‘Komt dat schôôôt’

Eind maart overleed de legendarische voetbalcommentator Hugo Walker, bekend van klassieke uitspraken als ‘Komt dat schôôôt!’, ‘Gaat zo’n bal erin is het een goal’, ‘Goed schot, dito redding’ en ‘Dan houden we er hier mee op in Waalwijk.’
Hugo Walker was een wel heel markante verslaggever, maar voetbalverslaggevers kenmerken zich toch al door bijzonder taalgebruik. Wij duiken in ons archief voor het artikel dat Martin Dekker schreef voor de voetbalspecial die Passionate Magazine maakte in aanloop naar het Europese Kampioenschap voetval in 2000. Erg veel blijkt er niet veranderd sindsdien. ‘Doelpunt… een doelpunt van Inia, denk ik, die invaller.’


‘Komt dat schôôôt’

Het kromme taaltje van de voetbalverslaggever

EURO 2000: een maand lang voetbal op tv. 31 wedstrijden, bijna vijftig uur. Dus ook bijna vijftig uur live voetbalcommentaar op televisie. Volop gelegenheid dus voor ergernis. Ergernis bij de voetballiefhebber over het gebrek aan deskundigheid – elke bankzitter thuis ziet en weet het immers allemaal veel beter. De ingezonden brieven in Voetbal International zijn daarvan straks weer de bewijzen.
Vreemd genoeg hoor of lees je nooit commentaar van taalpuristen. Als die nog bestaan, hebben ze het moede hoofd in de schoot geworpen, bang om voor ouderwets te worden versleten. Toch hebben zij veel meer reden tot klagen. De voetbalverslaggeving op tv getuigt beslist niet van verzorgd taalgebruik, en dan maakt het niet uit of de commentator in dienst is bij de respectabele NOS of één van de blote borstenzenders. Ruwweg geschat is het aantal volledige en correcte zinnen minder dan één procent. Er wordt meer weggelaten dan gezegd en de boventoon voeren rare zinsconstructies.
schot1Het kromme taaltje wordt de verslaggever vergeven – ook door de taalgevoelige kijker. De verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat de voetballiefhebber zó opgaat in het spel dat het hem niet opvalt. Maar niet elke kijker heeft een voetbalhart en ook de fanatiekste supporter kan niet ontkennen dat veel wedstrijden het aanzien niet waard zijn. Spanningsinflatie die het gevolg is van de overdaad aan voetbal op tv.
De verklaring moet gezocht worden in de functionaliteit van wat René Appel in 1989 in Onze Taal het ‘tv-voetbalverslaggeversregister’ noemde. Een register is in de taalkunde een niveau of stijl van taalgebruik dat past bij specifieke situaties. Dat is het geval bij het commentaar bij voetbalwedstrijden op televisie. Dat er sprake is van een standaard blijkt uit het feit dat de kijkers geen problemen hebben met het volgen van het verslag. Jargonwoorden en bizarre zinsconstructies nemen ze voor zoete koek. Sterker nog: zelf hanteren ze ook het register als ze onderling over een wedstrijd praten. En Hugo ‘komt dat schôôôt’ Walker heeft door zijn persoonlijke invulling van het register zelfs een eigen fanclub.

Per woord betaald
De veelvoorkomende specifieke voetbalwoorden en -uitdrukkingen (‘een-tweetje’, ‘afvallende bal’) buiten beschouwing gelaten is het vooral de zinsopbouw die opvalt. Daarin zijn twee principes prominent aanwezig: weglating van woorden en vooropplaatsing van woord(groep)en.
Theo Reitsma, algemeen beschouwd als de deskundigste in het metier, en zijn collega’s zijn voortdurend bezig met het opstellen van telegrammen: ‘Heesakkers, overtreding De Marchi, gele kaart’, ‘Heinze, Bouma, schot… Tweede goal van Bouma.’ Soms is het niet meer dan een opsomming van namen, als de bal van speler naar speler gaat: ‘Tomasson, Van Gastel, Paauwe… terecht krom… De Visser.’
schot2.jpgDe commentatoren zijn zuinig met woorden, alsof ze net als bij een telegram per gebruikt woord moeten afrekenen. Alleen de essentiële informatie staan ze af. Werkwoorden, lidwoorden, voorzetsels, persoonlijk voornaamwoorden; als het even kan moeten ze het veld ruimen.
Daarmee worden twee vliegen in één klap gevangen. Ten eerste ontstaat een sneller verslag. Op spannende momenten kan de verslaggever het spel nog redelijk volgen – iets wat met ‘normaal taalgebruik’ onmogelijk zou zijn. Door zich te beperken tot inhoudswoorden lukt dat wel. Tegelijkertijd probeert de verslaggever door de telegramstijl waarschijnlijk het tempo en de dynamiek van de wedstrijd te vertalen. De invloed van de Tachtigers laat zich nog steeds gelden: vorm en inhoud zijn één.
Bij snelle balwisselingen volgen de spelersnamen en hun handelingen elkaar ook sneller op. Wordt de bal rustig achterin rond gespeeld, dan zijn er meer pauzes en kan het in de ogen van de verslaggever ook geen kwaad zo nu en dan iemand over te slaan die de bal plichtmatig doortikt.
Verkorting komt ook voor in uitdrukkingen en woorden. In plaats van ‘met de buitenkant van de rechtervoet’ is het ‘buitenkant rechts’; ‘het zestienmetergebied’ is kortweg ‘de zestien’.

Ongeschreven afspraak
Volgens Appel is tijdgebrek voor het uitdrukken van de snel opeenvolgende gebeurtenissen op het veld niet de werkelijke reden voor de telegramstijl van de verslaggevers. Hij houdt het in zijn in 1990 verschenen boek Voetbaltaal op effectbejag: ‘(…) een poging om zelf ook dynamisch en snel te lijken, en de spanning van de wedstrijd in het taalgebruik weer te geven’.
Zijn eerste argument is dat de commentatoren ook bij dode spelmomenten ‘kortaf’ zijn, als het tenminste gaat om wat met de bal gebeurt: ‘inworp Feyenoord’, ‘vrije trap Nederland’.
Volgens mij is de zuinige stijl, die noodzakelijk is om de snelle gebeurtenissen in woord te kunnen bijbenen, in feite standaard geworden voor alles wat met het spel op zich te maken heeft. Gaat het om de voetbalhandelingen, dan houden we het kort, zo lijkt de ongeschreven afspraak onder voetbalcommentatoren te luiden.
schot3.jpgDaarmee komen we bij het tweede argument van Appel: ‘(…) de uitgebreide, niet relevante beschouwingen of zijdelingse commentaren in de sfeer van “human interest” waar sommige verslaggevers de kijkers op menen te moeten vergasten’. Als voorbeeld geeft hij: ‘Klinsmann, die bakkerszoon, die met zijn kevertje door de straten van Stuttgart tuft, een heel aparte jongen is dat, die met zijn rugzak op vakantie door Canada en Amerika trekt.’ ‘Bedenk wel dat ondertussen de wedstrijd gewoon doorgaat,’ aldus Appel. ‘Het is de verslaggever er dus niet altijd om te doen het spel op de voet te volgen.’
Daarmee slaat hij de spijker op z’n kop. Als het spel gedurende een wat langere periode oninteressant is, er zich geen doelgerichte acties voordoen en er geen duels op het scherp van de snede worden uitgevochten, schakelt de verslaggever over naar een ander niveau – overigens binnen hetzelfde register.
Nog steeds worden de meeste zinnen niet afgemaakt, maar dat is bijna altijd het geval bij spreektaal. Van weglating en verkorting is evenwel opeens geen sprake meer, laat staan van de eerdere zuinigheid. De beelden zijn oninteressant, zo lijkt hij zich te realiseren, en dus heeft hij de neiging de kijker extra informatie te bieden; nu gaat hij zelf de toeschouwer maar vermaken.
Vandaar ook dat de momenten in de wedstrijd waarop er weinig noemenswaardigs gebeurt, zich bij uitstek lenen voor een analyse van het spel, de krachtsverhoudingen en de kansen van de beide teams. Ook dat gebeurt in heuse, maar nog altijd niet afgemaakte zinnen. Hetzelfde gebeurt bij herhalingen (of het nu om kansen, doelpunten of overtredingen gaat); ook dan schakelt de verslaggever automatisch over van telegramstijl naar echte zinnen. Er bestaan dus twee niveaus binnen het tv-voetbalverslaggeversregister: één voor het voetbal zelf en één voor de ‘randverschijnselen’.

Slaaf van het beeld
Na weglating is vooropplaatsing van woord(groep)en een tweede opvallend kenmerk van de verslaggeverstaal. ‘Doelpunt… een doelpunt van Inia, denk ik, die invaller,’ ‘is het balbezit voor Van der Sar’ en ‘getorpedeerd, en ten koste van een gele kaart getorpedeerd… Van Halst,’ zijn daar voorbeelden van.
Die vooropplaatsing heeft alles te maken met importantie. Achtereenvolgens vormen in de voorbeelden het doelpunt, het balbezit en de torpedering de essentie van wat er op het veld gebeurt. Dat verslaat de commentator eerst, met daaropvolgend de verantwoordelijke speler, de gevolgen, en ten slotte eventueel nog extra informatie.
Een veel voorkomende vorm van vooropplaatsing is die waarbij de verslaggever de naam van een speler noemt, waarop meteen een bijvoeglijke bepaling, een actie of een gebeurtenis volgt. Het gaat om constructies als: ‘Laudrup, bij hem beginnen de meeste aanvallen,’ ‘Cruz, als je je wilt bewijzen moet het in een wedstrijd als deze,’ en ‘Van Gastel, die zelf de vrije trap gaat nemen.’
Het veelvuldig voorkomen van dergelijke zinsconstructies, met vooropplaatsing van een spelersnaam, is het logische gevolg van de hoofdactiviteit van de voetbalverslaggever: het plaatsen van gesproken onderschriften bij de beelden die wij in de huiskamer voorgeschoteld krijgen en die hijzelf in het stadion meestal ook maar gewoon op zijn monitor zit te bekijken. Het grootste deel van de wedstrijd is hij de slaaf van het beeld en kan hij niet meer doen dan opnoemen wat hij en wij zien.

Het beeld domineert
schot4Wat dat betreft heeft de radioverslaggever het eenvoudiger en moeilijker tegelijk. Eenvoudiger doordat de luisteraars de beelden moeten missen en dus niet hun eigen conclusies kunnen trekken. Er kraait geen haan naar als Jack van Gelder een gemiste kans een verkeerde speler in de schoenen schuift. Of als de radiocommentator naar adem snakt in een poging het ‘spektakel’ te verslaan, terwijl het in werkelijkheid saaiheid troef is. De aan de radio gekluisterde liefhebber die zich voor zijn kop slaat dat hij geen kaartje heeft weten te bemachtigen, kijkt raar op als hij de volgende dag een collega spreekt die wél getuige was van de ‘historische’ wedstrijd. Die blijkt al een half uur voor het einde naar de kroeg gesjokt om de nare smaak van de slaapverwekkende pot met een paar stevige pinten weg te spoelen.
De taak van de radioverslaggever is moeilijker omdat hij de luisteraars zo moet informeren dat zij de wedstrijd voor zich zien. Dat resulteert logischerwijze in een beeldender taalgebruik, terwijl ook het volume en de toonhoogte van de stem een belangrijke rol spelen. De variatie is in elk geval vele malen groter dan op tv. Ook geeft de radioverslaggever voortdurend aanduidingen waar het spel zich op het veld afspeelt – informatie waar de televisiekijker niet op zit te wachten; die ziet met eigen ogen wel dat de bal de middenlijn passeert.
Opmerkelijk is dat radioverslaggevers in tegenstelling tot hun collega’s bij de televisie wél overwegend echte, en redelijk normale, zinnen gebruiken. Oók voor de beschrijving van het spel. Waarom zij dat wel doen? Ze zijn als de dood om stiltes te laten vallen; de luisteraar blijft dan in het ongewisse van wat er gebeurt. Denkt misschien zelfs wel dat de verbinding is verbroken. Stiltes zijn absoluut taboe op de radio.
Dit in tegenstelling tot op televisie. Daar domineert het beeld en de verslaggever heeft zich er maar aan te onderwerpen. Doet hij dat niet, dan gaat het geluid uit en blijft de radio uit. We zorgen zelf wel voor ons commentaar. Wie verstuurt er nu tegenwoordig nog telegrammen?


Geraadpleegde literatuur:
René Appel: ‘Van Aerle kan.’ Taalgebruik van voetbalverslaggevers. In: Onze Taal, november 1989.
René Appel: Voetbaltaal. ‘s-Gravenhage 1990, SDU.

Dit artikel verscheen eerder in het mei-juni 2000 nummer van Passionate Magazine.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s