Een zondvloed zonder reinigende werking

Ik had niet eerder een bundel van Ellen Deckwitz gelezen, toch dacht ik bekend te zijn met haar gedichten voor ik aan haar derde bundel De blanke gave begon. Vanaf het podium had zij er mij al vele voorgedragen; over zusjes en vaders, die mij een brok in mijn keel bezorgden, of zorgeloos deden lachen. Wat mij alleen pas bij het lezen opviel, waren de persoonlijke voornaamwoorden waarvan haar gedichten vol staan. ‘We’, ‘je’, ‘ik’, ‘ons’, ‘ze’, ‘hen’, ‘jou’, had ik hen nooit gehoord? Of me als vanzelfsprekend in hen herkend? En was ik dan de ‘ik’ of de ‘je’ in ‘In het klokhuis zit de volgende’;Ik haalde je takken weg tot je smeekte / om meer dus ook de barst werd verwijderd / spinthout en cambium ik trok je wortels los / tot je in delen naast me lag je zei zoiets / als bedankt (…). Ik vermoed dat er geen kant is om te kiezen.

Mensheid
De vele persoonlijke voornaamwoorden tonen de mens, die op elke pagina van de bundel aanwezig is. In ‘Haarden’ kijkt deze naar binnen: je teen stoten en het opkomen van de / godverdomme bewijst het bestaan van / haarden in je lijf wachtend om te worden / aangestoken (…). Vaak ook ziet de mens zichzelf ten opzichte van de ander. Zo draagt Rick een verleden met zich mee, dat hem in elke confrontatie met de ander wordt voorgehouden. Tegen het einde beweerde hij liever / grappig te zijn / dan zichzelf. En zijn glimlach niet als gunst bedoelde / maar als het inlossen van schuld / oprichten van schild. Maar de mens kijkt nog een stap verder. Naar onbekende grootheden die de aardbodem van Groningen doen schudden, die de gletsjers doen smelten zodat IJsmummies weer tevoorschijn kunnen komen, en die mensen in containers stoppen om de oceanen over te steken. Op deze manier vertelt Deckwitz vele verhalen over de persoonlijkste details tot aan een mensheid waar geen vat meer op te krijgen is.

Opnieuw beginnen
Het is dan ook niet gek dat het water zo’n belangrijke rol speelt in de bundel; een vijand waaruit wij mensen zelf bestaan. Een vijand die we nodig hebben om te overleven. Maar die wijzelf in onze onverschilligheid steeds meer ruimte geven. In vijf Waterpsalmen beschrijft Deckwitz ons lot. In de eerste twee dreigt het stijgende water nog op de achtergrond, bij de derde is het land al onder water: Hoe lang nog, mijmert een oude zandzak,/ voor we de overstroming zee zullen noemen.
Een wereld zonder mensheid is echter ondenkbaar. Dus krabbelen we weer op in de vierde, en pingelen we er weer flink op los in de vijfde Waterpsalm. De wereld die onder het water vandaan komt verschilt in niets van diegene die we al kenden; overtollige panda’s worden afgeknald en de fabrieken doen het nog steeds. Een zondvloed zonder reinigende werking. Dat maakt Deckwitz gedichten zo indringend; zelfs het water kan de mensheid niet stoppen: een echt goed einde lijkt ondenkbaar.
Nog meer dan op het podium daagt Deckwitz ons allen in De blanke gave uit een manier te vinden om opnieuw te beginnen.

De blanke gave is verschenen bij Uitgeverij Atlas Contact, € 15,00, ISBN 978 90 254 4339 9

Hanna Vlaming