De les

0

‘In dit uur gaan we bewijzen dat niets te moeilijk voor ons is.’
Hubertus van Eegeren kijkt zijn klaslokaal in. Hij ademt diep naar zijn buik. Het kriebelige gevoel, dat huppelt over zijn ingewanden, heeft lucht en ruimte nodig.
‘Eerder zijn we ingegaan op wat echt is en wat nep. Daar gaan we op door, maar nu nog een humuslaag dieper. Laten we samen afdalen naar het hoe en waarom. Waar komt onze wil uit voort? Uit ons verstand? Uit ons gevoel? Of is alles een kwestie van…’
Hubertus onderbreekt zichzelf. Hij draait naar het bord, pakt een krijtje en schrijft dan met grote halen vier letters. Hij schrijft ze met zijn ogen dicht, zijn klas kan hem zo toch niet zien, en hij kan de letters wel dromen. Hij zet een streep onder het woord en tikt met het krijt tegen het bord.
‘Eros, jawel. God van de liefde. De god van het verlangen ook, van de schoonheid, de lust, de verbinding. De blinde passie, de voortplantingswens. Maar ook: de universele, allesomvattende liefde, de kracht die de wereld bijeenhoudt.’
Het blijft stil in de klas. Geen gegrinnik, geen stom gekwek, maar stilte, afwachtende stilte.

1

Nog verder en zijn hoofd zit klem. Hubertus trekt zijn gezicht terug uit het hek, maar zijn handen blijven de spijlen omklemmen. De zwarte staven drukken diep in zijn palmen. Hij grijnst zonder zijn ogen af te wenden van het gebouw dat zo’n vijftien meter achter het hek staat. Als een imposant heiligdom rijst het voor hem op, net als toen, op die eerste schooldag. De vierenveertig tussenliggende jaren doen er niet meer toe, vormen hooguit een adempauze tussen het toen en het nu. De kastanjebomen boven zijn hoofd ruisen in de ochtendzon, als instemmend brommende vrienden van vroeger, alsof ze willen laten weten: wij herinneren het ons ook nog hoor, Huib, als de dag van gisteren, wat dacht je dan, nou en of.
Het gebouw kijkt naar hem terug, met zijn twintigtal ramen. En dan te bedenken dat dit alleen nog maar de vensters aan de voorkant zijn. Hubertus wordt opnieuw bezien, maar er wordt niet op hem neergekeken. Integendeel. De roodbruine bakstenen staan strak in het gelid, maar met het witte voegsel ertussen oogt het geheel gemoedelijk ondanks zijn ontzagwekkendheid. Het bouwwerk houdt zijn kaarten vooralsnog tegen de borst: de diepgroene deuren blijven gesloten, de roomwitte pijlers ernaast wachten stil. Het geheel is standvastig, maar niet onverzettelijk. Het ademt ook nu weer dat hij gewenst is, dat hij hier mag zijn. Sterker nog, het gebouw heet hem welkom. Opnieuw. ‘Weet je zeker dat je hier naar school wilt gaan, jongen?’ Het vragende, rood aangelopen gezicht van zijn moeder dat naar hem toe draait terwijl ze met moeite die zware groene deur openduwt. Maar ook toen was hij vlak voor het hek al verkocht. Dat krachtige zwarte staal, stoer maar ook kunstig, met die krullen en lijnen, hard en tegelijkertijd bijna lieflijk van vorm. En dan, daarna, over het witte, bijna glimmende grind, alsof het speciaal gepolijst was. Eén steentje kwam in zijn schoen, en dat liet hij de hele dag zitten. Hij kwam oren en ogen te kort, toen. Die erehaag van kastanjebomen, ook toen, ruisend in de zomerzon. Die marmeren trappen, die groene deuren. En op die grote driehoekige gevel boven de poort, in goudkleurige letters dat dierbare woord: GYMNASIUM.
Een kleiner fronton, vlak boven de deur, toont het wapen van de stad. Hij moet zijn ogen samenknijpen om het goed te kunnen zien, maar het helpt dat hij weet hoe het eruitziet: een gouden schild met een bloedrode arend die zijn vleugels en poten wijd uitspreidt. Op de borst van de vogel prijkt een zilveren sleutel. Maar het mooiste is het motto, vlak boven de deur: Beatus homo qui invenit sapientiam. Gelukkig de mens die wijsheid vindt. En gelukkig is hij die weer thuis lijkt te komen.

Nog één keer kijkt hij naar het gebouw, dan rukt hij zich met moeite los. Nog twee dagen, dan is hij weer binnen. En wat zijn nou twee dagen? Op de stenen palen naast het toegangshek staat ‘anno 1913’. Bijna tachtig jaar later maakt hij zich druk om twee dagen. Hij kan zich beter vasthouden aan de wetmatigheid van het leven. Een schooljaar begint elk jaar opnieuw. Een vol bord wordt weer schoongeveegd, elk jaar weer een tabula rasa. En dit wordt het jaar van zijn terugkeer. Hij heeft er lang op moeten wachten, maar het is alsnog gelukt. Het bord is schoongeveegd, de luiken worden opgehaald. Hij kan weer met een schone lei beginnen.

De Les van Fleur Boose verschijnt 14 januari bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam, paperback, 160 pag., €17,95, ISBN 9789046817513.

Fleur Boose (1976) schreef o.a. voor De Groene Amsterdammer en de Volkskrant (vanuit Thailand) en publiceerde fictie in Lava, Bunker Hill en De Gids. Ze woont in Brussel, waar ze werkt als vertaler. De les is haar debuutroman.

Beeld: Arenda Oomen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s