinloze bloedverspilling.’ Het is net alsof op dat moment het bloed in mijn aderen weer begint te stromen en ik voel een vage pijn.
ʻDit alles, dit…,’ haar stem trilt en ze maakt een gebaar alsof ze de hele stad bedoelt. Die godvergeten klereboel die we stad noemen. ‘Het is allemaal voorbij….’
Ik moet lachen, ze heeft humor. En ineens is er die volmaakte rust, er is geen pijn meer. De tijd herneemt zijn normale beloop, niet langer vertraagd of versneld, maar in overeenstemming met mijn rustig wordende ademhaling die ik weer voor het eerst lijk te horen. Buiten is het droog en de zon werpt een roze streep licht vooruit om haar theatrale opkomst aan te kondigen. Roze, is dat geen verschoten rood? Ook de zon heeft humor. De huizen zijn stuk, de straten gehavend en de mensen leven voornamelijk ‘s nachts in een eeuwig durende roes van regenbooglicht dat opvlamt achter hun gesloten oogkassen. Maar daar is de zon toch weer en doet net alsof er een nieuwe dag aanbreekt. Ja, dat is best grappig. Terwijl de zon steeds hoger aan de hemel stijgt, zak ik steeds dieper weg in een vreemde sluimering. Mijn hand rust op de diepe wond in mijn buik die door een Mexicaans lemmet, of wat voor flitsend staal dan ook, is ontstaan. ‘We zijn allemaal rondzwevende deeltjes,’ denk ik bij mijzelf. ‘En we zullen allemaal gegrepen worden door de stroom van de tijd die ons meesleurt naar het afvoerputje van de nacht.’

Bram Esser (1976) is ontdekkingsreiziger. Steeds op zoek naar verhalen verkende hij de grenzen van de stad, woonde hij in een zeecontainer op het strand van Scheveningen en integreerde hij met een geleende labrador in Vinexwijk Ypenburg. In 2012 verscheen Snelwegverhalen, een roadboek dat hij met Melle Smets maakte over de Nederlandse snelwegcultuur. Foto Mariëlle Gebben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s