De favoriete songtekst van Martijn Knol

‘Ich gehe den Alleingang’ – Thomas Bernhard (1931 – 1989)

Twee zomers terug stond ik in Gees een beetje te dromen aan een wei vol koeien toen er opeens, vanachter een boerderij, een jongen op een grasmaaimachine de hoek om zwaaide. Hij droeg een zwart T-shirt met daarop in latexwitte letters de tekst ‘Mooi Wark’. Later, op een braderie (hie-haa!), zag ik dat ‘Mooi Wark’ de naam van een band is.
Ik kocht een cd. Hoewel ook nummers als ‘Tepels liegen niet’, ‘Broekhoest’ en ‘Dat giet zo moar niet’ tot aandachtig luisteren uitnodigden, was één lied het antwoord op de vraag die me al een tijd bezighield. Die boerenzoon bleek een zwarte engel te zijn geweest. Zijn grasmaaicorvee een annunciatie.
‘Schijt aan regels’ verwoordt en verklankt het dwarse gedachtegoed van door bittere winters geharde Drenten, maar de krachtige strekking is tijdloos en universeel. Het lied – dat in het refrein knipoogt naar het allerlaatste woord van James Joyce’s hoeksteenboek Ulysses (1922) – hielp me mijn gedachten te vormen over de positie die ik moest innemen ten opzichte van de meest invloedrijke kunststroming van de afgelopen eeuwen.
‘De toekomst van het modernisme is uiterst onzeker,’zegt Peter Gay aan het slot van zijn Modernism, The Thrill of Heresy from Baudelaire to Beckett and Beyond (2007), ‘en hangt af van de vraag of er een afzonderlijk publiek voor hoge cultuur blijft bestaan.’
Ik vroeg, en vraag, me af of dat waar is. Het zijn toch nog steeds de literatuur en de kunsten waar intelligente, sensitieve mensen hun troost en vertier en geluk zoeken? Mijn hoofd stroomt over als ik werk moet noemen dat, minder of meer, in de traditie van het modernisme staat. Van Nanne Teppers De eeuwige jachtvelden tot Gaspar Noé’s Enter the Void, de choreografieën van Anne Teresa De Keersmaeker en Dave St.-Pierre. Maarten Baas’ object ‘Hey, chair, be a bookshelf!’ Romans als Salomon van Hafid Bouazza, Lichtjaren van Stephan Enter en Elf van Daniël Rovers. Vrijwel alle voorstellingen van toneelspelersensemble ’t Barre Land.
De verteltechnische, wijsgerige en psychologische verworvenheden van het modernisme vigeren nog steeds. Ik ben niet de enige die de helden van die stroming haast kritiekloos bewondert en hun oeuvres als gouden standaard beschouwt. Zelf noemt hij Gay schrijver Gabriel García Márquez en architect Frank Gehry als voortzetters van modernisme – ook geen namen die je associeert met de vergetelheid.
Ik raak er meer en meer van overtuigd dat we ons te respectvol verhouden tot de teksten, artefacten en theorieën die de modernisten hebben voortgebracht en dat we daardoor vergeten ons te laven aan de bron waaruit al dat werk is ontsprongen: de krankzinnige drang tot vernieuwing.
Een harde kop is de zoete doem van de kunstenaar (M/V), hij is altijd in conflict met zijn tijd, zijn omgeving en met zichzelf. Wat nu gecanoniseerd is, is ooit bevochten op het onbekende. Wat nu in musea hangt of in dundruk op kastplanken staat, werd ooit onthaald op onverschilligheid, hoon of juridische tegenstand. Van Gogh, Woolf, Schönberg, Baudelaire, Flaubert, Rimbaud, Joyce, Proust, Rietveld, Duchamp, Freud: bij leven waren ze niet wat ze daarna geworden zijn. Zij lieten zich niet inspireren door het modernisme, zij waren het.
Wat anderen doen en laten, moeten zij weten. Maar ik wil zo zoetjes aan wel eens zien wat er te beleven valt buiten het speelveld van het modernisme (dat zich in mijn eigen genereuze definitie uitstrekt van Multatuli’s Ideeën tot aan David Foster Wallace’s Infinite Jest). Al is het maar om te ontsnappen aan de zelfhaat die opkomt als je te langt blijft rondhangen op andermans erf.
Het is tijd om het eigenwijze hart uit het modernistische corpus te snijden, het naar het nu te transplanteren en dat overjarige lijf verder lekker te laten wegrotten. Als je het modernisme recht wilt doen moet je het begraven, achterlaten of wegvagen. Nostalgisch, steriel, museaal modernisme is voor de vrije uurtjes van bankdirecteuren.
Met soevereine trots verder trekken… ongekarteerde binnenlanden ontginnen… Leve de creatieve rebellie!… en leve de heerlijke, nobele eenzaamheid die daarmee gepaard gaat… Eerst verwilderen… dan weer helemaal opnieuw beginnen… een weg door het oerwoud kappen, met eigen ogen zien wat er nog voor schatten schuilgaan in die wildernis… Een nieuw literair genre? Waarom niet? Of misschien is het tijd voor andere media… design, streetart, webkunst… het is ook mogelijk dat het moment is gekomen om de regionen van de esthetiek te verruilen voor die van de ethiek.
Mijn intuïtie zegt dat het nieuwe, het levende, het echte eerder valt te verwachten uit de schorre kelen in een leipe boerenbierkeet, dan uit het zoveelste braaf gebonden dundrukdeel. Ik weet nog niet waar ik de god van de vernieuwing moet dienen, maar dit lied wijst me de weg, dat weet ik zeker. Ik zing het aan begin van iedere werkdag. Luidkeels. Soms wel honderd keer achter elkaar. Schijt aan regels. Mooi Wark.


Mooi Wark – Schijt aan regels

Ik ben al wat doagen
een beetie dwars op alles
Weet ie wat et geval is
zal ik me wel gedragen

Die bobo’s bepalen
wat wel mag of wat niet mag
daarvan krieg ik een glimlach
Ik goa dr tegen in

Want kiek en das nou typisch Nederland
En al die regels hangt hier aan de wand
Misschien ben ik wel wat te streng
Zo als ik et hier wat donker breng

Want soms dan vin ik er geen flikker an
As ik me niet eem fijn kan loaten goan
En ik bedoel et niet zo slecht
Maar het helpt as ik soms zeg:

‘Wij hebben schijt aan regels!
Jalalalalalala
Schijt aan regels!
Jalalalalalala
Wij hebben schijt aan regels!
Jalalalalalala
Wie hebbe nooit schijt aan regels
Want ie mag van ons wel goan’

En weet ie, woar ik nou het hardste om moet lachen?
Dan moet je es eem wachten, wa ik joe nou goa zeggen.
Soms moj dan gewoon doen, of ’t joe niks kan schelen.
Heur niks van die bevelen, ik goa dr tegen in.

Want kiek en das nou typisch Nederland
En al die regels hang hier aan de wand
Misschien ben ik wel wat te streng
Zo als ik et hier wat donker breng

Want soms dan vin ik er geen flikker an
As ik me niet eem fijn kan loaten goan
Ik bedoel et niet zo slecht
Maar het helpt as ik soms zeg:

‘Wij hebben schijt aan regels!
Jalalalalalala
Schijt aan regels!
Jalalalalalala
Wij hebben schijt aan regels!
Jalalalalalala
Wie hebbe nooit schijt aan regels
Want ie mag van ons wel goan’

tekst en muziek: Bert Koops
afkomstig van de cd Bok ‘m d’r op (2008)


Martijn Knol (1973) is schrijver, blogger en redacteur van literair tijdschrift Tirade. Hij schreef de romans De duiker (2003), Aphinar, een romantische tragedie (2007) en Alles kan kapot (2011). Deze maand verschijnt zijn novelle Elders bij uitgeverij Wereldbibliotheek.

Deze Losgezongen verscheen eerder in het juli-aug 2011 nummer van Passionate Magazine.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s