test_1

Gelukkig hebben we de zomer nog

Gezien:     Bather opening a beach hut (1928) door Pablo Picasso
Waar:        Musée Picasso, Parijs
Wanneer:   juli 2015 (vaste collectie)

‘You can understand nothing about art, particularly modern art, if you don’t understand that imagination is a value in itself.’

– Milan Kundera

De zee heeft nauwelijks golven. Er hangt sluierbewolking, net suikerspinnen. Ik krijg er honger van. Langs de duinrand staan zeven houten hutjes, geschilderd in primaire kleuren, zoals je ze ziet in Scandinavië. Daarnaast staat een lange rij palmbomen. De huisjes zijn bestemd voor de zomergasten, elk jaar komen ze hier weer: dezelfde ouders, met dezelfde auto’s en dezelfde kinderen, eens in de zoveel jaar een nieuwe partner, in een poging de werkelijkheid te ontvluchten. Zes zomerweken lang, inmiddels zouden ze toch beter moeten weten.
Ik loop over de brede laan van de camping. Een vrouw smeert boterhammen met pindakaas aan haar formicatafeltje. Iedereen spreekt hier Nederlands, ik begrijp niet waarom je daarvoor helemaal naar Portugal moet vliegen. Aan het einde van het pad gaat een trap naar beneden richting het strand, daar staan de huisjes. Net buiten de camping, maar ze horen er wel bij. Dat is belangrijk, zo krijg je wél de tien procent korting in de campingwinkel en heb je recht op alle overige aanbiedingen. Ik heb zojuist twee croissants gekocht, twee halen één betalen. Het huisje van mijn moeder is de derde van links, het zand is te heet voor mijn voeten, ik graai in mijn zwembroek naar de sleutel en waggel door het zand, het zand te mul is om te rennen.
Voor mijn deur tref ik een jonge vrouw aan, ze draagt een roze bikinibroekje, geen bovenstuk. Met een sleutel friemelt ze in mijn slot. Ze heeft kort blond haar en een hele grote mond. Of eigenlijk, een heel groot gebit. Zoals alle meisjes op de manege vroeger hadden.
‘Hallo,’ zeg ik tegen de grote mond. Ik wil niet onbeleefd naar haar borsten staren, dus concentreer ik mij maar op die tanden.
‘Hallo,’ zegt zij tegen de lucht naast mij, haar linkeroog loenst een beetje. Het broekje zit ook net iets te strak, de witte huid valt in dikke plooien over de gespannen stof.
‘Wat doe je bij mijn deur?’
Ze kijkt verbaasd naar de deurklink, alsof die zojuist iets tegen haar zei, niet ik.
‘Sorry,’ zegt ze dan. ‘Ik dacht dat dit Saskia’s deur was, ik heb altijd haar reservesleutel bij. Voor noodgevallen.’ Ze wijst naar haar blote witte borsten. ‘Ik ben mijn bovenstukje verloren in zee. Heeft u iets?’
‘Heb ik wat?’
‘Iets om te bedekken?’
Ik aarzel even. Zij lijkt nergens last van te hebben, ze lacht naar mij met haar grote tanden en bekijkt de uitgedroogde bloemen in de potten langs de voordeur.
‘Misschien wel,’ zeg ik. ‘Kom maar even kijken.’
Ze volgt mij naar binnen. De gordijnen zitten dicht, overal liggen boeken, afwas en kledingstukken. In de vensterbank staan marmeren beeldjes, vergeeld door de rook, aan de muur hangen scheve lijstjes met foto’s van mensen die ik niet ken. Ik probeer al weken op te ruimen.
‘Hoe heet je?’ vraag ik.
‘Jo,’ zegt ze. ‘Van Josine, maar ik ben niet echt een Josine, dus zeg maar Jo.’
Ik kijk naar haar ronde gezicht, twee ogen die net iets te dicht op elkaar staan, het natte blonde haar dat aan haar voorhoofd plakt, en bedenk me dat ik nooit eerder een Josine heb ontmoet, maar dat de naam haar prima past.
Ik wijs naar de berg kleding. ‘Hier ligt vast iets tussen, kijk maar even.’
Ze hurkt naast de stapel en begint te zoeken. Het heeft iets kinderlijks, de manier waarop ze grinnikt bij het zien van de ouderwetste prints en stoffen.
‘Je hebt veel badpakken en weinig zwembroeken voor een man,’ zegt ze dan en haalt een krokodillenprint uit de stapel: ‘Mag ik deze?’
Ik knik. ‘Het is van mijn moeder.’
‘Vindt ze het wel goed dat ik dit leen?’
‘Ik denk het wel,’ zeg ik. ‘Ze is er toch niet meer.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dood,’ zeg ik.
‘Oh,’ zegt ze. ‘Sorry.’
‘Geeft niets,’ zeg ik. ‘Zo leuk was ze nu ook weer niet.’
‘Dan nog meer sorry. Moeders zouden bovenal leuk moeten zijn.’ Ze klemt het badpak tegen haar buik. ‘Mijn moeder maakt zich altijd zorgen.’
‘Omdat je zonder zonder bovenstukje bij vreemde mannen voor de deur gaat staan?’ vraag ik.
Ze lacht: ‘Zoiets ja. Ik trek dit even aan, oké?’ Ze verdwijnt naar de badkamer.
In de keuken zoek ik naar glazen. Stapels tijdschriften en oude kranten bedekken de vloer, op 1 oktober 2000 heeft de orkaan Keith zeventig inwoners van Belize het leven gekost. Ik vraag me af of ze hem hebben vernoemd naar Keith Richards.
‘Wist je dat?’ roep ik naar de badkamer. ‘Dat Keith in 2000 Belize heeft verwoest?’
‘Wie is Belize?’ Ze stapt de badkamer uit, en draait in de krokodillenprint een rondje door de kamer.
‘Mooi,’ zeg ik, het badpak kleedt bijna af.
‘In 2000 was ik tien, en jij?’
‘Eenentwintig,’ zeg ik. ‘Wil je iets drinken?’
‘Eten,’ zegt ze. ‘Ik heb honger.’

We zitten buiten in de schaduw op de veranda. Zij eet een boterham met hagelslag, ik mijn gratis croissant. Bij iedere hap morst ze chocolade in haar schoot, het laat bruine vlekken achter op haar bovenbenen. Alsof er in korte tijd heel veel moedervlekken bijgroeien. Ik ga wat verder voorover hangen, zij knijpt in een van de rolletjes die in mijn buik ontstaan.
‘Frieten,’ zegt ze. ‘Lekker. Misschien moet je sporten?’
‘Misschien moet jij sporten,’ reageer ik verontwaardigd.
‘Dat heeft geen zin,’ zegt ze. ‘Ik snoep toch altijd stiekem, ik ben niet te vertrouwen.’
‘Wie zegt dat?’
‘Mijn moeder.’
‘Is het waar?’
‘Ik denk het.’ Ze laat haar benen over de rand bungelen. Twee kinderen bouwen zandtaartjes in de branding, een man graaft een kuil tegen de wind, maar geeft halverwege op. Hij gooit zijn schep in zee. De sluierbewolking is verdwenen, het enige wit aan de lucht zijn meeuwen. Josine schuift iets dichter naar mij toe.
‘Ik weet wel wie je moeder is,’ zegt ze. ‘Ze speelt graag scrabble in haar eentje en drinkt whiskey uit een heel klein glaasje, hier op de veranda.’
‘Speelde,’ verbeter ik haar.
Ze negeert het.
‘Jou heb ik hier niet eerder gezien.’
‘Ik houd nu eenmaal niet zo van familiegelegenheden,’ zeg ik. ‘Mijn moeder evenmin.’
Vanaf mijn zesde bracht mijn moeder hier iedere zomer door, in haar eentje op een Portugees eiland. Dat mijn broer en ik mee zouden gaan was überhaupt geen optie, wij moesten de zomer doorbrengen op de camping van mijn vader in Litouwen. ‘Daar leven de mensen nog puur,’ zei mijn vader. Het was een dor veldje met drie bomen en een geit die spuugde als een lama. De vakantiefoto’s die mijn moeder meebracht waren jaloersmakend, de strak blauwe zee, het piratenwitte zand, de palmbomen. Vooral de palmbomen, die waren groter en groener dan waar ook. Ik kijk naar het rijtje palmbomen naast de huisjes, de middelste kan zijn top haast niet meer houden. Niet anders dan anders, zo zie je ze ook in Burgers’ Zoo.
‘Dit is mijn vijftiende keer hier,’ zegt Josine.
‘Wil je nooit iets anders?’ vraag ik.
‘Routine is belangrijk zegt mijn moeder,’ ze tikt met haar wijsvinger op haar rechter pols, waarschijnlijk doet haar moeder dat ook zo.
‘Belangrijk voor wat?’ zeg ik.
Ze kijkt mij niet-begrijpend aan, met haar vingers maakt ze nu kleine bergjes zand op het hout.
‘Durf jij van de hoge?’ vraagt ze dan, ze wijst naar een rotspartij aan het einde van de baai. ‘Sommige mensen die daar springen worden nooit meer teruggevonden. Ze komen verkeerd terecht op het water en worden dan meegesleurd door de stroming.’
‘Ben jij wel eens gesprongen?’ vraag ik.
‘Zo vaak,’ zegt ze. ‘Dat je dood kunt gaan, maakt het juist spannend. Als je het water raakt en daarna toch weer bovenkomt, ben je extra gelukkig. Zullen we er gaan kijken?’ Ze pakt mijn hand, haar vingers voelen zacht en een beetje klef.
‘Moet je niet naar huis?’
‘Ik ben toch vijfentwintig,’ lacht ze. ‘Dat bepaal ik zelf wel.’ Ze springt van de veranda en maakt waggelend een weg door het zand.

Ik volg haar een duinpad in met veel brandnetels, dat vanaf het strand naar de rotsen leidt. Haar waggelen is overgegaan in huppelen. Ze neuriet een liedje van Beyoncé, zegt ze, maar ik kan het niet herkennen. In niets lijkt ze op mijn moeder en toch maakt dat krokodillenbadpak het plaatje compleet. Mijn moeders lange blonde haren die onder haar slappe vilthoed vandaan waaien, de zonnebril veel te groot voor haar kleine hoofd. Ik had destijds een boek met microscopische afbeeldingen van insecten, mijn moeder was de vlieg. Soms zat ze zo middagen lang verstopt in het hoge gras van het weiland achter ons huis, wij konden haar nergens vinden. Ik denk: de dag dat je officieel volwassen bent, is de dag waarop je beseft dat je ouders er ook allemaal niets van begrijpen.
Josine gaat trots op het puntje van de rots staan, het is hoger dan ik dacht. Ik ga op mijn buik bij de rand liggen, het water springt hoog tegen de rotswand op. Vanaf hier lijkt het water een stuk minder blauw. Stukken zeewier drijven in de grijze massa en blijven aan de wand hangen.
‘Jij eerst,’ zegt Josine, ze komt naast mij liggen.
‘Ik weet het niet.’
‘We hebben niets te verliezen,’ lacht ze en wijst naar haar badpak. ‘Die raak ik niet zomaar kwijt.’
‘Toch wel,’ zeg ik. ‘Wat dacht je van mijn leven.’
‘Is het veel waard?’ vraagt ze.
Ik denk even na.
‘Voor andere mensen waarschijnlijk niet, maar voor mij wel.’
‘Dan moet je dus extra hard je best doen weer boven te komen.’
We kijken naar beneden.
‘Jij eerst,’ zegt ze dan weer. ‘Jij bent de oudste. En stiekem wil je.’ Ze giechelt.
Ik knik. ‘Stiekem willen we allemaal.’
‘Toe,’ zegt ze, haar lichtblauwe ogen kijken gretig naar het gras naast mij, maar ik weet dat ze voor mij bedoeld zijn. ‘Jij eerst, ik volg.’
Ik sta op en neem een aanloop.
‘Meer,’ zegt ze. ‘Verder naar achter.’ Ze blijft maar giechelen.
Ik zet nog wat stappen achteruit en begin te rennen. Grote passen door het dorre gras, het felle zonlicht doet pijn aan mijn ogen, het zand plakt aan mijn huid. Dan spring ik, in de verte hoor ik Josine joelen. Het duurt heel lang voordat ik het water raak. Alles voelt grijs, en dan is het net alsof ik in een zwembad stort waar een deksel van glas op zit. Eerst heel hard, maar als het glas eenmaal gebroken is, wordt alles vloeibaar. De grijze massa zuigt zich om mij heen. Ik ben vergeten hoe ik moet zwemmen, als een hond spartel ik door het water. Ik hap naar lucht en vind een kleinere rots om mij aan op te hijsen. Ik kijk om mij heen, het water golft langzaam voort tot het zich tegen de stenen wand te pletter slaat. Een zwarte vogel zit verstrikt in een stuk zeewier. Josine is niet gesprongen. Ik kijk omhoog, naar de plek waar ze zojuist lag. Josine is verdwenen.

De volgende morgen loop ik door het stadje, niet ver van de camping. Winkels met schelpenarmbandjes en deurmatten met teksten als Home sweet home en Willkommen. In de supermarkt koop ik stroopwafels en een verlepte bloemkool, ik leg mijn spullen op de band voor de kassa. Een man met een snor vol koekkruimels tikt de barcodes handmatig in de kassa. Dan zie ik haar staan, Josine, twee banden verderop, hand in hand met een vrouw van een jaar of vijftig, die haar bij het snoeprek vandaan trekt. Josine kijkt op en ziet mij staan. Ze wijst en fluistert de vrouw iets in haar oor, de vrouw trekt haar wijzende vinger abrupt weg en duwt Josines hoofd de andere kant op. Mij werpt ze een norse blik toe en schudt ontstemd haar hoofd, ik concenteer mij op de bloemkool. Als ik aan de beurt ben bij de kassa lopen de twee voorbij, Josine zwaait. De man achter de kassa ziet mij kijken.
‘Dat is er een van Haas,’ zegt hij, alsof ik weet wie of wat ‘Haas’ is. Met zijn wijsvinger tikt hij op z’n voorhoofd. ‘Die moet je in de gaten houden,’ zegt hij. ‘Vorige week heeft ze twee jochies op het strand wijsgemaakt dat je secondelijm kunt eten, die zaten mooi aan hun eigen tong vastgeplakt. Een hele heisa in het ziekenhuis was dat.’
‘Goh,’ zeg ik en geef hem een briefje van vijf, de verlepte bloemkool stop ik in mijn rugzak. Als ik de winkel uitloop wrijf ik over mijn shirt, de stof schuurt tegen de brandende plek die op mijn buik is ontstaan.

Batheropeningabeachhut


Jente Hoogeveen (1992) is schrijver, illustrator, productkunstenaar en ook nog student. Eerder aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, tegenwoordig studeert ze Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit van Utrecht. Ze schreef onder andere verhalen voor De Gids, Opium en DeBuren en stond afgelopen zomer in de finale van Write Now! De meeste verhalen en beelden ontstaan onderweg, in de trein of dwalend door de stad. Op zoek naar dat wat afwijkt, kleine details met grote verhalen. Kijk voor meer beelden en verhalen op haar website.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s