PP header artikel Steven Verhelst

Op het spoor van Jason Brown

Los Alamos, New Mexico, is de plek waar in 1943 het zogenaamde Manhattan Project werd gestart. In het geheim verbleven duizenden, tienduizenden natuurkundigen, scheikundigen, ingenieurs, militairen, koks, schoonmakers, en hun familie, in een artificiële nederzetting in de woestijn met slechts één doel: het ontwikkelen van een nieuw type bom om binnen een paar seconden zo veel mogelijk mensen de dood in te jagen.

Het was een maandagmiddag in mei en het had me ruim drie uur gekost om van Roswell, waar ik op UFO jacht was geweest, naar Santa Fe te rijden, de enige grote stad in de buurt van Los Alamos. Ik reed nog steeds in de Chrysler 300 met verlaagde wielophanging die ik in Albuquerque gehuurd had.
‘Ze noemen het ook wel een baby Bentley,’ hoorde ik later van Jon, een van de weinige negers op Stanford.
In mijn motel in Santa Fe nam ik een korte douche, waarna ik weer in mijn auto sprong om naar Los Alamos National Laboratory te rijden.
Los Alamos National Laboratory is voortgekomen is uit het Manhattan Project en houdt zich onder andere bezig met onderzoek naar nanotechnologie en energiebronnen. Maar het speerpunt is nog altijd defensie, want het grootste deel van de financiering komt rechtstreeks van de regering.
‘Wat kost een toegangskaartje?’ vroeg ik aan de vrouw bij de ingang.
‘Niets. Het is gratis.’
Eervol werk, dacht ik, aan de kassa zitten van een museum dat gratis is.
Voordat ik verder kon lopen, drukte de vrouw me een plattegrond in handen. ‘Over een half uur begint er een voorstelling in de filmzaal, achterin het museum.’
Ik sloeg de film over en bezocht de defensietentoonstelling. Er stonden exacte replica’s van Little Boy en Fat Man, de atoombommen die op Hiroshima en Nagasaki gegooid zijn.
En daar, voor de replica’s, ontmoette ik Charles Jacobsen, een zesentachtigjarige veteraan. Tenminste, hij zei van zichzelf dat hij veteraan was. Maar het werd mij onduidelijk of hij daadwerkelijk soldaat in het leger geweest was of dat hij slechts als monteur of lasser gewerkt had.
Met behulp van een stok bewoog hij zich voetje voor voetje in de richting van Little Boy. De vrouw die bij hem was – ongetwijfeld zijn dochter – zei: ‘Ga nou in de rolstoel zitten! Ik loop niet voor niets met dat ding!’
Meneer Jacobsen wilde er niks van weten. ‘Ik ben een doorzetter. We waren allemaal doorzetters.’ Hij richtte zich tot mij. ‘Ik was een pikkie van negentien jaar, maar ik heb nog meegeholpen aan deze kleine jongen.’ Hij wees op de bom die voor ons in een vitrine lag. ‘Dankzij ons werd de oorlog beëindigd.’
Hier zit een verhaal in, dacht ik, en ik vroeg: ‘Mag ik u een kop koffie aanbieden?’
De man knikte.
Ik nam de rolstoel over van zijn dochter, ook al bijna bejaard. Meneer Jacobsen ging met een zucht zitten. Ik reed hem langzaam het museum uit, naar de kantine van het Laboratorium.
En ik had ongetwijfeld over de ervaringen van Charles Jacobsen geschreven als ik niet op het spoor van Jason Brown was gekomen.
Jason Brown was een échte oorlogsveteraan.
Drieëntwintig jaar en veteraan. Vers uit Irak.
Kapotgemaakt voor het leven.

Ik zag Brown voor het eerst in een kroeg aan Cerrillos Road in Santa Fe, niet ver van mijn motel. Een naamloze, anonieme bierdrinker, zoals eenzame cafébezoekers dat allemaal voor elkaar zijn. Hij zat op een kruk aan het eind van de toog, vlak bij de toiletten en dronk Tecate, een Mexicaans bier.
Zijn haar was kort, zijn sik lang en zwart, en op zijn gespierde armen schemerden flinke tatoeages. Een gast die je op een Slayer-concert zou kunnen tegenkomen.
Ook ik dronk Tecate, en at tamales met chili con carne. Onderweg van Los Alamos was ik een paar hamburgertenten tegengekomen, maar sinds ik de films Super Size Me en Fastfood Nation heb gezien, eet ik geen hamburgers meer.
Ik nam een laatste slok uit mijn flesje en zei tegen de kroegbaas: ‘Voor mij nog een Tecate.’ Ik wees naar het einde van de bar. ‘En doe hem er ook nog een.’
We kregen ons bier en ik keek naar de jongen met de tatoeages. Nog nooit heb ik iemand zo snel bier zien drinken. Hij zette het flesje aan zijn mond en zoog het in een paar seconden leeg. Toen sloeg hij de hals op de rand van de bar kapot en riep: ‘Naar de hel met iedereen. Ik wil met rust gelaten worden.’
Hij stond op en liep de bar uit zonder iemand aan te kijken.
De kroegbaas had een stoffer en blik onder de bar vandaan gehaald om de scherven op te vegen. ‘Trek je er maar niks van aan,’ zei hij. ‘Dat heeft hij wel vaker. Het is niks persoonlijks, hij is niet helemaal in orde.’
‘Wat is er dan met hem?’
‘PTSD.’
Post-traumatic stress disorder.
‘Het is een Irak-veteraan.’ De kroegbaas zette een tweede Tecate voor me neer. ‘Deze krijg je van mij.’
‘Enig idee waar hij heen gaat?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Hij rijdt meestal op de Route 66. ’
‘De Route 66?’ vroeg ik. ‘Is die hier in de buurt?’
De kroegbaas lachte. ‘Cerrillos Road is er deel van.’
‘Ik wil hem spreken,’ zei ik. ‘Ik ga hem achterna, over de Route 66, nu direct.’
‘Dat zou ik niet doen als ik jou was.’
Pas in mijn motel kwam ik erachter waarom. De Route 66 bestaat niet meer en is slechts af en toe aangegeven als historic Route 66. Sommige stukken zijn zand, zijn onverlicht, zijn gevaarlijk.
‘Vlak voor Santa Rosa is een kroeg waar veel motorrijders komen,’ zei de kroegbaas. ‘Daar kennen ze hem wel.’
‘En wat is zijn naam?’
‘Jason Brown.’

De volgende morgen nam ik een vroeg ontbijt en printte bij de receptie van mijn motel een routebeschrijving uit die ik op internet gevonden had.
Om tien uur ’s ochtends kwam ik bij Santa Rosa aan. Nog voordat ik het dorpje zelf binnenreed, zag ik een drietal motoren voor een kroeg staan.
‘Bingo.’
Ik nam de eerstvolgende straat rechts, parkeerde mijn auto in de zanderige berm en liep terug naar de kroeg. Ze mochten mijn Chrysler 300 niet zien. Dan riskeerde ik eerder een vuist tegen mijn neus dan dat ik nuttige informatie zou krijgen.
Ik bestelde een pint Sierra Nevada Pale Ale, die de barman zonder iets te zeggen voor me neerzette. Het was nog vroeg, en ik moest nog rijden, maar ik kon mezelf niet als een watje neerzetten. Bovendien nemen ze het in de Verenigde Staten niet zo nauw met drinken en rijden.
‘Druk geweest gisteravond?’
De barman knikte.
Ik nam een flinke teug en keek rond. Geen Jason Brown. Wel drie motorrijders, allen met een mat in hun nek waarop een ADO Den Haag supporter jaloers zou zijn. Ze waren een jaar of vijftig. Eén van hen had grijs haar, bijna wit.
Ik liep op hen toe. Twee dronken koffie, één van hen cola.
Dit zijn geen Hells Angels, dacht ik. Hells Angels drinken whisky, elk uur van de dag.
Meteen met de deur in huis vallen leek me de beste strategie, voordat ik nog meer tijd zou verliezen.
‘Kennen jullie Jason Brown?’ vroeg ik.
Niemand zei iets.
De man rechts van de grijze mat had een glazen oog, zag ik nu. Het leek alsof hij loensde. Zijn linkeroog bewoog niet en de pupil was gek klein voor deze donkere ruimte.
Ik nam een slok bier en herhaalde mijn vraag. ‘Kennen jullie Jason Brown?’
De grijze mat keek me argwanend aan en zei langzaam: ‘Ja, die kennen we wel.’
‘Maar we willen hem niet kennen, die teringlijer,’ vulde de éénoog aan.
‘Rustig,’ zei de man die met zijn rug naar me toe zat. ‘Ik zal het wel uitleggen.’
Hij schoof zijn stoel achteruit en draaide zich om. De helft van zijn gezicht was bedekt met een soort striemen die doorliepen tot in zijn nek. Oude brandwonden.
Het waren Vietnam-veteranen, naar de oorlog gestuurd toen de situatie al hopeloos was. Alle drie waren gewond geraakt. De grijze mat had een kunstbeen. Toen hij het pas had, stak of jeukte het nog wel eens waar vroeger zijn echte been had gezeten. Maar dat was in de loop der jaren overgegaan.
‘Die Brown beweerde dat hij liever gewond was geraakt zoals wij, dan dat hij met een trauma was teruggekomen uit Irak. Dat hij misschien meer begrip zou krijgen voor zijn gedrag als hij een been zou missen. Of een hand.’
‘Alsof wij geen trauma’s hebben,’ zei de éénoog. ‘Wij werden bespuugd toen we terugkwamen en uitgemaakt voor kindermoordenaars.’
‘En waar is hij nu?’
De oud-Vietnamstrijders hadden geen idee.
Jason Brown reed doelloos met zijn motor tussen het dorpje Riverton, Iowa, waar hij geboren was, en Los Angelos, het eind van Route 66. Af en toe bleef hij een paar dagen bij familie of vrienden, en dan sprong hij plotseling weer op zijn motor.
Ik dronk mijn glas leeg en stelde dezelfde vraag aan de barman.
‘Hij logeert vaak bij een neef van hem,’ antwoordde hij. ‘Dan zegt hij: ik ga naar Adrian. Maar dat is niet de naam van zijn neef, het is een van de eerste dorpjes als je Texas binnenrijdt.’
‘En wat is de naam van die neef?’
‘Brown.’

Adrian is zes straten lang en zes straten breed. Volgens het plaatsnaambordje wonen er 159 mensen. Het is precies op het midden van de Route 66. 1139 mijl naar Los Angelos, en 1139 mijl naar Chicago.
Ik parkeerde mijn Chrysler 300 op Elm Avenue en liep zigzaggend door de straten van Adrian, een blik op ieder naambordje werpend. Het moet er verdacht hebben uitgezien, maar liever op een verdachte manier aan informatie komen dan teleurgesteld naar Albuquerque terugrijden.
Het bleek makkelijk om het huis van Jasons neef te vinden. Zijn naam stond in grote letters op de brievenbus en hij zat samen met zijn vrouw in de voortuin te lunchen. ‘Is Jason er?’ vroeg ik.
Jasons neef schudde zijn hoofd. ‘Die is vanochtend vertrokken.’ Hij zweeg even. ‘Ik ben Matt,’ zei hij toen. Zijn vrouw heette Alicia.
Tijdens het ontbijt in mijn motel had ik in de krant gelezen dat bijna zeventig procent van de volwassenen in Texas aan overgewicht lijdt. Matt en Alicia Brown waren hier geen uitzondering op. Halverwege de twintig, en nu al een silhouet van een Barbapapa en hoofden die te klein leken voor hun lichaam.
Nog voordat ik kon zeggen wie ik was, vroeg Matt of ik mee wilde eten. Hun lunch bestond uit meatloaf, aardappelsalade, tortillachips met salsa, quasedillas, maïsbrood, koude kippenpootjes, en een kom met een paar slablaadjes.
‘Mijn vader is een broer van die van Jason,’ zei Matt, toen ik aangeschoven was. ‘Met Thanksgiving kwamen we altijd met de hele familie bij elkaar. Dertig, veertig mensen. In Texas, Iowa of Kentucky. Jason en ik waren even oud en konden het goed met elkaar vinden. En we hielden alletwee van motoren.’
Matt praatte in de verleden tijd. De echte Jason bestond niet meer, hij leek gefuseerd met iets wat langzaam bezit van hem had genomen. Niet met een vlieg zoals Jeff Goldblum in de horrorklassieker The Fly, maar met iets grimmigers, iets onzichtbaars.
‘Jason wilde iets doen met zijn leven, maar daarvoor moet je niet op het platteland in Iowa zijn. Daar gebeurt geen fuck.’
Een gemiddelde werknemer in Iowa verdient niet meer dan vierentwintigduizend dollar per jaar. Om iets van de wereld te zien, moet je het leger in. Het is de enige manier. Als je uit het leger komt, betalen ze de kosten om naar college te gaan.
‘Jason was zestien toen de aanslagen op het WTC plaatsvonden. Hij zat bij de kapper en bleef daar de rest van de dag tv kijken. Van knippen kwam niks meer. Hij heeft een week lang met dat kapsel rondgelopen. Links nog lang haar en rechts al kort.’
De aanslagen vormden het excuus om Iowa te verlaten en na zijn high school bij de mariniers te gaan.
‘Zijn vader had het moeten verbieden,’ zei Alicia. Ze ging naar binnen om het toetje te halen.
Matt zei: ‘Zijn pa was er geen voorstander van. Maar onze opa heeft in Korea gevochten, dus die vond het prachtig. “Zou jij ook niet gaan?” vroeg hij soms aan mij. Ik was niet fit genoeg. Maar nu vinden ze dat je beter af bent met een normale baan.’
‘Wat doet Jason voor werk, tegenwoordig?’
‘Niets. Helemaal niets.’
Jason kreeg een WAO-uitkering van vijfentwintighonderd dollar per maand. Meer dan een gemiddelde werknemer verdient.
‘Dus hij rijdt maar wat rond op zijn motor?’
Matt knikte. Hij leunde voorover en fluisterde: ‘Hij kijkt ook vrij veel porno. Hij heeft altijd een stapel van tien dvd’s bij zich. Alicia moet er niets van hebben. Ik zeg: hij gebruikt het maar als achtergrondgeluid. Hoewel hij natuurlijk af en toe op de logeerkamer zit te sjorren. Mij kan het eigenlijk niets schelen.’
‘Mij ook niet,’ zei ik. Ook ik kocht af en toe wel eens een Playboy of een Hustler. Motelkamers zijn eenzaam. Het enige vermaak bestaat uit een slechte kwaliteit televisie en het Nieuwe Testament in het nachtkastje.
‘En hij drinkt behoorlijk.’
‘Het is geen drinken wat hij doet,’ zei Alicia, die met een schotel brownies de tuin weer in kwam lopen. ‘Het is zuipen. Coma-drinken.’
‘Jij bent niks gewend,’ zei Matt.
‘Het is coma-drinken. Let op mijn woorden: vroeg of laat belandt hij in een coma.’
Matt schudde zijn hoofd. We aten zwijgend van de brownies.
Toen we klaar waren met de lunch, zei ik: ‘Ik moet hem inhalen. Dan kan ik hem zelf spreken.’
Volgens Matt kon van inhalen geen sprake zijn. Daar reed Jason te snel voor. ‘Maar waarschijnlijk vind je hem bij zijn high school vriend Daniël, de enige bij wie hij zich echt op zijn gemak voelt.’

De volgende dag kwam ik aan in Omaha, Nebraska. Ik was eindelijk op een betrouwbaar spoor beland. Matt had me het adres van Daniël gegeven. ‘Zeg maar dat je een vriend van mij bent, dan laat hij je wel binnen.’
Daniël woonde in een zalmroze geschilderd huis aan de rand van Omaha.
‘Het is een goede buurt om te wonen,’ zei Daniël.
Beter een lelijk huis in een goede buurt, dan een prachtige villa midden in de getto.
Ik zei dat ik een vriend was van Matt en vroeg of Jason er was.
Daniël bracht me naar de woonkamer. ‘Hij is even boven, op de logeerkamer. Hij zal straks wel naar beneden komen.’
Ik dacht aan de dvd’s en knikte. ‘Ik begrijp het.’
Intussen vertelde Daniël over Jason. Toen Jason na driekwart jaar terugkwam uit Irak, leek hij paranoïde geworden. Hij kon alleen slapen met een pistool onder zijn kussen. Als hij al sliep. Soms bleef hij dagenlang wakker. Dan staarde hij wat voor zich uit, whisky drinkend, met pornogeluiden op de achtergrond.
‘Wat is er gebeurd, daar in Irak?’
‘Zoveel. Hij heeft iemand van een afstand uit elkaar zien springen, een zelfmoordterrorist. Boem. Toen ze gingen kijken, vonden ze niets, alleen een paar enorme bloedvlekken. Maar die konden ook van omstanders zijn.’
Nu legde hij onmogelijke afstanden af op zijn motor. Soms reed hij dag en nacht door, en stopte alleen om te drinken of porno te kijken.
‘Jason was chauffeur van een legertruck. De konvooien mochten nergens voor stoppen, anders zouden ze een te makkelijk doelwit zijn. Hij heeft honden overreden, spelende kinderen. “Denk maar alsof het een papieren zak was, waar je overheen reed,” zei zijn meerdere.’
Daniël ging naar de keuken en haalde twee blikjes cola.
‘Hij haat mensen die zeggen: “Je krijgt toch een uitkering? Waar zeur je nog over?” Tegen mij zei hij: “Ik wil die uitkering dubbel terugbetalen, als ze mij de rust in mijn kop teruggeven.”’
We dronken van de cola.
Jason had een vriendin met wie hij zou gaan trouwen. Maar een paar weken nadat hij terug uit Irak was, werd de verloving verbroken. ‘Ze begreep gewoon niet wat hij had meegemaakt. Misschien begrijpt niemand dat wel.’
Daniël zweeg even.
‘Hij heeft geen doel meer in het leven, behalve te vergeten.’
Er klonk gestommel op de trap. Jason was klaar met zijn dvd, maar in plaats van de woonkamer in te komen, verliet hij door de buitendeur het huis. Ik zag nog net een schim van hem over het tuinpad lopen. Hij sprong op zijn motor die voor het huis geparkeerd stond en scheurde weg.
‘Die komt wel weer terug,’ zei Daniël. ‘Hij gaat wel vaker een eindje rijden. En daarna naar Billy Frogg’s.’
Billy Frogg’s was een bar.
De rest van de dag wachtte ik bij Daniël thuis. Ik had geen boek bij me, dus ik moest het met de lokale krant doen en de Sports Illustrated. Om Jasons dvd’s durfde ik niet te vragen.
Om elf uur ’s avonds was Jason nog niet terug. Die was natuurlijk nog aan het drinken. Van Daniël mocht ik op de bank in de woonkamer blijven slapen. Dan kon ik horen wanneer Jason vannacht terugkwam.

Maar Jason kwam niet terug.
Vroeg in de ochtend ging de telefoon. Toen Daniël de hoorn op de haak legde, zei hij: ‘Ik moet weg, naar het ziekenhuis. Jason heeft zich te pletter gereden.’
Hij kleedde zich snel aan en greep zijn autosleutels.
‘Tja,’ zei ik. ‘Dan ga ik maar.’
Daniël knikte. ‘Neem nog maar een ontbijt,’ zei hij. ‘Kun je de deur in het slot trekken als je weggaat?’
We namen afscheid met een korte, troostende omhelzing.
In de keuken at ik een bord cornflakes en dacht aan Korea, Vietnam, Koeweit, Somalië, de Balkan, Afghanistan, Irak. Hoeveel Jasons waren er al geweest? En hoeveel zouden er nog volgen?
Ik wist niet eens of Jason met zijn dronken kop tegen een boom was gereden, of dat hij zelfmoord had gepleegd. Eigenlijk maakte het geen verschil. Alleen als hij in Irak was gesneuveld, had hij het predikaat held gekregen. Nu was hij iemand aan wie geen maandelijkse compensatie meer betaald moest worden.
Na het ontbijt pakte ik mijn spullen bij elkaar, stapte in mijn Chrysler 300 en begon de lange terugtocht naar Albuquerque.


Steven Verhelst (1976) is chemicus en schrijver. Hij leidt een onderzoeksgroep in chemische biologie aan de Katholieke Universiteit Leuven en het Leibniz Instituut voor Analytische Wetenschappen in Dortmund. Als co-auteur schreef hij onder de naam Yusef el Halal het boek Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken. In 2008 was hij een jaar lang ‘new journalist’ voor Passionate Magazine en schreef vanuit de Verenigde Staten stukken op de grens van fictie en journalistiek.

Dit artikel verscheen eerder in het nov-dec 2008 nummer van Passionate Magazine.

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s