Il pittore del silenzio

Het pronkstuk van de tentoonstelling Il pittore del silenzio in het Palazzo dei Diamanti in Ferrara is een doek ter grootte van een kleine vrachtwagen. Op het schilderij ligt een halfnaakte jongen op een marmeren tafel. Zijn huid perfect gaaf, maar bijna doorzichtig, zo blank. Eén kleine roze tepel, nauwelijks zichtbaar. Om zijn heupen is een witte doek gewikkeld. Naast de tafel staan twee vrouwen, geheel in het zwart gekleed. De ene vrouw buigt eerbiedig haar hoofd. Van de andere vrouw is alleen een arm zichtbaar, de linker. Een zeskoppig Nederlands gezin maakt zich los uit de toeristenmassa in de tentoonstellingszaal, en schuifelt richting het schilderij.

ʻHet is een jonge Jezus,ʼ zegt Winnie.
ʻHad Jezus rood haar?ʼ vraagt haar tweelingzus Babette.
ʻGoed mogelijk,ʼ zegt hun broer Stan. ʻRoodharigen sterven de komende honderd jaar uit. Ze zijn een soort bedreigde diersoort. Een bedreigde mensensoort, zeg maar. Ik kan mij wel voorstellen dat ze tweeduizend jaar geleden nog in overvloed aanwezig waren.ʼ
ʻPapa, kunnen we geld storten?ʼ vraagt Babette.
ʻWaarvoor?ʼ antwoordt haar vader.
ʻOm de bedreigde mensensoort te redden.ʼ

De vader en moeder staan precies voor het midden van het schilderij. Hun hoofden ter hoogte van die ene doorzichtige tepel. Ze houden elkaars hand vast. Dat is de afspraak. In het buitenland hebben ze een ander huwelijk. Dat van andere mensen.

Hier smeren ze elkaars verbrande schouders en ruggen in met vettige crème. Hier buigen ze zich over één informatiefolder om gezamenlijk iets te leren over het Castello Estense. Hier drinkt de moeder ineens wel wijn. Hier staat de vader op met de onverklaarbare behoefte te gaan hardlopen. Hier vrijen ze ’s nachts in het kleine slaapkamertje van hun stacaravan, de adem ingehouden, zodat de kinderen aan de andere kanten van de kartonnen wanden niet wakker worden.

ʻHij slaapt,ʼ zegt Babette over de jongen op het schilderij.
ʻHij is dood,ʼ zegt Winnie.
ʻHij doet alsof.ʼ Stan staat rechts van zijn ouders. Vijftien jaar, handen in de zakken, zijn rechtervoet beweegt eeuwig mee op muziek die niemand anders lijkt te horen. Zijn gezicht is gaaf, als van de jongen op de marmeren tafel, maar zijn rug zit onder de acne. De echte reden waarom hij altijd met een T-shirt aan gaat zwemmen. Stan heeft twee jaar geleden een klas overgeslagen. Hij speelt graag met de gedachte dat hij één van de uitzonderingen is. Hoogbegaafd en sociaal zeer capabel. Hij weet alleen niet zo goed hoe hij dit, in zijn ogen overduidelijke feit, aan zijn klasgenoten duidelijk moet maken.

De meisjes, Winnie en Babette, staan vlak achter hun ouders. Ze zijn dertien jaar, maar nu al bijna net zo lang als hun vader. Uit voorzorg heeft hun moeder onlangs alle melkproducten uit hun dieet verwijderd. De synthetische groeihormonen die ervoor zorgen dat kalfjes flinke koeien worden, komen volgens haar via de uiers in de pakken halfvolle yoghurt terecht. Dat had ze inderdaad op tv gezien, zei ze tegen haar man terwijl ze de pakken rijst- en hazelnootmelk in de voorraadkast zette.
ʻGeloof je nu echt dat we het langste volk ter wereld zijn alleen vanwege de zoute zeelucht, de rauwe haring en stamppot. Open toch je ogen.ʼ

Terwijl de tweeling naar het schilderij blijft kijken, keren hun lichamen zich langzaam naar elkaar toe. Hun identieke armen naar de ander uitgestrekt, dezelfde handen rond dezelfde polsen. Langzaam beginnen ook hun hoofden te draaien, als twee satellieten, van de ene naar de andere kant. Overal rond hen lopen dagjesmensen op zoek naar een authentieke ervaring. Het onvervalste vakantiegevoel.
ʻZe doen allemaal alsof ze ons niet verstaan,ʼ zegt Winnie.

ʻZe sluipen langs de schilderijen,ʼ zegt Babette. ʻJe hoort ze bijna niet. Met heel kleine stapjes komen ze dichterbij. Tot ze ineens vlak naast je staan.’

ʻMaar ze staan daar niet voor jou natuurlijk, ze staan daar voor de kunst.ʼ
ʻHun hoofden kantelen plots, naar links, alsof ze iets hebben gespot. Ze zetten een stap naar voren. Doen alsof ze de naambordjes lezen. Ze dragen kleine koptelefoons, maar wanneer je goed kijkt zie je dat ze nergens zijn ingeplugd.ʼ
ʻStiekem zijn ze allemaal Nederlands.ʼ
ʻEn ze hopen allemaal dat we iets over hen zullen zeggen.ʼ
ʻTienermeisjes. Een tweeling nog wel. Wat doen die wanneer niemand kijkt? Wat zeggen ze als ze denken dat niemand hen kan horen?ʼ
ʻZe hopen dat we gemeen zijn. Achterbakse opmerkingen over hun gedrag, dat is wat ze willen horen. Over hun schoenen, hun liefje, hun dikke kont.ʼ
ʻHun ogen schitteren wanneer we ze vergelijken met een dier, een Simpsons-personage, een continent. Jackpot, denken ze dan.ʼ
ʻZe willen dat we lachen. Nee, niet lachen. Gniffelen.ʼ
ʻZodat ze daarna een stapje naar achter kunnen zetten. Even kuchen.ʼ
ʻDe keel vrijmaken.ʼ
ʻEn dan zeggen, luid genoeg zodat wij het horen, luid genoeg zodat iedereen het hoort, “Jacqueline, doet dit lijnenspel je ook niet ontzettend denken aan het vroegere werk van Rembrandt?”ʼ.
ʻOf, “Godverdomme, ik denk dat ik de parkeerkaart ben verloren.” Of, “Lekker weer hè.”ʼ
ʻTerwijl we binnen zijn.ʼ
ʻIets waarvan ze denken dat het subtiel is.ʼ
ʻIets waardoor wij beseffen, we zijn betrapt.ʼ
ʻWe zijn betrapt en nu moeten we ons schamen.ʼ
ʻEn dan zijn ze trots op zichzelf,ʼ zegt Winnie.
ʻDan hebben ze een verhaal voor thuis,ʼ zegt Babette.

De slapende of dode jongen op het schilderij maakt de vader ongemakkelijk. Elk jaar rijdt hij de antracieten Peugeot 80 met acht zitplaatsen van voordeur tot camping, en drie weken later weer terug. In die auto brengt hij hele dagdelen door tussen slapende familieleden. Rond hem vijf mensen, die naarmate de uren verstrijken, allemaal op hetzelfde ritme beginnen te ademen. Als één groot organisme dat uitzet, de auto vult, hem langzaam insluit. Eén set longen die met elke uitademing lijkt te zeggen, wij vertrouwen jou.
Wij vertrouwen jou.
Waar heeft hij dat aan verdiend? Wie heeft hem voor deze taak gekwalificeerd? Niemand vroeg hem ooit een speciaal examen af te leggen. Er zijn hem geen lessen aangeboden, laat staan enige geruststelling.
Wij vertrouwen jou.
Zijn oudste dochter ademt nu haar vertrouwen richting iemand anders uit. Een negentienjarige jongen die drie keer is gezakt voor zijn rijexamen, vervoert deze zomer zijn Isabelle naar het Bodenmeer. Is dit wat hij haar heeft geleerd? Wat hij al zijn kinderen bezig is te leren? Dat je bij eender wie in de auto kunt stappen, je ogen kan sluiten, ervan uitgaande dat je altijd veilig op je bestemming aankomt.

ʻMisschien ligt hij in een coma,ʼ oppert Babette. ʻNet als Bram uit mijn oude klas. Die ging slapen, gleed in een coma en ging uiteindelijk dood. Het gekke was dat hij er in alle drie de fases precies hetzelfde uitzag.ʼ
ʻMisschien zit er een aanwijzing in het schilderij verstopt,ʼ zegt de moeder. ʻEen kleine hint van de schilder.ʼ
De hele familie staart met toegeknepen ogen naar het schilderij. Op zoek naar een symbolische kraai of open wonde. Winnie bijt ondertussen haar nagelriemen kapot.

ʻIk mis iets,ʼ mompelt Stan.
ʻTalent,ʼ zegt Winnie.
ʻHet kan nog komen,ʼ zegt Babette.
ʻHij is al vijftien,ʼ antwoordt Winnie.
ʻJe hebt gelijk,ʼ Babette knikt. ʻHet is waarschijnlijk al te laat.ʼ
ʻJe moet het lokken.ʼ Naast Stan staat het kind dat het meeste wordt vergeten. Dat graag achterblijft in het lege huis nadat alle koffers in de achterbak zijn gezet, alle stekkers uitgetrokken, de ramen gesloten, de planten in één hoek gezet zodat de buurvrouw ze gemakkelijk water kan komen geven.
Wanneer iedereen in de auto zit, stripboeken op schoot, kussens en slaapzakken alvast tussen de benen gepropt, plastic puntzakken vol kleverig snoep in het dashboardvakje, dan wijst iemand op de lege stoel en kruipt uit de propvolle auto om Claus te halen. Elk jaar vinden ze hem ergens anders. Twee jaar geleden had Babette hem op haar eigen bed aangetroffen. Hij zat daar en wreef zachtjes met zijn linkerhand over haar roze sprei.
ʻLekker,ʼ was het enige wat hij had gezegd toen ze haar slaapkamerdeur had geopend, daarna had hij de sprei opgepakt en mee de auto ingenomen.

Dit jaar had Stan Claus in de keuken gevonden, waar hij op zijn dode gemak de tafel stond te dekken voor één persoon. Hij haalde net de pot pindakaas uit het keukenkastje toen Stan hem vanachter bij zijn T-shirt greep en de voordeur uit trok. Nu staat de negenjarige jongen met zijn handen in elkaar gevouwen voor het schilderij, een koorknaapje voor het kruis.
ʻJe moet doen alsof het je niets kan schelen,ʼ zegt hij. ʻJe hele houding moet zeggen: goh, eigenlijk maakt het mij niet zoveel uit of je komt. Zie, ik heb het namelijk nogal druk de laatste tijd, dus misschien is het beter als we eerst een keer bellen. En als het talent dan besluit op te dagen, mag je ook niet te enthousiast reageren. Onthoud, je bent cool. Onthoud, je hebt het talent niet nodig. Het talent heeft jou nodig.ʼ

In één van de museumzalen van het Palazzo dei Diamanti in Ferrara staat een zeskoppig Nederlands gezin voor een schilderij. Een moeder en vader, dicht tegen elkaar aan. Twee identieke meisjes die dezelfde beugeltjes naar elkaar bloot lachen. Een puberjongen met voorovergebogen schouders. Een kleinere jongen, met zwarte krulletjes, die een museumfolder langzaam in kleine stukjes scheurt en op de grond laat vallen.

Ze staan daar nu al zo lang, dat andere toeristen niet meer naast hen durven komen te staan. Ze zijn bang dat het niet de bedoeling is, dat ze iets doorbreken. Misschien horen ze er wel bij, denken ze. Misschien zijn ze ingehuurd. Misschien zijn ze zelfs niet echt. Langzaam vormt zich een halve cirkel van vakantiegangers rond de familie. Iemand neemt een foto. Ook andere bezoekers halen hun camera’s boven. Allemaal leggen ze de familie vast. Iedereen wil in staat zijn dit gezin mee naar huis te nemen. Een authentieke gebeurtenis, opgeslagen in het fotoboek.

Wat ze niet doorhebben, is dat er iemand mist. Eén dochter staat nu in een ander land, in een ander museum, haar hand al in de hand van een nieuwe man. Maar ook de andere kinderen, die hier nu nog staan, zijn al bezig te verdwijnen. Stan schopt tegen kiezelsteentjes, lege zakjes chips, opgedroogde paardenuitwerpselen, strandstoelen, uitstekende tentharingen, dode vogeltjes, de schenen van de tweeling. In plaats van een spoor achter zich te laten, trapt hij er eentje voor zich uit. Hij probeert de wereld, die vaak stil en vergeten op de grond ligt, in beweging te zetten. Op te gooien. In de hoop dat deze vleugels krijgt en zal vliegen. Sneller, hoger, steeds verder weg.
De tweeling blijft maar groeien. Het zal niet lang duren voordat hun uitzicht door niemand meer wordt belemmerd. Een geheel lege horizon, voor hen alleen.
En Claus. Claus is er eigenlijk niet echt. Claus is er eigenlijk nooit echt geweest.

ʻWat vreemd is,ʼ zegt Babette ineens, ʻdie jongen ziet eruit alsof hij helemaal niet wilde slapen, maar moest. Zo moet ik er vroeger ook hebben uitgezien.ʼ
ʻJouw gevecht tegen de slaap hield de hele buurt wakker,ʼ zegt haar moeder.
ʻDat is al voorbij. Nu wil ik graag slapen. Nu voel ik mij er thuis. Zal dat met alles zo gaan? Ook met de dood?ʼ
ʻVast niet,ʼ zegt Winnie.
ʻVast niet,ʼ zegt Stan.



Mirke Kist (1991) werd vierentwintig jaar geleden op de bodem van de voormalige Zuiderzee geboren. Via Amsterdam kwam ze in Antwerpen terecht, waar ze Woordkunst studeert. Met haar audiocollectief SCHIK maakt ze audioverhalen voor op locatie en thuis. Maar haar grootste focus ligt op schrijven. In het kader van haar master schrijft ze aan een roman. Met dit verhaal won ze de juryprijs van Write Now! 2015.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s