Wankelen met beide benen op de grond

Marieke Rijneveld (1991) debuteerde amper twee maanden geleden – in juni 2015 – bij Uitgeverij Atlas Contact. Haar dichtbundel Kalfsvlies wordt niet alleen veel, maar ook enorm positief besproken. Opvallend is dat steevast de term ‘volwassen’ voorbijkomt, wat lijkt te contrasteren met het beeld dat Marieke van zichzelf heeft: een schrijver voortgestuwd door kinderlijke verwondering. In haar werk wil ze haar lezers vooral iets meegeven van haar eigen wereld en van haar eigen, kleine filosofie.

Het schrijven is voor Marieke een continu schommelen tussen tomeloze ambitie en angst: een noodzaak die niet altijd samenvalt met genot of plezier. Schrijven is eenzaamheid en chaos, absolute zekerheid en priemende onzekerheid tegelijk. Wat betekent dit spanningsveld voor Marieke en haar schrijverschap? En: wat houdt haar filosofie precies in?

De eerste stappen: een zelfverkenning
Marieke Rijneveld is een jonge schrijver zoals je ze nog weinig ziet: iemand die volledig gaat voor het schrijven en alternatieven niet voor mogelijk houdt. Schrijven is voor haar niet alleen een passie, maar vooral ook een noodzaak. Deze noodzaak kwam aan het licht tijdens het volgen van de lerarenopleiding Nederlands. Voor Marieke werd binnen een jaar duidelijk dat ze niet voor de klas wilde staan. En als die ambitie er niet is, of nooit echt is geweest, komt er een existentieel vraagstuk om de hoek kijken. Want op het moment dat je weet wat je niet wilt, komt de vraag wat je dan wel wilt. Het antwoord kwam voor Marieke vanuit de opleiding: ‘We hadden wel vakken als poëzie, bijvoorbeeld, en daardoor ben ik meer gaan schrijven. Ik schreef al toen ik jong was, maar dat lag een hele tijd stil.’ Marieke dacht aanvankelijk een tussenjaar te nemen om haar opties te overwegen: ‘Maar ik ben nooit meer begonnen met een opleiding. Ik ben alleen maar gaan schrijven.’

Waarom? ‘In het begin was dit wel therapeutisch, om alles wat ik had meegemaakt en de overgang tussen dorp en stad een plek te geven.’ Hoewel Marieke die eerste stappen in het schrijverschap omschrijft als ‘pure noodzaak’, zat aan het therapeutische element ook een keerzijde: ‘Je kunt verstrikt raken in je eigen herinneringen, je diept alles heel erg uit en iedere dag keer je daar weer naar terug.’ Toch leest de bundel Kalfsvlies geenszins als een individualistische, psychologische sessie. Uiteraard ben je als lezer snel geneigd om de relatie tussen het werk en de schrijver uit te diepen, maar Marieke ontstijgt dit door de herinneringen met metaforen universeel te maken. Iets wat ogenschijnlijk een persoonlijke herinnering is, blijkt een rake, universele observatie. Zoals in ‘Bestaansrecht’:

Als ik bedenk dat moeders ooit ook dochters waren die iemand nodig hadden

om de overkant te bereiken werd ik bang voor de mijne omdat ik haar alleen ken
van de jaren waarin ik zelf nog wist wie ik was en welke rol ik moest spelen, kinderen
zijn van oorsprong wetenschappers.

Als schrijver treedt Marieke liever zo min mogelijk op de voorgrond: ‘Ik vind dat het meer om mijn werk moet draaien dan om mijzelf. Alles wat ik denk of doe, of ben misschien zelfs, dat zit in mijn werk.’ Volgens Marieke is schrijven een vorm van gezien worden: je schrijft niet alleen voor jezelf, maar ook om gelezen te worden. Je stuurt jezelf de wereld in met misschien ergens de hoop op herkenning. ‘Misschien heeft het schrijven ergens een narcistisch trekje, of liever is het schrijven een soort gemis opvullen dat nooit te vervullen is, zodat je altijd nieuwe boeken moet schrijven.’

Tussen zekerheid en angst
Hoewel de drang om te schrijven haar zekerheid verleent, blijft kritische zelfreflectie voor Marieke de boventoon voeren. Met de keuze volledig voor haar schrijverschap te gaan, gonst in haar achterhoofd nog steeds het idee dat ze misschien te weinig doet: ‘Ik heb een heel vaste structuur in het schrijven, maar soms zou ik willen dat ik een hele dag achter mijn bureau kon schrijven.’ Ze begint elke ochtend steevast om half acht en werkt tot een uur of twee in de middag. Daarna wandelt ze, of sport ze, voordat ze weer terugkeert naar haar werk: in de avond begint het herschrijven van wat ze daarvoor gecreëerd heeft. Haar identiteit lijkt samen te vallen met dit proces: ‘Je bent heel erg op jezelf, en alles draait altijd om het schrijven. En dat gaat prima: ik begin vroeg en schrijf tot in de middag, maar daarna is het wel: wat nu?’

De sporen van deze werkdrift lijken ook in haar bundel voor te komen, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Vliegtuigje’:

(…) Zolang je bezig blijft, is er weinig ruimte om ergens tussen te vallen

Enerzijds wil Marieke zich isoleren om zich volledig te storten op het schrijfproces, anderzijds zit er een limiet aan de discipline die zij zichzelf oplegt. Zo ontstaat een voortdurende poging de isolatie die leidt tot eenzaamheid te verzoenen met de publicaties die daarmee gepaard gaan en de chaos van de buitenwereld. Dit levert een spanningsveld op: ‘Balans: dat je eenzaamheid nodig hebt en chaos. Er zit geen goede formule in.

’Momenteel is ze bezig met het herschrijven van haar roman, die volgend jaar moet verschijnen: ‘Een roman is een ander proces dan een dichtbundel, wat het soms moeilijk maakt om beide vakken te beoefenen. In een dichtbundel heb je zoveel vrijheid. Een roman moet redelijk gestructureerd zijn, de lezer moet niet afhaken. In een dichtbundel kan ik van de ene zin naar de andere zin vliegen, zonder dat die ogenschijnlijk wat met elkaar te maken hebben. Ik zou niet zonder het één of het ander kunnen, maar soms is de combinatie wel lastig. Ergens ben ik bang dat ik het ene verlies als ik het een tijd niet doe.’ Hoe ze deze angst te boven komt? Door meer te produceren: ‘Ik wissel het af. Ik zou niet twee of drie weken geen gedicht kunnen schrijven. Dan zou ik de onzekerheid hebben: kan ik het nog wel? Dat gaat snel bij mij. Ik leg daardoor voor mezelf de lat wel hoog.’

Schrijven is jezelf blootstellen
Vooral na het debuut wordt ze steeds meer gevraagd voor interviews. Aan de ene kant ervaart ze dat als prettig: kennelijk roept haar schrijven iets op en is de buitenwereld geïnteresseerd in haar. Anderzijds voelt ze zich er kwetsbaar door: ‘Ik heb wel eens het gevoel dat je jezelf steeds verkoopt. Daardoor ben je heel kwetsbaar: je kunt helemaal afgaan, of het kan heel goed gaan.’ Dit roept angst in haar op, maar toch stemt ze veelal in met interviews: ‘Je moet het ook doen omdat je boek dan toch weer even in de belangstelling staat.’ Toch is de scheidslijn tussen het werk en de auteur dun, en autobiografische elementen worden steevast uitgelicht: ‘Het is af en toe moeilijk dat mensen of juist onderscheid willen maken of helemaal geen onderscheid maken. Of alles is autobiografisch, of alles is verzonnen, terwijl het meestal een combinatie is van beide. Als mensen iets zeggen over de schrijver, geeft dat afstand. Als mensen iets zeggen over de persoon, kan dat confronterend zijn. Dan is het dichterbij.’ Tegelijkertijd hint ze in haar bundel ook naar deze autobiografische interpretaties, en moeten we als lezer beseffen dat we literatuur lezen waarin met de waarheid gespeeld wordt. Zelf noemt ze dit – op een positieve manier – gekunsteld schrijven. Elk deel van haar werk is in die zin een reflectie van haarzelf, zonder dat deze samenvalt met de persoon achter het werk:

(…) zit ik hier op mijn matras in de namiddag met
een bellenblaas in mijn hand, zie in iedere zeepbel mezelf weerspiegeld en uit elkaar
spatten, er zijn zoveel versies van mijn bestaan maar niet één die blijft hangen.

Misschien is het juist door de zovele versies van haar bestaan dat ze een haast onuitputtelijke inspiratie heeft, en op deze manier weet ze al te autobiografische elementen te omzeilen: ‘Mensen willen weten wie de schrijver erachter is, en in hoeverre de schrijver en het personage overeenkomen.’ Door zoveel beelden van zichzelf te schetsen, heeft ze enerzijds gelijk als ze zegt dat alles wat ze denkt, doet of zelfs is in haar werk zit. Anderzijds onttrekt ze zich hier juist aan omdat een eenduidige interpretatie daardoor uitblijft.

Met beide benen op de grond
Hoewel Marieke op het eerste gezicht wat timide oogt, spreekt ze vrijuit over haar angsten en onzekerheden. Waar de eerste stappen in het schrijverschap zich nog kenmerkten door een therapeutische werking die uitging van het proces, is dat tegenwoordig anders: ‘Nu wil ik mensen iets meegeven van mijn eigen wereld. Iets van mijn eigen, kleine filosofie.’ Maar ze voegt hieraan toe: ‘Of misschien wil ik juist mijn eigen filosofie ontdekken, de wereld begrijpen en al mijn gedachten, ondervindingen en fantasieën op papier zetten. Misschien wordt de ander pas belangrijk bij het eindresultaat.’

Deze kleine filosofie heeft veel te maken met haar vermogen tot verwonderen. Waar andere mensen een flatgebouw zien, ziet zij kroketluikjes met gewillig vlees erachter:

Flatgebouwen met verlichte ramen als krokettenluikjes waarachter
een veel te vluchtig bestaan zich in een vorm laat passen, gewillig
vlees dat ook wacht tot er iemand voorbij komt.

En een dronken vrouw die zichzelf schouderklopjes geeft is in haar ogen niet miserabel of schaamtevol, zij heeft kennelijk iets bereikt, iets om trots op te zijn:

Een mevrouw op een bankje geeft zichzelf steeds opnieuw schouderklopjes: wie zo ver
is heeft geen achterban meer nodig (…)

wankelen1De vraag is alleen waarop, en dat is aan de lezer om in te vullen: ‘Ik denk dat dat ook echt mijn sterkste punt is: dat ik me nog kan verwonderen als een kind.’ Juist in het zich verwonderen om het kleine ligt het grootse – hierin ligt wat de wereld mooi maakt. Haar kleine filosofie laat zich misschien het beste omschrijven als een intens verwonderen over de wereld met haar lichte en duistere kanten, over de natuur, de dood, eenzaamheid, seksualiteit, vervreemding en het gedrag van mensen. Over details, en daarbij niets als vanzelfsprekend beschouwen:

(…) om twee dagen later te zeggen dat filosofie meer bij je past, ervoor zorgt dat je je kunt blijven verwonderen als een kind en dat niet raar gevonden wordt (…)

Maar daarnaast is Marieke ook enorm nuchter. Als ze iets wil, gaat ze hier volledig voor: ‘Ik ben flink brutaal. Ik mail gewoon en vraag of ik in een tijdschrift kan. Ik heb niet het geduld om te wachten, om via de reguliere weg in te sturen. Dat heb ik nooit gehad.’ Deze houding komt niet alleen voort uit haar ambitie, maar meer nog uit het feit dat schrijven haar intens gelukkig maakt. Voor haar is het schrijven de mogelijkheid om altijd kind te blijven, en met dezelfde bewondering en verwondering de wereld te mogen aanschouwen. Tegelijkertijd is schrijven een vorm van kunst maken, en tijdens dit productieproces valt alles op zijn plek: ‘Dat geeft een adrenalinekick waarop je de hele dag kunt teren.’ Soms, zegt ze, zou ze willen dat de dagen alleen uit ochtenden zouden bestaan.

Kalfsvlies is verschenen bij Uitgeverij Atlas Contact, € 19,99, ISBN 9789025444105.

Lees ook de voorpublicatie van twee gedichten uit de bundel op Passionate Platform, of luister naar het gedicht ‘Als het je overkomt’, voorgelezen door Marieke:


Ben Huizinga (1987) heeft van jongs af aan een obsessie voor literatuur en taal. Studeerde mede daarom Nederlandse Taal en Cultuur en Literatuur en Cultuurkritiek. Leest graag en veel. Lees meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s