In bad

Ik schuif een bierviltje onder een poot van de tafel, bestel koffie en schrijf een gedicht over dat ik liefhebben noch dichten kan. Na geconstateerd te hebben dat vooral het tweede het geval is, kijk ik wat om me heen.
Laatst ging ik in bad. De kuip was groter dan ik op basis van de prijs van het hotel had verwacht. Ik rekte me helemaal uit, om me zo goed mogelijk te kunnen ontspannen. Het idee was dat ik hierdoor dichter bij mijn gevoelens voor R zou komen.
Ik neem een slok koffie.
Terwijl ik mijn lichaam ontspannen terug in het water liet glijden merkte ik een warme gloed op in mijn buik. Niet vanwege het warme water. Dit moesten ze wel zijn: gevoelens voor R. Dit was liefde, en dat betekende dat het niet allemaal voor niets was geweest. Ik wilde dat ik een foto kon maken van de warme gloed, die ik als bewijs zou kunnen gebruiken tijdens de wispelturigere buien die later vast en zeker terug zouden keren. In plaats daarvan schudde ik mijn eigen hand (met mijn andere eigen hand) om de belofte die ik mezelf maakte te benadrukken: ik ging R bellen.
De koffie is op. Ik betaal en loop naar de deur.
De deur gaat niet open.
Ik trek en duw, maar het ding geeft niet mee. Ik geef een flinke beuk, misschien zit ze klem, maar het helpt niets.
Ik klamp het meisje achter de kassa aan. ‘De deur gaat niet open.’
‘Dat klopt,’ zegt ze.
Ik frons.
‘Sorry meneer, ze zijn gesloten.’
‘Ze?’ vraag ik.
‘Kijkt u naar de deur, op het bordje staat toch “gesloten”?’
‘Maak je een grapje?’
‘U leest het daar toch zelf?’
‘Ja, maar dat bordje kun je omdraaien,’ zeg ik. Ben ik haar dit nu echt aan het uitleggen? ‘Van buiten zie je de andere kant. Wanneer jullie sluiten draaien jullie het bordje om en dan weten de mensen dat jullie dicht zijn.’
‘Welke mensen?’
‘De mensen op straat. Hou me niet voor de gek.’
‘Er zijn geen mensen op straat.’
Ik draai me om en kijk naar buiten.
‘Zie je?’ zegt ze. ‘Ze zijn gesloten. De wereld is gesloten.’
‘Wat?’
‘Sorry, ik heb het ook niet bedacht. Wilt u misschien nog een kop koffie?’
Ik kijk om me heen. Niemand lijkt ons gesprek te hebben gevolgd; de mensen zitten aan hun tafels te lunchen of koffie te drinken.
Tegen beter weten in loop ik nogmaals naar de deur. In de kier is een ijzeren pin te onderscheiden, maar ik zie nergens een sleutelgat.
Ik ga maar weer aan mijn tafel zitten, zonder nieuwe koffie. Doe een poging mijn mislukte gedicht te redden. Tevergeefs.
Hoe zou R reageren op zoiets? Aanvankelijk laconiek, denk ik. Net zoals die keer dat ik haar had gezegd dat ik maar aan haar bleef denken. Eerst liet ze niet zoveel merken. Later wel; ik heb weinig geslapen die nacht. Nu moet ik niet stoer doen, alsof we de hele nacht de liefde hebben bedreven… We neukten wel, maar dat was zo voorbij. Daarna noemde ze me haar schatje en toen ze me met te veel speeksel goedenacht zoende en zich omdraaide brak het zweet me uit. Dat het in bad lukte betekende niet dat het daarbuiten ook werken zou.
‘Goedemiddag,’ zegt een ober met een beleefde glimlach.
‘Goedemiddag.’
‘Wat mag het zijn?’
‘Ik ben bang dat ik gek word.’
‘Wat zegt u?’
‘Ik ben bang dat ik mijn verstand aan het verliezen ben.’
‘Had u misschien een kopje koffie gewild?’
‘Denkt u dat dat zou helpen?’
‘Ja,’ zegt hij. ‘Dat denk ik wel. Wat heeft u erin?’
‘Dat maakt nu niet zo veel uit, lijkt me.’
‘Nee, daar heeft u gelijk in.’
Ik kijk naar buiten. Ik wíl naar buiten.
‘Wat gebruikt u normaal?’ vraagt de ober.
‘Suiker en melk. Weet u dat de wereld gesloten is?’
‘Ik breng u zowel suiker als melk, hoe vindt u dat? Dan kunt u besluiten wat u neemt zodra u uw koffie heeft.’
Triomfantelijk bijna, hoe hij weer wegloopt.
Even ben ik weer alleen, omringd door mensen die maar blijven zitten, alsof er niets aan de hand is. Dan komt een serveerster de koffie brengen, met een kannetje melk en een schaaltje suikerklontjes. Misschien, denk ik, moet ik met haar in bad. Met R bedoel ik. En ons dan goed uitrekken. De serveerster zet de koffie, melk en suikerklontjes op tafel.
‘Hoe lang duurt het nog?’ vraag ik.
‘Sorry meneer, daarvoor moet u niet bij mij zijn. Misschien kunt u het buiten vragen.’
Ik zucht. ‘Bedankt.’
Ik schenk een wolkje melk in mijn koffie. Vervang een woord in mijn gedicht. Ik giet wat melk over het tafelkleed, om te kijken wat er gebeuren zal; wellicht gelden er vandaag andere wetten. Het meisje naast me vertelt haar buurvrouw over haar overleden neefje. Ik giet ook wat melk door de suikerklontjes.
Dan sta ik op en loop naar de caissière en eis dat de deur wordt geopend. Ik éis het.
Ze vraagt me om weer te gaan zitten; zij kan er ook niets aan doen.
Ik drink mijn koffie op en streep rustig, regel voor regel, mijn gedicht door. De middag sluipt richting de avond, een grijsaard valt verderop in slaap, de muziek is geleidelijk aan Frans geworden, mijn tweede koffie is op en buiten hangen donkere wolken bevroren boven een verlaten stad.
De verstreken tijd heeft me dorst gegeven. Ik zoek een ober.
Het meisje naast me heeft het nu over films in 3D. Met R naar de film, ook dat is een goed idee. Eerst in bad, dan naar de film. Maar hoe komen we überhaupt aan een bad, vooral één waarin men zich goed kan uitrekken? Ik heb geen bad. R ook niet, denk ik.
Een ober ziet mijn hand en komt op me af.
Ik vraag om een cola.
Hij zegt: ‘Sorry meneer, we gaan zo sluiten.’

Werner de Valk (1988), deels opgegroeid op Ameland, is zoon van twee dominees, die zelf ook weer domineeskinderen zijn. Van schrik studeerde hij psychologie en vervolgens hersenwetenschappen. Zijn scriptie ging over de relatie tussen levensverhalen en perceptie.  Ander werk van zijn hand verschijnt binnenkort in Op Ruwe Planken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s