BramEsserNYImageURL

De waarheid – In de voetsporen van Grunberg in New York

Ik laat dit verhaal beginnen op Mulberrystreet. Dat is strikt genomen een nogal willekeurig begin want ik had net zo goed bij Hotel Pennsylvania kunnen starten, op Madison Avenue, of op de 76ste straat aan de oostkant van Manhattan. Dat had gekund en een ander startpunt had waarschijnlijk ook een ander verhaal opgeleverd.

Maar voor de waarheid maakt het niet uit, die blijft hetzelfde; waar ik ook begin, ik ben er al geweest of zal er spoedig wederkeren. Behalve misschien op de 76ste  straat, waar zich tussen de eerste en de tweede avenue nagelstudio Ruzica de Falica bevindt. Daar heb ik nog maar kort geleden mijn nagels laten doen door een Oekraïense dame. Tijdens de behandeling sloeg de Oekraïense, die zich had voorgesteld als Ala zonder ‘h’, voortdurend op mijn polsen ten teken dat ik moest ontspannen. ‘Het is mijn eerste keer,’ fluisterde ik verontschuldigend. Hierop glimlachte ze en doopte mijn vingers in een elektrisch verwarmd bakje met roze modder. Een manicure vergt totale overgave. Toen ze bijna klaar was, vroeg Ala of ik mijn nagels gelakt wilde hebben. Hiermee ging ik akkoord. Wie de waarheid wil vinden zal concessies moeten doen.

Nu loop ik met glimmende nagels over Mulberry Street, waar de Italianen zich met hun driekleur, hun flair, en lekkere hapjes proberen te verdedigen tegen de oprukkende Chinezen. Die zijn echter allang de ‘natuurlijke grens’ van Canal Street overgestoken en verkopen ook na het ‘Welcome in Little Italy’-spandoek hun zonnebrillen en namaak-parfum. Over de stoep waait een mierzoete lucht. Ik ben op weg naar Café Roma waar ik nog geen twee weken geleden met Dichtertje heb gezeten. Ik ga terug om de zaak nog eens in een ander licht te bezien. Toen was het donker geweest. Er zouden zich nu, op klaarlichte dag, nog wel eens onverwachte details kunnen aandienen. Dingen die ik de vorige keer over het hoofd heb gezien. Met Dichtertje had ik afgesproken omdat ik afleiding zocht en impliciet naar zijn advies verlangde. Ik kende Dichtertje nog uit Groningen waar hij voor twee jaar als Spaanse uitwisselingsstudent had gestudeerd. Om in leven te blijven, werkte hij als verzamelaar van mensenhaar voor een laboratorium. Hij moest bij de kappers in de stad langs om het geknipte haar op te halen om het dan later van het afval te scheiden. Het laboratorium waarvoor hij werkte gebruikte het haar om onderzoek te doen naar allergieën. Zijn eerste Nederlandse zin was: ‘Ik kom voor de zak met haar.’ In Café Roma spraken we over Madrid en het in absinth gedrenkte nachtleven dat hij er tot voor kort op na hield. Sinds zijn komst naar Amerika is hij serieuzer geworden.

‘Prachtig café is dit, hoe heb je het ontdekt?’

‘Arnon Grunberg heeft hier ooit zijn linkerschoen verloren.’ Dichtertje las nooit iets wat ik hem aanraadde, of wat iemand anders hem aanraadde, dat lag niet in zijn aard.

‘Tja,’ verzuchtte hij. In plaats van door te vragen naar de details van de verdwijning wijdde hij uit over de relatie tussen mensen en de dingen en hoe ze elkaar voortdurend dreigen te ontglippen. Hij bedoelde dat ontglippen in metafysische zin, een ontglippen aan de taal. ‘We hebben moeite de dingen bij ons te houden omdat we ze niet goed meer weten te benoemen.’ Dichtertje was van mening dat het aan de dichtkunst was om het gat dat tussen de dingen en de mensen was ontstaan weer te dichten. Ooit, tijdens een Madrileense nacht, waarvan er zo veel waren geweest, maar die hij nu had afgezworen, had Dichtertje een schoen gevonden. Een hoog gehakte damesschoen, midden op de stoep, die kort daarop werd gevolgd door het tweede exemplaar. Net toen Dichtertje zich afvroeg of een vrouw op de vlucht haar hakken had afgeworpen, vond hij ook nog een stel kousen, een paarse rok, een slipje en een getailleerde witte blouse.

‘Alles lag verspreid over een afstand van vijfhonderd meter.’

‘En de eigenaresse?’

‘Daarvan was geen spoor, simpelweg opgelost in het niets.’

Aangekomen in het honderd jaar oude Café Roma ga ik aan een tafeltje zitten en bestudeer nauwkeurig de ruimte om mij heen. De stoelen in dit café zijn van verchroomd draadstaal en de tafels van formica met een marmermotiefje. Ik moet er wat gespannen hebben uitgezien, want de serveerster die mijn bestelling komt opnemen, vraagt bezorgd of alles oké is. ‘Alles oké,’ zeg ik en bestel een dubbele espresso. Ter ontspanning observeer ik de gebaksvitrine. Amandelkoekjes, met room gevulde rollen en in alcohol gedrenkte sponzen, liggen er te baden in het knalharde tl-licht. Het is een zeer sympathieke gebaksvitrine, maar ik besef dat hier voor mij niets meer te halen valt. Ik drink mijn koffie op en loop naar buiten. De straat met daarin door het zonlicht uitgestantste objecten zoals vuilcontainers, bomen en wandelaars, doet me op een vreemde manier weer aan de gebaksvitrine denken. De beelden overlappen elkaar en ik word overvallen door een vreemd gevoel van melancholie. Het gevoel van verlies. De herinnering aan een verleden dat niet het mijne is.
grunberg1Het weer is omgeslagen, zoals het deze zomer voortdurend omslaat. Voorbij Prince Street laten de bomen op Mulberry hun bladeren reeds vallen. Tegen de tijd dat ik Washington Square Park betreed is het flink aan het waaien en moet ik met één hand mijn kraag dichtknijpen, tegen de kou. Er komt een gedachte bij me op. Een belachelijke gedachte, maar ik kan hem niet weerstaan. De verschillende wijken op Manhattan beschikken allemaal over een ander weertype. Bij Café Roma schijnt de zon, dat weet ik zeker, ik ben er net geweest, maar hier op Washington Square lijkt het wel winter. Dat is misschien de reden dat het nooit wat zal worden met deze wandeling. De punten die ik op de kaart heb gezet, de punten die corresponderen met het boek, behoren tot verschillende klimatologische zones. Elke plek heeft zijn eigen verhaal. En de thematische wandeling, de bril waardoor wij kijken, lijkt er niet tegenop te kunnen. De plekken zijn te sterk, of misschien ben ik wel te zwak, of te gevoelig voor de omgeving. In ieder geval ben ik niet modern genoeg, te weinig een man van de grote gebaren. Onder de Arc de Triomphe schuil ik voor de regen. En als vanzelf denk ik weer aan Dichtertje. Dat doe ik wel vaker, als ik even niets om handen heb, dan zoek ik hem op. Ook Dichtertje is hier geweest, in Washington Square Park, om het hotel te zoeken waar de Spaanse dichter Juan Ramón Jiménez begin twintigste eeuw een tijdje heeft gewoond. Hij nam aan de andere kant van het plein altijd de omnibus. Dichtertje was net als ik bezig met waarheidsvinding. Het is hem niet gelukt want het hotel is naar alle waarschijnlijkheid al sinds mensenheugenis gesloopt, een ander gebouw heeft haar plaats ingenomen. Ook de omnibus rijdt allang niet meer.

Vanwege de regen en vanwege een lunchafspraak in restaurant Beppe op de 22ste Straat besluit ik op Astor Place de metro te nemen. Beppe is één van de favoriete restaurants van de schrijver wiens stappen ik probeer te volgen. Plekken bestaan alleen in het gebruik dat mensen ervan maken, het heeft dan ook weinig zin een restaurant te bezoeken alsof het om een museum gaat. Bovendien is het niet mijn stijl, ik benader mijn onderwerp altijd terloops, nooit direct en frontaal, dan heb je kans dat de essentie ontglipt en heb je alleen een beeld gevangen. In Beppe heb ik daarom afgesproken met Kipton Davis, een substantiële vrouw en veel meer dan een beeld alleen. Omdat ik te vroeg ben, neem ik plaats aan de bar waar een Argentijnse barman een gesprek met mij aanknoopt. Als hij hoort dat ik uit Nederland kom begint hij uitvoerig te vertellen over de Nederlandse korfbaltraditie. Ik weet niets over korfbal, maar de Argentijn overspoelt me met wetenswaardigheden. ‘Ik heb een fascinatie voor alle mogelijke sporten. Als ik iets oppik dan wil ik er ook alles over weten.’ Net als ik wil vragen hoe het nog is afgelopen met het waterleidingprobleem, iets dat ik was tegengekomen tijdens mijn research, stapt mijn afspraak binnen. Kipton Davis is een vrouw die je niet gauw kan negeren, overal waar ze komt, eist ze alle aandacht op. In haar zwarte flodderjurk is ze nog groter en omvangrijker dan ik mij herinnerde, maar de eerste en enige keer dat ik haar ontmoette, had ze vooral gezeten. Dat was in de zomer van 2006 geweest aan boord van een Swiss Air toestel dat van Zürich naar New York vloog. Het vliegtuig was afgeladen met orthodoxe joden. Terwijl ik tussen de kinderrijke families op zoek ging naar mijn plaats zag ik haar in de verte al zitten. Ze was groot en wit. Haar hoofd was eigenlijk iets te klein voor haar lichaam en het lichaam iets te groot voor de stoel waarop ze zat. Ze was binnensmonds aan het vloeken, zag ik. Toen ik ging zitten zei ze: ‘Ik vlieg nooit meer economy class.’ Dit was Kipton Davis, makelaar in New York. Ik had weinig ervaring met dit type vrouwen, maar werd wel direct getroffen door haar overweldigende persoonlijkheid. Ze vertelde dat haar werk soms bijna te vergelijken was met dat van een therapeut want naast advies over vastgoed verleende ze vooral emotionele begeleiding. Ze hielp cliënten bij de oversteek van huren naar kopen. Dat was een magische grens, een emotionele evenaar, waar een moederfiguur als kapitein Davis onontbeerlijk is. Nooit zal het bedrijf groter worden dan het nu is. Als je kapitein Davis zag dan zag je de volle omvang van een makelaarskantoor.

Ze herkent me direct, wat me verbaast. We hebben weliswaar naast elkaar in het vliegtuig gezeten en samen een doos bonbons opgegeten, maar is een doos bonbons voldoende om iemands gezicht nooit meer te vergeten? Blijkbaar. Ik was haar ten slotte ook niet vergeten. ‘Als je makelaar bent,’ legt kapitein Davis uit, ‘heb je een goed geheugen nodig, het onthouden van persoonlijke details is van levensbelang.’ Ik begrijp wat ze bedoelt. Ik vertel haar over mijn eigen werk en hoe cruciaal details zijn bij waarheidsvinding. ‘Het grote verhaal hoeft dan niet eens te kloppen, je kunt ook brokstukjes verzamelen en die in een schoenendoos stoppen, dat kan ook een waarheid zijn. De waarheid van een schoenendoos.’ Kapitein Davis knikt afwezig en gaat er niet op in. Ik vind dat ze er wat vermoeid uitziet en besluit het onderwerp waarheidsvinding, dat ik zelf ook moeilijk kan uitleggen, te laten rusten. Het onderwerp verschuift naar hetgeen voor onze neus op tafel staat. Het voedsel. We hebben gekozen voor een voorgerecht met verschillende soorten vis. Ze vertelt me dat ze veel buiten de deur luncht, ook in deze buurt, maar dit restaurant kende ze nog niet. ‘Ik heb het bij toeval gevonden,’ zeg ik tegen haar.

‘Er is hier een tijdje terug sprake geweest van een watertekort. Arnon Grunberg schreef erover op zijn weblog.’

’Is dat een loodgieter?’ wilde kapitein Davis weten.

‘Een Nederlandse schrijver die al vijftien jaar in New York woont. Hij heeft een weblog.’

‘Wie niet?’ zegt ze en ze begint te vertellen over de crisis, over hoe het in de lucht had gehangen en door de metrotunnels gierde. ‘In de trein hoorde je mensen over niets anders praten, ze hadden het er met elkaar over of riepen het in hun mobiele telefoons.’ Volgens Kapitein Davis hebben we het ergste gehad, zij had althans de week ervoor haar eerste appartement van boven de half miljoen dollar alweer verkocht. Dat was erg lang niet gebeurd. Als ik naar de kapitein luister, voel ik een sterke behoefte opkomen nog enige tijd in haar gezelschap te verblijven. De gedachte komt bij me op dat ze me misschien wel wil adopteren of op z’n minst een nacht in huis zou willen nemen. Ik vertel haar over mijn situatie, dat ik op het vliegtuig was gesprongen vanwege een klus, dat ik het in mijn soort werk moet hebben van verrassingen en dat niet alles tot in de puntjes voorbereid kan worden. Natuurlijk had ik andere dingen geprobeerd, andere vage kennissen gebeld, ik had me zelfs aangemeld bij een site waar mensen hun bank aanbieden voor een nacht of meer, maar niemand wilde me hebben.

Kapitein Davis wilde me wel, zei ze. Ik mocht bij haar op de bank.

In haar appartement op 14de Straat aan de westkant, waar ik haar later die avond ontmoet, zie ik dat ze helemaal niet over een bank beschikt. Het piepkleine appartementje wordt grotendeels gevuld door haar enorme bed. Ik mag op de vloer slapen. Waarschijnlijk had dat helemaal niet gehoeven, maar het is beter zo. Moe van deze dag kruip ik op het dekbed dat over het vloerkleed is gelegd. Vlak voordat ik in slaap val hoor ik boven mij zacht gefluister van kapitein Davis. ‘Ze gebruiken me als emotionele boksbal, wist je dat?’

De volgende dag, vroeg in de morgen, verlaat ik Manhattan met een Q-trein op weg naar Coney Island. Wie denkt dat New York eindeloos is, wie denkt dat de stad maar blijft doorgaan, blok na blok, die zou eens naar Coney Island moeten gaan. Op Coney Island houdt de stad op en het is daarom een goede plek om te verdwijnen. In de trein lees ik stukjes uit Amuse-gueule, de enige reisgids die ik bezit.

‘We keken naar de halfverbrande achtbaan die daar al jaren stond. Niemand had de moeite genomen er eens goed de fik in te zetten of het weer op te bouwen zodat de achtbaan nu een hortus botanicus was geworden voor wilde planten.’(Amuse-gueule, p. 241). De achtbaan doet het inmiddels weer. Maar de paar overgebleven attracties kunnen niet verhullen dat Coney Island al lang niet meer is wat het ooit was. De gestresste stedelijke massa’s die vroeger ter ontspanning met boten bij de verschillende attractieparken werden afgezet, blijven weg. Wat we niet zien op Manhattan, maar wat zich toch voltrekt achter het spiegelende glas van wolkenkrabbers, dat zien we gebeuren op Coney Island. Het verval en de desintegratie van iets waar we heel lang in hebben geloofd. Achter een hek staat een caravan zonder wielen en een oude attractie van Serpentina de slangenvrouw. Ik blijf een tijdje kijken, half verwachtend dat Serpentina haar slangachtige nek om het deurtje van de caravan zal steken om met priemende oogjes naar me te kijken. Maar er gebeurt niets.

Ik heb alles gezien: ik heb espresso gedronken uit flinterdunne kopjes in St. Ambroeus op Madison Avenue en uitgebreid gedineerd in de verkeerde St. Ambroeus in de Village. Op de stoep aan de overkant hadden anonieme alcoholisten gestaan. Ze hadden pauze en rookten als gekken. Ik ben in Andrews geweest, waar ik koffie kreeg geserveerd in een zware bruine mok (Amuse-gueule, p. 135). Ik kreeg een refill en besefte dat de eigenaar nog steeds Egyptisch is. Ik heb met de zoon van de vorige eigenaar gesproken, die nu nog in de bediening werkt. Ik vroeg aan de serveerster of ze me nog een derde keer kon bijschenken: Andrews is geen plek om espresso te bestellen. In de lobby van hotel Pennsylvania heb ik met twee Guatemalteekse vrouwtjes gepraat. Ze droegen mooie geborduurde rokken. Later viel een van hen met opgetrokken benen in slaap op de bank. Ze leek op een mooie paddenstoel. Het Engelse taalinstituut (Amuse-gueule, p. 129) was inmiddels verhuisd naar de 36ste Straat, maar de receptioniste kende nog een aantal oude leraren. Toen John Cray ter sprake kwam zei ze: ʻJohn was een grappige man, hij maakte zijn studenten aan het lachen.’
grunberg2Ik zit op het strand van Coney Island en kijk hoe de Russische oudjes zich baden in de zee. Als Coney Island de plek is van permanente teloorgang, dan zijn er geen betere vertegenwoordigers te bedenken dan deze Russische oudjes. De Russen zijn als geen ander volk in staat het verval te verbeelden. Toch komen de meeste oudjes me vitaal en levendig voor. Veel levendiger dan ikzelf. Sportief trekken ze aan mij voorbij. Het verval komt kennelijk in verschillende gradaties. Zelfs de lucht is fris en draagt de belofte in zich van een dag vol mogelijkheden. Dat is het verraderlijke aan Coney Island: elke morgen wordt de plek opnieuw geboren om ’s avonds te versterven in de mierzoete piña colada cocktails en patat met chili-kaassaus.

‘Op het heetst van de dag stinkt het op Coney Island naar gebakken worstjes, urine en mierzoet parfum, maar ’s ochtends vroeg ruikt het nog een klein beetje naar zee.’(Amuse-gueule, p. 241).

Op Coney Island is geen architectuur, alleen wat rest. Er zijn gebouwen, straten en hekken, er is een boulevard langs het strand: restruimte, de suggestie van een kermis zonder einde. In de restruimte zien we de freakshow van de geschiedenis. Headless woman, still alive! De Amerikaanse economie aan het beademingsapparaat, gekken en zwervers die rondhangen op het nog niet geopende terras van de worstenkoning Nathan’s: komt dat zien!

‘Onder de pier waar we filmden, woonde een complete familie met grootouders, kleinkinderen, ooms en tantes. Ze vonden het erg vervelend dat om zes uur ’s ochtends een complete cameraploeg hun slaapkamer kwam binnenklotsen.’ (Amuse-gueule, p. 242)

Ik had afscheid van Dichtertje genomen, het Dichtertje dat ik in New York had ontmoet en nu terugging naar Californië met zijn Mexicaanse bruid. Het was net alsof hij een besluit had genomen, een besluit om alles anders te gaan doen. In gedachten gaf ik de vroegere Dichtertje, die alle schakeringen van het Madrileense nachtleven had doorleefd, een plek onder de pier. Het was een goede plek en er woonde nu niemand. Dichtertje zou daar droog kunnen zitten, in nabijheid van de oceaan, die zijn nieuwe thuisland verbond met het oude continent van zijn herinneringen.

En kapitein Davis? Haar fysieke aanwezigheid was niet iets om licht over te denken, maar kon ze het aan? Was zij in staat in haar eentje de klappen van de economie op te vangen als de ‘emotionele boksbal’ van het kapitalisme? De oudjes komen uit de zee, het is tijd om aan de rest van de dag te beginnen. Eventjes, een fractie van een seconde denk ik Ala te zien, de Oekraïense uit de schoonheidssalon. Ze heeft me verteld dat ze hier woont. Maar zij is het niet. Ik strek mij uit op het vochtige zand en sla Amuse-gueule dicht.

Dit artikel verscheen in een eerdere versie in het mei-juni 2010 nummer van Passionate Magazine.


grunberg3.jpg

Bram Esser (1976) is ontdekkingsreiziger. Steeds op zoek naar verhalen verkende hij de grenzen van de stad, woonde hij in een zeecontainer op het strand van Scheveningen en integreerde hij met een geleende labrador in Vinexwijk Ypenburg. In 2012 verscheen Snelwegverhalen, een roadboek dat hij met Melle Smets maakte over de Nederlandse snelwegcultuur. Lees meer van zijn werk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s