UFO-spotten

Door: Steven Verhelst

Al in de Tweede Wereldoorlog zijn er waarnemingen gedocumenteerd van onidentificeerbare vliegtuigen. Ze werden ook wel Foo Fighters genoemd. Men dacht dat het om geheime wapens van de tegenstander ging. Soms waren het groene, lichtgevende cirkels ter grootte van de maan, andere keren verschenen Foo Fighters in groepen van glimmende voorwerpen die als enorme zilveren munten in rijen door de hemel schoten.

pp-plaatje-1-steven-verhelstDe echte golf van UFO’s kwam pas in 1947. Op verschillende plaatsen in de Verenigde Staten werden ovale, vliegende objecten waargenomen die zich met grote snelheid  voortbewogen.
Het Roswell incident is waarschijnlijk het meest bekende UFO-voorval uit de geschiedenis. Bij het dorpje Corona, New Mexico, ongeveer 100 mijl van Roswell, vond een schapenboer een groot aantal glimmende scherven die verspreid lagen over een strook van een paar honderd meter in de buurt van zijn ranch.
De sheriff van Roswell was nauwelijks geïnteresseerd in het verhaal van de boer, totdat hij een stukje van het materiaal zag, een siliciumkleurig metaal. Vrijwel direct werd het leger ingeschakeld om alles op te ruimen.
Een neergestorte weerballon. Dat was de verklaring die aan de pers werd gemeld. Maar volgens geruchten ging het om een UFO-crash, waarbij vijf aliens het leven lieten.
Ik besloot naar Roswell te gaan om te kijken wat er vandaag de dag van de UFO-gekte overgebleven was. En ik denk dat ik weinig beleefd had, wanneer ik Logan Harris niet was tegengekomen. Dan had ik waarschijnlijk niet meer gezien dan het Roswell UFO-museum aan North Main Street, een paar souvenirwinkeltjes, en een horde kinderen die met ET-maskers over straat gingen. Maar Logan liet me meer zien.

Moleculen in het heelal
Op een vrijdag in mei vloog ik naar Albuquerque, New Mexico, vanwaar ik met een huurauto naar Roswell zou rijden. Niet lang na het opstijgen vanuit San Francisco was een oude vrouw onwel geworden, waardoor we een noodlanding in Las Vegas moesten maken.
Naast mij zat een man met stropdas en kortgeschoren haar. Hij zei: ‘Ze zouden bejaarden op aparte vluchten moeten zetten, vluchten zonder piloot. Enkele reis Bermuda driehoek.’
We stonden geparkeerd bij een gate op het vliegveld van Las Vegas, terwijl de vrouw op een brancard het vliegtuig werd uitgedragen. Ik moest de man gelijk geven.
Nu er betaalde kinderopvang is, zijn opa’s en oma’s eigenlijk overbodig geworden.
‘Gelooft u in UFO’s?’ vroeg ik.
‘UFO’s?’
Ik knikte.
‘Aha, bejaarden als aliens bedoel je?’ De man lachte. ‘Ja, daar zit wel wat in. Die bleke, slappe huid en ingevallen ogen. Heel scherp.’
Ik zweeg en dacht aan twee van mijn vrienden die als sterrenkundigen aan het Stanford Linear Accelerator Center verbonden waren. Ik ontmoette hen elke donderdagavond in de kroeg. Toen ik vroeg naar hun mening over UFO’s, dachten ze dat ik het niet serieus meende. Dat ik hun vakgebied weer belachelijk probeerde te maken.
Toch houdt een deelgebied binnen de sterrenkunde zich bezig met buitenaards leven. Astrobiologen gebruiken spectroscopische methoden om moleculen in het heelal te bestuderen, op zoek naar sporen van leven. In de ijle lucht tussen de sterren zijn al eenvoudige organische verbindingen gevonden zoals acetamide en aminoacetonitril. Maar van acetamide naar leven is bijna net zo ongeloofwaardig als een rolstoeler die de top van de Mt. Everest bereikt.

Twee uur later dan gepland kwam ik aan bij het autoverhuurbedrijf op het vliegveld van Albuquerque, waar ik een auto had gereserveerd om naar Roswell te rijden.
‘Alle auto’s uit de economy klasse zijn al weg,’ zei de zwarte man met gouden voortand die achter de balie stond. ‘Maar u krijgt een gratis upgrade naar een full size model.’
‘Krijg ik er dan ook gratis benzine bij?’ vroeg ik. De benzineprijs was onlangs tot boven vier dollar per gallon gestegen.
Hij negeerde mijn vraag, pakte een sleutel en liep met mij mee naar het parkeerterrein, waar hij me een Chrysler 300 liet zien.
Ik liet mijn vingers even over de lak gaan. ‘Is dit gebroken wit?’
Mijn moeder zei vroeger altijd: ‘Wat je ook doet, nooit een witte auto kopen. Die worden zo snel vies.’
‘Deze kleur heet Cool Vanilla,’ zei zwarte man met gouden voortand. Hij opende de deur en wees op de zitting. ‘Lederen bekleding.’
Ik stak mijn hoofd naar binnen. De auto rook nog nieuw. Op het dashboard zag ik dat er slechts tweeduizend mijl mee was gereden.
Ik zei nog: ‘Ik heb eigenlijk liever een Honda Civic. Of iets soortgelijks.’
‘Een Honda Civic?’ De man keek me aan alsof ik om een driewieler vroeg. ‘Deze Chrysler heeft een hemiengine, én een Boston Acoustics premium sound system.’

Het zei me allemaal niets. Trouwens, ik had geeneens cd’s bij me.
‘Ik kan wel even een cd voor u branden.’
pp-plaatje-2-steven-verhelstEen kwartier later zat ik achter het stuur van de Chrysler, met een album van de Wu-Tang Clan op de stereo.
Ik kwam nog net op tijd in Roswell aan om een bezoek te brengen aan het UFO-museum, gevestigd in een voormalige bioscoop.
UFO Museum and Research Center stond er op de gevel van het gebouw.
De toegang was vijf dollar, dat viel mee. Het meeste verdienden ze natuurlijk in de museumwinkel, waar T-shirts, boeken, posters, bekers, kerstballen en koelkastmagneten te verkrijgen waren, allemaal met afbeeldingen van buitenaardse wezens.
Het museum zelf stelde weinig voor. Er was veel historische informatie over de crash in 1947 – met suggestieve maquettes van neergestorte vliegende schotels.
Ik kocht nog een pen in de museumwinkel en reed naar mijn motel, aan de rand van Roswell. Op straat ging een klas schoolkinderen voorbij met ET-maskers op.

Bezoek van aliens
Toen ik zaterdagochtend mijn motelkamer uitkwam om te ontbijten, stond er een Jeep met de nummerplaat UFO SKR naast mijn Chrysler. Dat was het kenteken van Logan. ‘UFO SPTTR was te lang,’ vertelde hij later. ‘Het Department of motor vehicles keurt alleen kentekens goed van zeven letters of minder.’
In het ontbijtzaaltje kwam Logan aan mijn tafeltje zitten.
‘Dit motel heeft het karigste ontbijt uit de omgeving,’ zei hij. Hij was net terug van een nacht UFO-spotten en begon langzaam een bagel met smeerkaas weg te kauwen. Er was keus uit bagels en cornflakes. ‘Maar dit is dan ook het goedkoopste motel in de omgeving. Ik kom hier al twintig jaar.’
Logan slikte een stuk bagel door. ‘Daarvoor logeerde ik altijd bij oom Teddy, maar dat ging op een gegeven moment niet meer. Ze hebben hem langzaam kapot gemaakt.’
Ik lepelde wat cornflakes naar binnen en vroeg wie oom Teddy kapot hadden gemaakt.
‘Iedereen. De FBI, de CIA. Maar vooral: de bezoekers.’
‘Bezoekers?’
‘Buitenaardse bezoekers. Ze zijn in zijn huis geweest op zoek naar de scherven van hun ruimteschip.’
Logan vertelde hoe oom Teddy in 1947 met een buurjongen een handvol scherven geraapt had, voordat het leger kwam om de zogenaamde weerballon op te ruimen. Oom Teddy was toen nog een schooljongen. Zijn vader had een ranch niet ver van de crashsite.
Iedereen werd ondervraagd, ook de jongens, maar ze verklaarden niets gezien te hebben.
Een paar jaar later is die buurjongen spoorloos verdwenen. De politie beweerde dat hij als beatnik door het land liftte en met zijn familie had gebroken. Maar volgens oom Teddy was het een alien abduction. ‘Sindsdien krijgt hij ook bezoek van aliens.’
Toen we terug bij onze motelkamers waren, zei ik dat ik voor een literair magazine uit Nederland schreef. ‘Ze willen dat ik verslag doe van een dagje UFO’s opsporen in Roswell.’
‘Een dagje UFO’s opsporen?’ Logan schoot in een lach. Daarna wees hij op mijn auto. ‘En dat is jouw auto? Die Chrysler 300?’
Ik knikte.
‘Daar kun je de woestijn toch niet mee in!’
Ik verzweeg maar dat mijn eerste keus een Honda Civic was.
‘De woestijn? Ik ben naar het museum geweest.’
‘Dat museum krijgt veel bezoekers,’ zei Logan, ‘maar geen buitenaardse.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Jij bent de slechtst voorbereide UFO-spotter die ik ooit ben tegengekomen.’
Logan nodigde me uit om zaterdagnacht met hem mee te gaan. Eerst langs oom Teddy en daarna mee UFO’s spotten.
Eigenlijk was ik van plan om zo snel mogelijk door te rijden naar Los Alamos, de plek waar in de Tweede Wereldoorlog de atoombom is ontwikkeld. Maar ik besloot mijn vertrek uit Roswell uit te stellen.
‘Ik ga slapen,’ zei Logan, voordat hij zijn motelkamer binnenging. ‘Zorg dat je ook wat rust krijgt.’

Rust.
Ik was net wakker en moest mijzelf in korte tijd weer knock-out krijgen. Maar hoe?
Mijn huisarts zegt dat een goede seksbeurt de beste manier is om te ontspannen voor het slapen. Ik weet niet hoe het zit met het seksleven van de gemiddelde Amerikaan, maar er worden jaarlijks aan meer dan 50 miljoen Amerikanen recepten voorgeschreven voor slaappillen.
‘Slaappillen zijn slecht voor de gezondheid,’ zegt mijn huisarts. Volgens hem is een natuurlijke slaap beter voor zowel lichaam als geest.
Ik stapte in de Chrysler en reed Roswell in. Bij de eerste supermarkt die ik zag, kocht ik een Hustler en een fles van mijn favoriete wodka.
Drinken voor het middaguur verhoogt de kans op alcoholisme, maar dat kan me niet schelen. Sinds mijn mislukte bezoek aan een bijeenkomst van de anonieme alcoholisten ben ik gestopt met het tellen van mijn consumpties.
Terug bij het motel ging ik op zoek naar de ijsmachine. Elk motel, hoe goedkoop ook, heeft een ijsmachine, meestal naast de frisdrankautomaat. Amerikanen kunnen niet zonder ijs in hun frisdrank.
Ik kan niet zonder ijs in mijn wodka.
Op mijn kamer kleedde ik me uit en ging op het bed liggen. Eerst de seks, dacht ik, en dan de wodka.
Net toen ik de Hustler open had geslagen, hoorde ik gemorrel aan de deurkruk. Een dikke Mexicaanse vrouw in een schort opende mijn kamerdeur. Ze bleef als verlamd in de deuropening staan.
‘Schone handdoeken,’ zei ze. ‘Schone handdoeken.’
‘Vanavond!’ riep ik, terwijl ik snel een deken over me heen trok. ‘Vanavond schone handdoeken!’
De deur werd weer dichtgetrokken, maar ik had al lang geen zin meer in de Hustler en de bijbehorende handelingen.
Op de tv vond ik een herhaling van Seinfeld, een serie waar mijn ex-vriendin zo’n hekel aan had. Ik bleef hangen en dronk grote slokken Absolut on the rocks, totdat ik duizelig in slaap viel. Het laatste wat ik zag, was het glimmende voorhoofd van George Costanza.
Ik schrok wakker van gebons op mijn deur. De display van de wekkerradio wees 6:05.
Waar is de tijd gebleven? dacht ik. Het leek alsof ik tien minuten geleden ingeslapen was. Naast de wekker stond een halflege fles wodka. Misschien had ik hem in mijn slaap omgestoten en weer rechtgezet. Er zat een schram op de huid van mijn rechterhand.
Ik kleedde mij snel aan en opende de deur. Het was Logan.
‘Ben je klaar?’ vroeg hij ongeduldig.
Ik plensde in de badkamer nog een handvol water in mijn gezicht en greep mijn schrijfblok.

Geïmplanteerd met een chip

Logan kwam vrijwel elk weekend naar Roswell om oom Teddy te bezoeken en UFO’s te spotten. Oom Teddy woonde nog pp-plaatje-3-steven-verhelststeeds in de buurt van Corona, waar zestig jaar geleden de UFO neergestort was.
‘Waarom is hij nooit verhuisd?’ vroeg ik toen Logan de Jeep bij het huis van oom Teddy parkeerde.
‘Hij denkt dat zijn buurjongen ooit nog terugkomt. Trouwens, het heeft geen zin om te vluchten. De aliens vinden hem toch wel. Ze hebben hem geïmplanteerd met een of andere chip.’
Logan ging me voor op het trapje naar de veranda en opende de voordeur.
Er hing een zurige lucht in het huis, alsof een stuk Roquefort een dag lang in de vensterbank had gestaan. Aan het plafond in de woonkamer hingen tientallen spots, die een fel licht verspreidden. Ik kneep mijn ogen toe om aan de lichtintensiteit te wennen.
Oom Teddy zag mijn reactie en zei: ‘Fel licht, daar houden ze niet van.’
Het vel in zijn hals hing slap. Al zijn vel leek te hangen. ‘Jij bent toch geen van hen?’ Hij lachte, en wees toen naar boven, naar de lampen. ‘Deze lampen,’ zei hij, ‘zijn aangesloten op een noodstroomgenerator. Want daar hebben ze een handje van, van het uitschakelen van stroom. Ze doen niets liever.’
De derde persoon meervoud was gereserveerd voor de aliens.
Logan bracht blikjes cola uit de keuken.
Oom Teddy greep naar de broekzak van zijn jeans en haalde een drietal stukjes metaal te voorschijn. Dit was de bron van alle technologische vooruitgang.
De metaalstukjes zagen eruit als overblijfselen van een geëxplodeerd colablikje.
‘In de jaren vijftig is er een Japanse toerist bij mij op bezoek geweest, die de meest geavanceerde scherf heeft gestolen.’
‘Echt?’
‘Natuurlijk! Dat verklaart toch waar al die Japanse technologie plotseling vandaan kwam! Ik heb tegen hen gezegd, toen ze me ontvoerden: “Jullie moeten in Japan zijn voor die scherf!” Maar ze bleven bij mij komen.’
Tegenwoordig vonden de ontvoeringen minder vaak plaats dan vroeger, want in de loop der jaren had oom Teddy zijn verdedigingsstrategieën geperfectioneerd. Lichamelijk verzet had geen zin, want ze verlamden je spieren, zodat je niet meer kon bewegen.
‘Ik ken een heleboel manieren om bezoek te voorkomen,’ zei oom Teddy.
Ik ook, dacht ik. Veel blauwe kazen eten zonder daarna je tanden te poetsen. Dan blijven op een gegeven moment zelfs de Jehova’s getuigen weg.
We zwegen even om cola te drinken. Daarna zei oom Teddy: ‘Je moet zout rond je bed strooien. Ze kunnen niet langs zout, net als slakken. En je moet een ventilator in je slaapkamer aanzetten, daar houden ze ook niet van. Wel aansluiten op een noodgenerator natuurlijk, anders is het zinloos.’
Toen Logan later die avond de Jeep ergens op een zandweg parkeerde, vroeg ik: ‘Denk je dat alles wat je oom zegt, waar is?’
pp-plaatje-4-steven-verhelstHij haalde zijn schouders op. ‘Ik geloof niet in dat zout.’
Logan had een statief tevoorschijn gehaald, waarop hij een grote fotocamera met gevoelige film monteerde.
Maar hij geloofde wel dat de metalen scherven afkomstig waren van een ruimteschip. Anders zou het leger er nooit zo veel werk van gemaakt hebben. ‘Jij bent toch wetenschapper? Jij gelooft toch ook dat buitenaards leven in principe mogelijk moet zijn?’
Ik knikte. Het heelal is zo groot, dat er waarschijnlijk genoeg aardse planeten zijn waar koolstofchemie kan plaatsvinden. Waar misschien ook replicerende systemen kunnen ontstaan. Of cellulair leven. ‘Maar bacteriën bouwen geen ruimteschepen,’ zei ik.
Logan zweeg.
‘En de ontvoeringen? Geloof je daarin?’
‘Er zullen vast mensen zijn die ze verzinnen,’ zei Logan. ‘Maar anderen worden ontvoerd zonder dat ze het weten. Sommige ontvoeringen zijn heel subtiel. Die uiten zich alleen in een angstgevoel, tijd die plotseling lijkt verdwenen, dromen met veel lichtflitsen, of onverklaarbare bloedvlekken in de lakens.’
Ik keek even naar de schram op mijn hand en dacht aan de tijd die vandaag zo snel verlopen was toen ik in een roes in slaap was gevallen.
We staarden naar de nachtelijke hemel en aten chips met barbecuesmaak, waarvan Logan twee zakken had meegenomen. De maan was slechts halfvol, maar verspreidde een spookachtig licht.
Plotseling zag ik een wit stipje aan de hemel, dat in een rechte lijn tussen de sterren door vloog. Ik stootte Logan aan en wees omhoog. ‘Pak je camera, ik zie iets.’
‘Waar?’ fluisterde Logan.
Ik wees omhoog, recht boven ons. ‘Het beweegt.’
Het was een wit lichtje, nauwelijks groter dan een ster. Ik had geen verstand van snelheidseenheden, boogminuten per seconde, booggraden per minuut – het kon me niet schelen. Het lichtje bewoog, sneller dan een vliegtuig. Dit had ik nog nooit gezien.
‘Nou?’ vroeg ik. ‘Dat is verdomme geen vliegtuig!’
Logan staarde naar de hemel.
‘Het beweegt,’ zei hij even later. Hij zwaaide met zijn hand in de lucht, alsof hij gedag wilde zeggen. ‘Misschien zien ze ons wel.’
Daarna begon hij hard te lachen. ‘Een slechter voorbereide UFO-spotter heb ik nog nooit gezien.’
‘Wat is het?’ vroeg ik.
Logan bleef lachen. ‘Een satelliet, een doodgewone satelliet. Er is niets buitenaards aan.’
Ik voelde me lullig. De rest van de nacht zei ik weinig meer, en at slechts af en toe een chipje.

Niet storen
Tijdens de ochtendschemering reden we weer naar Roswell. Ik vroeg Logan of hij ooit wel eens een UFO had gespot. Hij schudde zijn hoofd. ‘Sommige UFO-spotters wachten hun hele leven om er één te zien. UFO-spotten betekent vooral geduld hebben.’
Thuis had Logan twee hoge resolutie webcams die elke nacht aan stonden, maar het enige wat ooit was opgenomen, waren een paar bliksemschichten. ‘Het hoogtepunt van de UFO-bezoeken was in de jaren veertig en vijftig. Misschien vinden ze ons niet interessant meer en hebben ze andere planeten een hogere prioriteit gegeven.’
Toch bleef Logan doorgaan met UFO-spotten. Ooit zou hij er eentje fotograferen.
Terug bij het motel aten we elk nog een bagel met smeerkaas. Voordat ik mijn kamer sloot, hing ik het bordje ‘niet storen’ aan de deurkruk. Ik geloof niet dat het de aliens buiten houdt, maar het is honderd procent effectief tegen ongewenst bezoek van kamermeisjes.
Ik las een kwartiertje in de Hustler, keek nog een aflevering van Seinfeld en viel in slaap.

Dit artikel verscheen eerder in het juli-augustus 2008 nummer van Passionate Magazine.


Steven Verhelst (1976) is chemicus en schrijver. Hij leidt een onderzoeksgroep in chemische biologie aan de Katholieke Universiteit Leuven en het Leibniz Instituut voor Analytische Wetenschappen in Dortmund. Als co-auteur schreef hij onder de naam Yusef el Halal het boek Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken. In 2008 was hij een jaar lang ‘new journalist’ voor Passionate Magazine en schreef vanuit de Verenigde Staten stukken op de grens van fictie en journalistiek. Lees meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s