PP header Bram Esser

De Les van Grote Kee

Ruimteziek wordt je normaalgesproken doordat je evenwichtssystemen ontregeld raken. Dit komt door de afwezigheid van zwaartekracht. De hoofdpersonages van de vier verhalen die Ruimteziek van Bram Esser vormen zijn ook hun oriëntatie kwijt. Ze weten niet langer wat boven en onder is en drijven soms hopeloos verloren weg van planeet aarde. Vandaag aflevering 2: De Les van Grote Kee.

Min Kee kijkt naar het vallen van de sneeuw. De hemel weent bittere tranen om de dood van Vaandeldrager. Zo gaat het al uren, maar de bomen die als zwarte klauwen langs de rand van het oefenveld staan, worden maar niet wit. Ze zijn ingesmeerd met het vet van de duivel. Op Min Kee en de andere fabrieksmeisjes heeft de sneeuw wel vat, zij staan als ijsjes op een stokje op rij. Hun voeten stevig op de ijzige bodem geplaatst. Vrijwillig omdat het moet.
Iedereen heeft een roos gekregen. Min Kee houdt de bloem tegen haar borst  aangedrukt alsof ze op die plek gewond is. De pijn voelt ze ook echt want er steekt een doorn door de stof van haar uniform.
Sommige vrouwen zijn alvast zachtjes begonnen te snikken en snuiten soms hun neus in zakdoeken van blauw katoen. Fabriekszakdoeken, die horen bij het uniform. Waar ze aan denken weet Min niet. Min heeft ook zo’n zakdoek. Voorlopig heeft ze die nog opgeborgen.
Min Kee wacht, ze vecht tegen de tranen, die nog niet voorbij haar dichtgesnoerde keel zijn gekomen. De sneeuw dwarrelt onverstoorbaar naar beneden, alsof het wil bedekken, alsof alles bedekt moet worden. Min kijkt omhoog en opent haar mond om lucht te krijgen. Ze ziet een eindeloze zee van miljoenen dwarrelende deeltjes. Sommige van die deeltjes vallen op haar wangen en voorhoofd, een aantal verdwijnen in het zwarte gat van haar opengesperde mond. De afdelingschef is begonnen te spreken, zorgvuldig pikt hij zijn woorden uit de bulk van het staatsjargon. Er komen wolkjes uit zijn mond.
Min moet denken aan haar grootmoeder. Grote Kee was uit de bergen gekomen om de zorg voor Min op zich te nemen toen haar moeder verongelukte in de pletterij. Een offer voor de vooruitgang, had hetzelfde afdelingshoofd destijds gezegd.
De vader van Min Kee werkte in de bouw en had weinig tijd voor zijn dochter. Hij werkte en keek Staats Televisie. Grote Kee had argwaan jegens dat soort moderne vindingen. De tv noemde ze een wolkenmachine. Door tv te kijken kreeg je de wolken in je hoofd en dat belemmerde het nadenken. Aan de andere kant kon Grote Kee de uitvinding van de auto wel weer waarderen, ook een wolkenmachine, maar eentje die je bracht waar je wezen moest. Bovendien was het ook niet verstandig de wolken van de auto in te ademen, wist Grote Kee.
Op achtjarige leeftijd was Min Kee eens thuisgekomen van school en had grootmoeder haar schrift laten zien. Daarin stonden tekeningen en verhalen over de grote Vaandeldrager.
‘Wat lees ik hier,’ zei grootmoeder geamuseerd, ‘gaat Vaandeldrager niet naar de wc?’ Min kon de ironische toon van haar grootmoeder nog niet goed begrijpen.
‘Dat heeft de leraar verteld. Vaandeldrager neemt de zon in zich op en geeft de energie van de zon aan ons terug in de vorm van zuurstof.’
Grote Kee had gelachen en had haar kleinkind het een en ander verteld en Min Kee kreeg antwoord op al haar vragen. Min had de volgende dag op school dingen gezegd die het noodzakelijk maakten voor een ambtenaar van het ministerie van onderwijs om op huisbezoek te komen. ‘U kijkt te weinig televisie en het is uw plicht als opvoeder ook het kind tv te laten kijken,’ zei het mannetje dat dezelfde ziekelijk witte kleur had als iedereen in de stad. Alleen Grote Kee was bruin en ze zweeg terwijl de ambtenaar zijn verhaal deed. ‘U kunt kinderen niet blootstellen aan de directe indrukken van de wereld, dat is mishandeling.’
Als de afdelingschef klaar is met zijn wolkentoespraak begint Min onbedaarlijk te huilen, de timing is perfect want de directeur komt er net aan.  Ze denkt aan haar grootmoeder. Ze ziet hoe de spiegels van haar ogen worden bevloeid en hoe ze overlopen. Haar grootmoeder, Grote Kee, was vorig jaar overleden. Toen had ze niet gehuild, ze had het niet gekund. Tranen zijn kostbaar, ze zijn wisselgeld voor het openbare leven.
Mins tranen zijn echt, laat daar geen twijfel over bestaan. Haar verdriet was alleen opgeschort en gerangschikt volgens het rooster van de staat. Op het laatst had Min nauwelijks nog gesproken met haar grootmoeder. Er was iets definitief misgegaan in hun relatie na het incident met de ambtenaar. Hij had droog en nogal formeel enkele dreigementen voorgelezen zoals alleen ambtenaren van het ministerie van onderwijs dat kunnen. Min Kee en haar grootmoeder spraken niet meer, maar raakten elkaar ook weer niet volledig uit zicht. Ze cirkelden om elkaar heen als twee zwijgende planeten.
Sinds Grote Kee was komen te overlijden was Min Kee langzaam opgeslokt door de zwaarte van haar afwezigheid. Het was alsof de opmerkingen van haar oma over de wolkenmachine nu pas tot haar doordrongen, alsof ze nu pas begreep wat haar grootmoeder altijd had gezegd. Zo kon nergens heen met haar vragen, ook niet bij haar vader. Ze vroeg hem wel van alles, maar hij gaf nooit antwoord. Op een keer na. Hij zei: ‘Ik heb eens een documentaire gezien over pinguïns op Antarctica. Ze komen als groep in beweging, toch zijn er altijd enkelen die de andere kant opgaan en die sterven dan van de kou.’ Hij vertelde het zonder zijn blik van de tv af te wenden, alsof hij bang was achterop te raken.
De afdelingschef heeft een seintje gegeven en iedereen zet zich in beweging. Een mars van verkleumde lichamen en gevoelloze voeten. Een schuifelende mars in blauwe overalls langs het bronzen Beeld van Vaandeldrager. En ieder individu, iedere bleke fabrieksarbeider, laat precies op tijd de bloem los. Er groeit een rood tapijt rondom de granieten sokkel. Als Min stilstaat, staart ze naar de Vaandeldrager, ze kijkt omhoog naar hem die de weg altijd weet zonder ooit van zijn plaats te komen.
Een dikke korst sneeuw heeft zich reeds vastgezet op de groen uitgeslagen schouders van het koperen standbeeld. Min kijkt naar de nerven in de handen en naar de stengelachtige nek. Ze realiseert zich iets en het doet haar glimlachen. Alleen de sneeuw is getuige van de gedachtes die in Min Kee hebben wortel geschoten.
Dan loopt ze door, de andere fabrieksmeisjes achterna en ze wordt gevolgd door nog meer fabrieksmeisjes. Allemaal met donker kortgeknipt haar en dezelfde bleke gezichtjes. Min maakt deel uit van een groep, van een eenheid die verantwoordelijk is voor de productie van een halffabricaat. Ze kende tot voor kort haar plek in de keten. Maar nu is ze daar niet zo zeker meer van.
Dan merkt ze tot haar afschuw dat ze de rode bloem nog in haar hand heeft, ze heeft niet zoals de anderen het symbolische bloedoffer aan haar bloedeloze leider gebracht. Eerst wil ze omkeren, maar dat gaat niet meer, ze stopt de bloem snel in haar zak waar ook nog haar opgevouwen zakdoek zit. En hoewel Min Kee gewoon achter de anderen aanloopt, is ze er in gedachten al niet meer. Ze heeft zich losgemaakt van de groep en loopt als een eigenwijze pinguïn de verkeerde kant op, ongeacht de consequenties.

Bram Esser (1976) is ontdekkingsreiziger. Steeds op zoek naar verhalen verkende hij de grenzen van de stad, woonde hij in een zeecontainer op het strand van Scheveningen en integreerde hij met een geleende labrador in Vinexwijk Ypenburg. In 2012 verscheen Snelwegverhalen, een roadboek dat hij met Melle Smets maakte over de Nederlandse snelwegcultuur. Foto: Mariëlle Gebben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s