Anakuklesis

Heb je ooit twee pitbulls ongestoord voor de motorkap van je wagen zien slenteren? Twee robuuste pitbulls, met massieve schouders en brede onderkaken. Die beesten. Ze kijken als mensen, als hulpeloze, smekende mensen maar het zijn geoliede machines, esthetisch uitgezuiverde monsters. Ze zijn het eerste wat ik zie wanneer ik de man aanrijd. Gracieus, elegant en onverstoorbaar sluipen ze rond. In steeds kleiner wordende cirkels. Ik kan mijn ogen niet van die honden afhouden. Dit gaat niet over hoe ik de man aanreed. Dit verhaal gaat over die pitbulls en hoe zij bleven doorgaan.

Ik vertel over die pitbulls tegen mijn therapeut, Serim, het is een oude vriend. Het is zaterdag. Hij zet het raam op een kier en vraagt: ‘Hoe is het met je?’ Ik vraag of hij de radio stiller kan zetten terwijl ik me op de bank probeer te leggen en klungel met mijn been. Op dat moment voel ik me een marionet die hoogstens ongecontroleerd met zijn ledematen kan wapperen. Serim wil me ondersteunen maar ik duw hem weg, ik zeg dat ik het alleen moet redden. ‘Jouw taak,’ zeg ik, ‘bestaat eruit te lachen wanneer dat niet zo vlot gaat.’ Serim lacht, schenkt me een whisky in en vraagt hoe het met mijn been gaat. ‘Slecht. Maar het maakt niet uit.’ Ik zeg: ‘Vanmorgen las ik over een auto-ongeluk op de E40, een kettingbotsing met drie doden. Zij kunnen minder lachen.’ ‘Tja,’ zegt Serim, ‘auto-ongelukken gebeuren elke dag, John, daar valt niets aan te doen.’ ‘Heb je het laatste nieuws uit Syrië gehoord?’ vraag ik. ‘Ja, vreselijk.’ ‘Gebeurt elke dag, Serim,’ antwoord ik, ‘daar valt ook niets aan te doen.’ Deze keer vindt Serim het niet grappig, dus ik verander van onderwerp en vraag of hij een sigaret heeft. Hij geeft er één aan en zegt: ‘Je zou niet moeten roken.’ Ik steek de sigaret aan, rook waait in mijn ogen, ik hoest en vraag of hij het niet aan Maggie wil vertellen. ‘Best,’ zegt hij, ‘als jij me belooft het deze keer niet te hebben over oude vrouwtjes en aasgieren. Je moet over jezelf praten.’ Ik zucht, zet me schrap en krab aan mijn bovenarm, hij lijkt te slapen.

Er zou een punt zijn in de ruimte waar er geen tijd is. Er is geen tijd omdat er niets beweegt. Dit is het absolute centrum van alles. Ik ben erover aan het lezen in een aantal boeken – over de tijd en de ruimte. Twee religieuze werken, een boek over fysica en een sciencefictionnovelle. Ze geven me het gevoel dat ik een zuiver kenniswezen ben, een eindeloos brein zonder lichaam. Ik ben een denkend punt, zonde begin of einde en elke gedachte, elk ‘zijn’ speelt zich simultaan af. Wat denk je daar van?

Het is zaterdagochtend, ik ben nog met mijn ogen aan het knipperen om de slaap eruit te krijgen en ik geeuw. Ik ben op weg naar de bakker en rook een sigaret met het raam op een kier. Verderop toetert een wagen aanhoudend, uit de radio loeit een nummer van Charlie Parker en ik tokkel mee op mijn stuur. Maggie wil dat ik stop met roken, we hebben net een discussie gehad en ik voel me schuldig dat ik het stiekem doe terwijl ik brood haal. Ik sla de Bagatenlaan in en hoest. Even later rijd ik de man aan. Het gebeurt gewoon. Het eerste wat ik daarna zie zijn die pitbulls. Beheerst, onderkoeld snuffelen ze en bij elke beweging zie ik hun massieve spieren rollen en ik bewonder de perfectie, de schijnbare onkwetsbaarheid van hun lichaam. Ze hebben iets onwrikbaars, als twee gasreuzen die rond de zon cirkelen zonder ooit van koers of snelheid te veranderen. Apathisch snuffelen ze alsof er niets is gebeurd. Ik kan het maar niet vatten, weet je. Alsof er ergens iets hapert, een motor die niet starten wil zodra ik aan die honden denk. Ik kan me ook niet herinneren wanneer ik hun voor het eerst zag slenteren en wanneer het stopte. Al wat ik weet, is dat ze er zijn. Ik ken zijn naam. Van de man. Hij heet Eric en hij is accountant. Ik ken hem omdat we even goed van plaats hadden kunnen wisselen.

Ik denk aan hem wanneer ik in De Profeet van Kahlil Gibran lees: ‘Alleen wanneer je ledig bent, sta je stil en bent in evenwicht.’ Wanneer ik het lees, zet ik de radio stiller, laat me zakken in de autozetel en beeld me in dat ik geen lichaam heb. Ik probeer de stijfheid weg te denken en verbeeld me de lucht die langs het kraakbeen onder mijn knieschijf waait. Het is niet enkel mijn knie. Ik voel het elders gewoon nog niet. Ik beeld me in hoe ook mijn heup langzaam verdwijnt, mijn vingers en ellebogen, mijn wervel. Ik beeld me in dat ik er niet meer ben en probeer dat te voelen – de absolute absorptie door het eindeloos nietige. Daarna denk ik hoe ook het centrum van het universum stilstaat en in evenwicht is en hoe ook het centrum van de tijd ledig is; het centrum van de tijd is onbestaand. Dan word ik wakker en besef dat het brood op is.

Ik ben bij Serim. Ik ben te laat, ik zweet van de lange wandeling. Ik zeg dat het wel gaat en vraag of hij wat jazz kan opzetten terwijl ik me onhandig in de zetel laat vallen. Serim vraagt of ik voldoende slaap. Ik grap: ‘Neen maar mijn lichaam leidt steeds meer aan narcolepsie.’ Ik word afgeleid door het getoeter van een wagen. Ik erger me er mateloos aan, hij blijft maar toeteren naar een oude vrouw met looprek die de straat oversteekt. Boven haar cirkelt een vogel in de lucht, op zoek naar aas. Ik zeg: ‘kijk. Die is gewoon een prooi, iemand die slecht ter been is moet niet zomaar de straat over steken.’ Serim lacht, hij zegt dat ik mijn gevoel voor zelfspot nog niet kwijt ben. Daarna zet hij zich voor me neer, kijkt me indringend aan en vraagt wat ik zoal doe. Ik weet er geen antwoord op en hij zegt: ‘Ga weer werken. Doe iets. Je moet verder met je leven.’ Ik vind het clichés en zeg dat ik ook boodschappen doe, af en toe. ‘Clichés of niet, het is zo,’ antwoordt hij. ‘Je moet vooruit gaan en in beweging blijven. Dan gaat het met de tijd wel beter, geloof me. Ook voor je MS is dat belangrijk, trouwens.’

Ken je die theorie over de implosie van de ruimte?  Zowat het omgekeerde van de Big Bang. Ik dacht er plots aan, nu we bezig zijn. Er zijn wetenschappers die zich bezig houden met het berekenen van het einde der tijden, het punt waarop er nog zo weinig massa per kubieke centimeter in de kosmos zit, dat het niet anders kan dan imploderen. Op dat moment draait de tijd om en gebeurt alles opnieuw, in omgekeerde volgorde. Beeld het je eens in, elke mens een Benjamin Button!

Ik wil achteruitrijden wanneer het gebeurt en ik wil alcohol. Ik durf het je te vertellen – niet omdat wij vrienden zijn, maar omdat jij monddood bent. In zekere zin ben ik reëler dan jij, want hier ben jij slechts een fictie. Maar ja, ik wil achteruit rijden. De straat is verlaten, op de radio speelt ‘Bird’ verder, rook waait in mijn ogen, in mijn achteruitkijkspiegel zie ik niets. In het hele universum is er niets wat enig cataclysme markeert. Ik kan gewoon wegrijden zonder dat iemand, zelfs jij niet, me veroordeelt. Maar voor mijn motorkap ligt hij. Bewusteloos. Eric, als een marionet. Uit zijn hoofd dijt een plas bloed uit, de geblokte pitbulls schokken in een spiraal die nooit lijkt te eindigen, steeds dichter naar hun baas toe. En het enige wat ik kan denken is: ‘Shit, Maggie zal geen brood hebben.’ Dat is al. ‘Shit, Maggie zal geen brood hebben. Maggie zal geen brood hebben, shit, shit, Maggie zal geen brood hebben.’

De stoïcijnen hadden er een begrip voor, voor dat haperen dat ik net deed. Anakuklesis, het betekent zoveel als: Eindeloze Herhaling. Ze kenden ook het begrip palingenesia; in iedere cyclus zullen dezelfde mensen opnieuw verschijnen. Socrates zal steeds opnieuw worden berecht, veroordeeld en terechtgesteld. Die idee van Eindeloze Herhaling keert zelfs terug in de meeste voorchristelijke religies, tot wij er een eind aan maakten met onze neoplatoonse illusie van het hiernamaals. Maar als je nu stelt dat tijd cyclisch is, dan is vooruitgang per definitie onmogelijk; ik word steeds teruggezogen naar dat onbestaande centrum en ben gedoemd om eeuwig toe te kijken hoe die honden onverstoorbaar rond Erics lichaam cirkelen en hun neuzen in zijn wonden drukken, op zoek naar de uitdovende geur van hun baas. Hoe langer ik toekijk, hoe meer ik geloof dat ik het ben die daar ligt.

Ik zit op Serims zetel, hij rookt een sigaret en schenkt twee whisky’s in. ‘Weet je wat ik dacht toen ik me net neerzette,’ zeg ik. ‘Dat ik een marionet ben. Stel je eens voor: draadjes overal aan mijn armen en mijn benen en opeenvolgend begint elk scharnier te haperen.’ Serim zegt: ‘John, je ziekte – ‘Ik zeg dat die ziekte me niets kan schelen. Hij antwoordt: ‘Eerlijk, John, ik weet niet hoe ik hiermee moet omgaan. Ik ben hier niet voor opgeleid. Ik zeg het je als vriend: er is een hele goeie kerel in de stad, een specialist.’ Ik antwoord dat de stad te ver is en dat ik niet zal rijden. ‘Kan Maggie je niet voeren? Of de bus?’ ‘Ik rij niet,’ zeg ik nadrukkelijk. ‘Maar hoe kom je dan tot hier?’ ‘Mankend,’ zeg ik. Of eerder: stilstaand, denk ik.

Ik moet iets bekennen: de sigaret valt. Daarom gebeurt het. Je hoeft dit niet te horen als je niet wil, gewoon omdat het mij najaagt. De sigaret valt op de vloer. De rook stijgt op van onder mijn pedaal en ik buk me om de sigaret op te rapen. Wanneer ik rechtkom, rij ik hem aan. Door de schok smakt mijn lichaam ongecontroleerd, als een lamme pop tegen het stuur. Mijn lichaam is verdoofd en het duurt even voor de pijn doordringt, beginnend vanuit mijn knie. Dan zie ik de pitbulls. Ze kijken me recht in de ogen van ‘wat kijk je nou, mankepoot?’ Ik krab aan mijn verdoofde bovenarm en toeter. Ik blijf zitten en toeter. Ze kijken even op en slenteren dan weer verder, dus ik toeter en besef plots dat Maggie te weten zal komen dat ik heb gerookt. In het midden van de baan, op de witte streep, bloedt Eric, de dode accountant langzaam leeg. En ik toeter en denk: ‘Sta op, ik moet naar de bakker.’

Er is een theorie, de probabilistische herhaling van Markov, die stelt dat herhaling onvermijdelijk is. Zelfs zonder enige gedetermineerdheid zijn de mogelijke opties niet eindeloos. Als je een keten van eindige opties hebt, keer je vroeg of laat automatisch terug naar een eerdere variabele. De opeenvolging van opties leidt hoogstens tot variaties maar nooit een wezenlijke verandering. In het boek De fysica van de onsterfelijkheid wordt gesuggereerd dat ons hele universum op zo’n keten gebaseerd is. Vroeg of laat moet alles terugkeren.

Het is zaterdagochtend. Serim en ik luisteren naar de tweede versie van Bird’s ‘Cheryll’. Nadat ik mijn lichaam met een abrupte schok in de zetel laat zakken, vraagt hij of ik plannen heb voor het weekend. Ik zeg dat het weekend te ver vooruit gedacht is. ‘Je moet ook wat ontspannen, John. Maggie vertelde me dat je de hele dag in de wagen hebt zitten lezen en piekeren.’  Ik zeg dat ik vast zat waarop Serim antwoordt dat ik me nog dood denk – ik maak ervan: doodwandel. Maar het punt is: hoe kan ik nog verder wandelen als Eric dat niet kan? ‘Het is niet jouw schuld. Je moet vooruit gaan. Je hebt nog recht op je eigen leven, hé,’ zegt Serim. Ik antwoord dat schuld irrelevant is. ‘Je bent geobsedeerd, John. En nu moet je echt praten.’ Hij zet zich voor mij neer en zegt haast wetenschappelijk: ‘Over wat er gebeurd is.’

Het is zaterdagochtend, ik zit in mijn auto en rij Eric aan. Tegelijkertijd zit ik bij Serim. Dat is wat er gebeurt. Ik heb een ruzie met Maggie en op hetzelfde moment waait de rook van mijn stiekeme sigaret in mijn ogen. Ik mank Serims kantoor binnen en hou de lucht in het oog, waar Charlie Parker als een aasgier in een spiraal naar me toe vliegt. De MS neemt mijn schouders en mijn nek in zijn greep en mijn lamme hoofd valt op de hoorn. Hij toetert. Ik zink als een gebroken paspop weg in de autozetel terwijl ik me inbeeld dat ik geen lichaam heb en voor mijn motorkap slenteren die pitbulls dichter bij mijn lijk. In het absolute centrum van alles is geen entiteit. Materie wordt slechts gescheiden door de aanwezigheid van tijd. In een tijdloos ruim versmelt elk ‘zijn’ tot een amorf en eendimensionaal vlak. De ruimte is een filmrol van vierentwintig frames met één beeld dat over een ander beeld is gefilmd dat over een ander beeld is gefilmd. De illusie van opeenvolging zit slechts in het oog van de kijker en het enige wat werkelijk gebeurt is mijn wereld die in elkaar schuift op het moment dat de tijd stopt, op het snijvlak tussen implosie en explosie. Ik heb gelogen, trouwens. De honden zijn niet het eerste wat ik zie. Ik zie Eric de dode accountant en wanneer ik hem aanrijd, kijkt hij terug met het besef van wat onvermijdelijk zal gebeuren. Daarom was hij altijd al dood en dat hij sterft, staat vast. En de enige uitweg is achteruitgaan, de tijd omkeren: de honden snuffelen in een steeds breder wordende spiraal. Eric staat op en duwt zich af van de wagen, de angst waarmee hij zijn ogen opende verdwijnt uit zijn blik en hij keert zich weer om en huppelt achterwaarts naar de stoep. Ik rij achteruit en leg de sigaret op de vloer. De sigaret valt in mijn mond en ik waai rook in mijn ogen. Ik rij de Bagatenlaan uit en steek de uitgedoofde sigaret weer in het pakje. Maar dan stopt de tijd en onvermijdelijk begint het opnieuw. Ik steek een sigaret aan en zet het raam op een kier. En alles wentelt in een steeds kleiner wordende spiraal naar dat ene punt in de ruimte waarin alles samenkomt en één wordt, in een zwart gat.

Maarten Luyten (1991) studeerde Taal- en Letterkunde: Nederlands – Engels en Cultuurmanagement. Hij werkt bij Artforum vzw en is daarnaast actief als freelance cultuurjournalist, theater- en literatuurcriticus. Voor onderdak beroept hij zich meestal op andermans gastvrijheid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s