Kraaiennest

Kraaiennest

Wij wachten, wij vaders
wij rekenen onze arbeid af op ruitjespapier
wij verzinnen helden, wij daders
van mond tot mond herhalen wij de moed
van oude krijgers van papier en beton
van het hoofd en de benen.
Wij zetten ons recht.

Nieuwsgierig, want wij zijn nooit bang
verraden wij de zon in het donker.
Wij vertellen maar.
Wij halen geen streken uit
wij wikken het truweel
wij nemen bijlen op
halen bomen neer.

Wij kijken vooruit
wij wachten in de branding
op een teken van leven
we poken het noodvuur metershoog.
(Zij komt in een roeiboot
ze slaat met de spanen tot de laatste druppel
het water uit de zee.)

We lopen naar het land met goud en honing
we hebben geen idee van de monsters
die er wonen, ze maken ons niets meer wijs.
(Maar er is geen land, want zij nam de zee.)
We klimmen in het scheepswrak
schreeuwen
Land Ahoi!

Proefdruk

In de trein
valt de achtertuin op:
een man die een put graaft
een vrouw die de trap afloopt
een kind achter een bal
een paard dat staart.

In de trein
weg van je vaste stoel in je vaste huis
kijk je door het raam naar de lucht boven de daken
de man de vrouw het kind. Je denkt aan:
je tafel je wekker je tv, je vaste verveling
met chips en bier.

Je zoomt in
op een hand tegen het raam:
al wat je niet mag zeggen.
Het diafragma lijkt groot
maar in verhouding zie je niets meer
of minder dan de glimp waarin je

jezelf sluit.

Maakbaar

De moeder wil in een land wonen
waar niemand haar kent
waar ze achter gesloten deuren kan bloeden
waar niemand het wellen stelpt.
Ze wil tussen lucht verdwijnen
tussen barsten in de rots
weer naar haar middenaarde waren.

In het vuur glimt haar blote huid
waar dromen en demonen schuilen,
in de schaduw van haar zwetend hart
verschoont ze zich van achterklap.
Ze rolt een kei als een huis
voor de ingang
zet zich.

Ze wil in een land wonen zonder geluid
zonder muziek voor wonderkinderen.
Ze wil haar kind houden
in haar tweedelig hart.
Het licht achter haar ogen valt samen
met het geluid dicht van het doek.
Daarna valt ook dat stil.


Hoogdag

Dagen op jaren vergeten
niet om een reden
maar om het uitgelegde toeval

in boeken, met spijkers
in mensen, met goden
in een mierenhoop.

Dan zie je meer dan je ziet
je spreekt af met het bos
om later op het jaar weer langs te komen.

Je hoopt op een bijl
onder de kerstboom.


Steven Graauwmans woont en werkt in Brussel. In 2006 debuteerde hij met Uitzicht Lotto, uitg. Holland. Drie jaar later publiceerde het Poëziecentrum Reservisten van maandag. In 2012 verscheen zijn derde dichtbundel In een blauwe zon. Het manuscript Superbia ligt klaar voor publicatie. Verder verschijnen zijn gedichten in De Revisor en bloemlezingen als Dagkalender van de Poëzie (Meulenhoff, 2011) samengesteld door Tjitske Jansen en Victor Schiferli. Foto Ilse Mertens.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s