Totale poëzie

Een gedicht dat leest alsof het al bestond voordat de dichter het opschreef – dat is misschien wel het hoogst haalbare in de poëzie. De dichter heeft het gedicht als het ware vastgegrepen, op het leven buitgemaakt, en zonder veel kunstgrepen aan het papier toevertrouwd. Hij ziet of hoort iets en geeft het door. Zijn persoonlijke inbreng is daarbij gering: het is alsof de dichter iedereen kan zijn, en juist dat maakt het gedicht paradoxaal genoeg onderscheidend.

totale1Het eenregelige gedicht ‘Wollt ihr die totale Poesie?’ uit 1965 van Hans Sleutelaar heeft die vanzelfsprekende kracht. Het roept een gevoel van herkenning op en tegelijk is er, vanwege niet meer dan één woord op een onverwachte plek, de kennismaking met iets nieuws. Het is dan ook een klassiek gedicht in de naoorlogse Nederlandse poëzie geworden. Het is tevens de titel van de keuze uit eigen gedichten die Hans Sleutelaar (1935) onlangs maakte. Van ‘verzameld werk’ kun je hier niet spreken – een negental eerder gebundelde gedichten heeft hij geschrapt. Daarnaast zijn er zes vertalingen opgenomen en een afsluitend essay over rijm in de poëzie.

Terug naar het gedicht ‘Wollt ihr die totale Poesie?’, dat natuurlijk verwijst naar de retorische vraag uit 1943 van Joseph Goebbels aan het Duitse volk: Wollt ihr den totalen Krieg?. Bij het lezen van Sleutelaars dichtregel, met de titel ‘Gedicht’ erboven op een verder lege pagina, valt het oog in de eerste plaats op het ‘totale’. Toen dit gedicht werd gepubliceerd in tijdschrift De Nieuwe Stijl, was het de kernachtige verwoording van wat Sleutelaar en zijn literaire bondgenoten indertijd voorstonden. Samen met C.B. Vaandrager, Armando en Hans Verhagen wilde hij de grens tussen literatuur en leven doorbreken. Met readymades, reclameteksten, flarden uit gesprekken op straat, citaten uit popsongs, liet deze Bende van Vier zien dat alles materiaal voor poëzie kan zijn. De dichter vindt zijn materiaal vooral in wat voorheen als niet-poëtisch werd geschouwd: de rauwe werkelijkheid van alledag. Alomvattende, totale poëzie. Als iets daar een ultieme uitdrukking van is, is het wel ‘Wollt ihr die totale Poesie?’.

Tijdschrift Gard Sivik, waarvan de vier bendeleden redacteur waren, was in eerste instantie spreekbuis voor hun opvattingen. In 1965 ging Gard Sivik over in De Nieuwe Stijl, met Henk Peeters als vijfde redacteur. Met De Nieuwe Stijl zochten zij aansluiting bij de kunststromingen Nul en Zero, waarin eveneens materialen uit de werkelijkheid – dat konden autobanden zijn, spijkers, kurken of andere industriële producten zijn – als (anti)kunst werden gepresenteerd. Door bestaande objecten te ‘isoleren en annexeren’, zoals Armando dat in een pamflet noemde, werd de realiteit bevestigd (protesteren was meer iets voor de vorige generatie: de Vijftigers) en geïntensiveerd.

Hans Sleutelaar was vooral ideoloog en drijvende kracht rond Gard Sivik en Nul/ De Nieuwe Stijl. De andere groepsleden waren allang zelfstandig gedebuteerd voordat ook Sleutelaar zijn eerste dichtbundel uitbracht. VoorSchaars licht (1978) maakte hij een strenge selectie uit zijn poëzie tot dan toe. Het duurde nog eens 25 jaar voordat zijn tweede dichtbundel Vermiste stad (2004) verscheen, met daarin o.a. een reeks Rotterdamse kwatrijnen. Voor Schaars licht was hij journalist en adjunct-hoofdredacteur bij de Haagse Post, en had hij met Armando het controversiële non-fictieboek De SSers gemaakt. Tussen de twee dichtbundels door was hij redacteur, uitgever, samensteller en bezorger (o.a. werk van Vaandrager en Jan Cremer), en kreeg hij het stempel van ‘zwijgende dichter’.
totale2Wat valt op, nu de ‘korte en zeer korte’ gedichten – zo luidt de ondertitel van Wollt ihr die totale Poesie? – uit de twee bundels zijn samengebracht? Natuurlijk het gegeven dat veel gedichten bijzonder kort zijn. Zo is daar ‘Oordeel’, dat luidt: ‘Het leven veinzend, ging hij er aan voorbij.’ En het gedicht ‘Aan mijn vriend’: ‘jij bent in een staat van oproer / zoals in het ochtendgloren / een vogel, eer zijn zingen begint’. Het effect is alsof er iets aan de lezer wordt medegedeeld – nuchter, bijna terloops. Maar doordat de meeste pagina’s grotendeels leeg zijn, krijgen de stukken witruimte onwillekeurig een lading. Duidelijk is dat veel ongezegd blijft. Het ongezegde is er wel, maar de dichter laat het aan de lezer wat dat is. Toch werkt dit alleen wanneer die woorden die wel gebruikt worden, bijzonder precies zijn.

Sommige vroege werken, zoals de cyclus ‘Sturen’, bestaan uit korte, ogenschijnlijk zakelijke observaties met regels als ‘De snelheid doet ons goed (…) De generiek is deel van een grotere / generiek, die deel is van een grotere. // De snelheid levert meer data, meer inside information.’ Het is poëzie die zich koel voordoet, maar waarachter een verhulde romantiek schuilgaat. Er spreekt de wens uit om om zich niet boven het leven te verheffen – volgens de klassieke opvatting van het schrijverschap – maar om dat juist te omarmen in zijn mooiheid en lelijkheid. Schrijven komt hier niet in de plaats van het leven, maar werpt daar een blik op. Een korte inzichtelijke flits, uit de werkelijkheid die zich niet beteugelen laat.

Veel latere gedichten, zoals de Rotterdamse kwatrijnen, hebben een betrekkelijk traditionele vorm. Maar ze zijn even kort en hoekig als voorheen, nog steeds is het materiaal aan de buitenwereld ontleend. Ook deze totale poëzie strekt zich uit tot het niet-poëtische en het ongezegde.

Neem het Rotterdamse kwatrijn ‘Nachtleven’:

In het morsig nachtcafé kwam ik hem tegen,
mijn oom, al aan het aards bestaan ontstegen.
Ik was jong. Niks deugde. Niemand vond genade.
Toen heeft zijn blik mij van die mensenhaat genezen.

Hoe de blik uit de laatste regel van ‘Nachtleven’ eruit ziet – dat staat in de onbeschreven ruimte onder het gedicht. Sleutelaars korte gedichten openen als het ware een wereld die erachter schuilt. Wellicht een essentieel kenmerk van totale poëzie.

Wollt ihr die totale Poesie?, korte en zeer korte gedichten van Hans Sleutelaar is verschenen bij De Bezige Bij. ISBN 978 90 234 9513 0, 96 blz, €18,50.


Erik Brus publiceerde met Fred de Vries het boek Gehavende stad, muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu en is medesamensteller van verzamelboek ROTTERDAM. Hij realiseerde i.s.m. Laurens Abbink Spaink de novelization Zwartboek van de film van Paul Verhoeven. In 2015 verscheen het mede door hem samengestelde boek Ken zó in Boijmans – Frans Vogel 80 (Studio Kers). Lees meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s