Handelaar in comfortlucht

Ruimteziek wordt je normaalgesproken doordat je evenwichtssystemen ontregeld raken. Dit komt door de afwezigheid van zwaartekracht. De hoofdpersonages van de vier verhalen die Ruimteziek van Bram Esser vormen zijn ook hun oriëntatie kwijt. Ze weten niet langer wat boven en onder is en drijven soms hopeloos verloren weg van planeet aarde. Vandaag aflevering 3: ‘Handelaar in comfortlucht’.

Meneer Slater, een gezette vijftiger met een rood kaal hoofd en een golvende snor, zat achter het stuur van zijn camper en reed naar het zuiden. Het blauwe konijn, een knuffel van zijn dochter had zich op zijn vaste plek op het dashboard tegen het raam genesteld. Zo reden ze al een paar dagen. Meneer Slater zag een groots en weids landschap voor zich, maar het blauwe konijn herinnerde hem er telkens aan dat hij er niet in kon verdwijnen. Hij zat in een camper met zijn gezin. De tweeling dacht dat ze op vakantie waren en daar leek het ook wel een beetje op. Meneer Slater droeg bijvoorbeeld een korte broek. Vakantie, echter, impliceerde een terugkeer naar huis en daarvan zou dit keer geen sprake  zijn. Van vakantie wist hij wel het een en ander af.
Tot voor kort verkocht meneer Slater airco’s aan hotels. De toerist bevindt zich in een bubbel en om die bubbel te handhaven heb je frisse lucht nodig: comfortabele, controleerbare, aangename lucht. Comfortlucht, zo noemde meneer Slater zijn product.
Lekker eten en een aanleg om dik te worden hadden van hem in de loop der jaren een ronder mens gemaakt, zoals hij dat zelf graag noemde. Bij het verkopen van airco’s had zijn gewicht hem nooit in de weg gezeten. Misschien leverde het hem zelfs voordeel op. Dikke mensen zweten veel en weten dus een hoop van airco’s. En dat klopte ook wel; de meeste airco’s hadden geen geheimen meer voor hem.
Op een vertegenwoordigerscursus had een coach tegen hem gezegd: ‘Blijf altijd lachen. Dat klinkt als een open deur, maar wie die deur ook echt open wil houden, zal moeten lachen.’ Meneer Slater had dat advies ter harte genomen. Hij was een lachende verkoper geworden en kon zijn glimlach al naar gelang de situatie, goed sturen.  Hij beschikte over begrijpende, ironische en ingehouden lachjes.
Collega’s stopten doorgaans met lachen zodra de potentiële klant de deur in hun gezicht had dichtgeslagen. Meneer Slater niet, hij hield zijn gezicht altijd in de plooi. Nooit zag je aan hem wat hij werkelijk voelde. En zoals sommige mannen hun werk mee naar huis namen, zo had hij de glimlach mee naar huis genomen.
Het had allemaal niet mogen baten. Hij was na tien jaar bij het bedrijf te hebben gewerkt op straat gezet en die werkelijkheid was nog steeds niet helemaal doorgedrongen.  Airconditioning was nu eenmaal zijn passie. Waar sommige collega’s net zo makkelijk broodroosters als airco’s verkochten, daar was hij een echte aircoman. Meneer Slater geloofde dat het menselijk welzijn begon bij geconditioneerde lucht. Er was geen vruchtbare gedachte, geen cultuur, nee, zelfs geen geen economie denkbaar zonder airco. De airco was geen gevolg van welvaart, maar de welvaart was het gevolg van de airco. Hij bracht dergelijke overtuigingen met zoveel stelligheid dat menig klant zich al snel gewonnen gaf. Zijn verhaal in combinatie met een op maat gesneden glimlach, maakte meneer Slater onweerstaanbaar.
Toen de economische bubbel was gebarsten had de baas van meneer Slater zijn sterverkoper bij zich geroepen. ‘Comfortlucht is als een huisdier, de mensen laten die als eerste ontsnappen als het tegenzit.’ Op zijn beurt moest hij nu ook meneer Slater laten ontsnappen. Het bedrijf was failliet, niet alleen meneer Slater moest weg; iedereen werd met vakantie gestuurd. Een schrale troost.
Meneer Slater keek via de achteruitkijkspiegel naar de tweeling die elkaar de haren aan het uittrekken waren. Hij hield van zijn gezin, maar vooral op momenten dat hij eenzaam over eindeloze asfalt wegen naar klanten onderweg was. Op zulke momenten dacht hij aan ze en het vervulde hem met een warme gevoelens. Als hij aan ze dacht waren ze lief. Nu hij onderweg was met zijn gezin, wist hij niet wat hij ervan moest denken. Denken lukte hem eigenlijk niet goed meer. Hij kon alleen nog maar gas geven.
Hij keek opzij naar zijn vrouw die er moe uitzag. Ze was bijna net zo gezet als hij, maar ze lachte nooit, en daar zou zijn ontslag weinig verandering in brengen. ‘Het minste wat je kan doen is lachen,’ had hij eens tegen haar gezegd. ’De mensen nemen dan minder aanstoot aan je.’ Zijn vrouw had geantwoord dat hij makkelijk praten had; hij hoefde nooit naar de supermarkt  waar de tweeling als contragewichten aan haar armen hingen. ‘Op een goede dag trekken ze me nog uit elkaar. De een wil naar het snoepvak, de andere wil koekjes.’
Er kwam een parkeerplaats in zicht. RESTROOM las hij op de gevel van een plat gebouw. De tweeling had de letters ook gelezen en ze begonnen nu te roepen dat ze honger hadden. Ze dachten zeker: waar een toilet is, daar wordt ook gegeten. Geen onlogische redenering.
De camper was nog maar net tot stilstand gekomen of de tweeling had zich al joelend naar buiten gemanoeuvreerd. Ze holden nu in de richting van een hotdogkraam. De vrouw van de ex-vertegenwoordiger sjokte er zuchtend achteraan. Het was warm, buiten, broeierig zelfs. Aanvankelijk was meneer Slater ook even uitgestapt om zijn benen te strekken, maar hij besloot snel weer aan boord te gaan. Hij wilde terug in bubbel van de airco, zo lang het nog kon.
Hij keek vanuit de cabine hoe zijn gezin om de hoek verdween en reflecteerde op deze situatie die zijn baas ‘vakantie’ had genoemd. Ze zouden zichzelf opnieuw gaan uitvinden, dat was het idee, maar geloofde hij dat echt? Hij had het hardop gezegd, bijna als een heldhaftig statement en hij had er ook consequenties aan verbonden. Daarom waren ze nu met de camper onderweg. Alles zou dus wel goed komen. Hij twijfelde.
Na tien minuten begon hij zich af te vragen waar iedereen bleef. Hij keek nogmaals naar de letters op het gebouw. RESTROOM. Je kon er heen om tot rust te komen. Meneer Slater fantaseerde dat zijn gezin hem had verlaten. Hij startte de motor om hen te waarschuwen en hij drukte een paar keer op de claxon. Er gebeurde niets. Nu wist hij het zeker; zijn gezin had zich teruggetrokken in het toiletblok. Ze geloofden er niet meer in.
De ex-vertegenwoordiger in comfortlucht trok de veiligheidsriem over zijn ronde lichaam, drukte het gaspedaal in en verliet de parkeerplaats. Dit was Amerika, dit soort dingen konden gebeuren. Zijn leven was een grote vacature geworden, de leegte van een onvervulde positie. ‘Ooit was ik iemand, ik kon iets. Dat weet ik zeker,’ dacht hij bij zichzelf. Hij zag het uitgestrekte landschap en heel eventjes voelde hij zich vrij en geloofde hij echt dat de mogelijkheid van herrijzenis bestond. Waarom zou hij niet kunnen verdwijnen achter die glooiende heuvels? Toen zag hij in zijn ooghoek iets blauws en toen hij erop focuste zag hij het konijn met een waanzinnige bevroren glimlach op zijn gezicht. Het deed hem ergens aan denken, al wist hij niet meer waaraan. Hij was een man die niets meer had.

Bram Esser (1976) is ontdekkingsreiziger. Steeds op zoek naar verhalen verkende hij de grenzen van de stad, woonde hij in een zeecontainer op het strand van Scheveningen en integreerde hij met een geleende labrador in Vinexwijk Ypenburg. In 2012 verscheen Snelwegverhalen, een roadboek dat hij met Melle Smets maakte over de Nederlandse snelwegcultuur. Foto: Mariëlle Gebben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s